ECLI:NL:GHDHA:2026:2280

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
200.364.096/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 7:266 lid 5 BWArt. 827 lid 1 sub f Rv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging huurrecht moeder en wijziging zorgregeling wegens belang minderjarige kinderen

Partijen zijn gehuwd en hebben twee jonge minderjarige kinderen. Na hun scheiding is een co-ouderschapsregeling getroffen waarbij de kinderen ongeveer gelijk verdeeld waren tussen beide ouders, met een 'birdnesting'-constructie waarbij de kinderen in de echtelijke woning verbleven.

De vader kwam in hoger beroep tegen de toewijzing van het huurrecht van de woning aan de moeder en verzocht om voortzetting van de co-ouderschapsregeling. De moeder verzocht om wijziging van de zorgregeling en vaststelling van de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij haar.

Het hof oordeelde dat het co-ouderschap niet langer in het belang van de kinderen is vanwege hun jonge leeftijd, de verstoorde communicatie tussen ouders en praktische bezwaren zoals reisafstanden. Het huurrecht van de woning wordt bekrachtigd aan de moeder, die het grootste belang heeft bij het verblijf in de woning, mede omdat de kinderen het grootste deel van de tijd bij haar verblijven.

De zorgregeling wordt gewijzigd conform het verzoek van de moeder, waarbij de kinderen de ene week van zondag tot dinsdag en de andere week van zaterdag tot dinsdag bij de vader verblijven, en de hoofdverblijfplaats bij de moeder wordt vastgesteld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het huurrecht van de woning aan de moeder en wijzigt de zorgregeling en hoofdverblijfplaats in het belang van de jonge kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.364.096/01 en 200.364.096/02
zaaknummers rechtbank : C/10/684654 en C/10/688072
rekestnummers rechtbank : FA RK 24-6251 en FA RK 24-7886
beschikking van de meervoudige kamer van 24 juni 2026
inzake
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.P. Biesbroek te Rotterdam
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. G.O. Perquin te Zoetermeer.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 november 2025, uitgesproken onder voormelde zaak- en rekestnummers (hierna: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 23 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Dit hoger beroep is ingeschreven onder zaaknummer 200.364.096/01 (hierna ook: de hoofdzaak).
2.2
De vader heeft op 26 februari 2026 ook een verzoek tot schorsing van de onmiddellijke werking van de bestreden beschikking voor wat betreft het huurrecht van de voormalige echtelijke woning ingediend. Dit schorsingsverzoek is bij dit hof ingeschreven onder zaaknummer 200.364.096/02 (hierna ook: het incident).
2.3
De moeder heeft op 5 maart 2026 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
De vader heeft op 26 maart 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.5
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- op 16 maart 2026 een e-mail van de zijde van de moeder met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- op 16 april 2026 een e-mail van de zijde van de vader met bijlage.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op 19 mei 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaat van de moeder heeft een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [huwelijksplaats] op [datum] 2022.
3.3
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ),
gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.
3.4
Partijen oefenen van rechtswege het gezamenlijk ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.
3.5
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2024 is in het kader van een voorlopige voorzieningenprocedure bepaald dat de minderjarigen voorlopig met betrekking tot de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) de ene week van zondag 18:00 uur tot dinsdag 18:00 uur bij de vader verblijven en van dinsdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de moeder, en in de andere week de minderjarigen van zondag 18:00 uur tot dinsdag 18.00 uur bij de vader verblijven, van dinsdag 18:00 uur tot donderdag 18:00 uur bij de moeder en vervolgens van donderdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur weer bij de vader verblijven.
De verzoeken van partijen tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning zijn afgewezen, wat ertoe leidt dat de ‘birdnesting’-constructie waar partijen tot dat moment uitvoering aan gaven, wordt voortgezet.
3.6
De moeder en de vader hebben in het kader van de echtscheiding afspraken gemaakt over de minderjarigen. Deze afspraken zijn vastgelegd in het ouderschapsplan dat de ouders op [datum] 2025 hebben ondertekend. In dat ouderschapsplan hebben zij, voor zover in dit hoger beroep van belang, het volgende afgesproken:
(…)
Artikel 2
Hoofdverblijfplaats/verhuizing/paspoort
2.1
[minderjarige 2] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. Hij zal dan ook op het adres van de moeder bij de gemeente ingeschreven staan en aan de moeder komt het recht toe de kinderbijslag ten behoeve van [minderjarige 2] te ontvangen. [minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vader. Hij zal dan ook op het adres van de vader bij de gemeente ingeschreven staan en aan de vader komt het recht toe de kinderbijslag ten behoeve van [minderjarige 1] te ontvangen. Beide ouders zullen deze kinderbijslag overschrijven naar de kindrekening.
(…)
Artikel 3 Verzorging Pro en opvoeding
(…)
3.2
Vanaf het moment dat [minderjarige 1] naar de basisschool gaat, zullen de ouders de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoeren:
De kinderen zijn doordeweeks bij iedere ouder de helft van de tijd. Zij zullen van zondag 18:00 uur tot woensdag 12:00 uur onder de hoede van de vader zijn en van woensdag 12:00 uur tot vrijdag 18:00 uur onder de hoede van de moeder. In de weekends zijn ze het ene weekend bij de moeder het andere weekend bij de vader.
(…)

4.Waar de zaak over gaat

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in deze procedure van belang:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- de tussen partijen getroffen regeling als neergelegd in het op [datum] 2025 door partijen ondertekende ouderschapsplan dat door de griffier is gewaarmerkt en aan de beschikking is gehecht, in de beschikking opgenomen;
- bepaald dat de moeder met ingang van de datum van inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking, alleen het huurrecht toekomt van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] ;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
- de proceskosten gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De vader verzoekt het hof in de hoofdzaak om de bestreden beschikking ten aanzien van de toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning aan de moeder te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidende verzoek van de vader om te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de vader toekomt, alsnog toe te wijzen.
In het incident verzoekt de vader de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking op het punt van de toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning aan de moeder, per direct te schorsen.
4.3
De moeder verzoekt het hof om de verzoeken van de vader, zo nodig met verbetering van de gronden, af te wijzen en de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft het opnemen van het ouderschapsplan in de beschikking betreffende de artikelen 2.1 over de hoofdverblijfplaats en 3.2 over de wekelijkse zorgregeling en in plaats daarvan te bepalen dat beide minderjarigen de hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben en een wekelijkse zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen de ene week van zondag 19:00 uur tot dinsdag 19:00 uur en de andere week van zaterdag 19:00 uur tot dinsdag 19:00 uur bij de vader zullen verblijven.
4.4
De vader verzoekt het hof om de verzoeken van de moeder af te wijzen en te bepalen dat de ‘birdnesting’-regeling, zoals partijen deze zijn overeengekomen, wordt voortgezet totdat één van beide partijen andere woonruimte in [plaats] heeft gevonden, dan wel de beslissing met betrekking tot het huurrecht van de woning aan de [adres] in [plaats] voor minimaal zes maanden aan te houden, dan wel een beslissing te nemen die het hof in goede justitie redelijk acht.

5.De motivering van de beslissing

Het incident
5.1
De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling van de zaak zijn verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ingetrokken, zodat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in dit verzoek.
De hoofdzaak
Zorgregeling
5.2
De moeder stelt dat, nu de vader zegt dat het voor hem praktisch onuitvoerbaar is om de co-ouderschapsregeling uit te voeren, deze regeling niet langer in het belang van de minderjarigen is. De moeder heeft bovendien van begin af aan niet volledig achter een co-ouderschapsregeling gestaan, maar is daar vanwege gebeurtenissen en omstandigheden mee akkoord gegaan. Tussen partijen heeft ten tijde van het kort geding bij de rechtbank een incident plaatsgevonden, waardoor de moeder zich genoodzaakt voelde akkoord te gaan met een zorgregeling van week op week af. De moeder kan de minderjarigen meer dagen opvangen dan de vader. Er is nu veel onrust bij de minderjarigen. Zo gaat de vader veel op stap met de minderjarigen, terwijl de moeder juist met de minderjarigen thuisblijft tijdens de ‘birdnesting’.
5.3
De vader is van mening dat het voor de minderjarigen van groot belang is om de co-ouderschapsregeling voort te zetten. De minderjarigen zijn hier inmiddels al bijna twee jaar aan gewend en het is voor hen belangrijk om tijd met zowel de vader als de moeder door te brengen. De vader heeft altijd een grote rol gespeeld bij de verzorging van de minderjarigen. Zo heeft hij na de geboorte van [minderjarige 1] ruim vier maanden ouderschapsverlof opgenomen, omdat de moeder kampte met een postnatale depressie. In april 2024 zijn de eerste afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg voor de minderjarigen na het uiteengaan van partijen. Uitgangspunt daarbij is altijd geweest dat de zorg ongeveer gelijk verdeeld zou worden. Partijen zijn tijdens een mediationtraject het ouderschapsplan overeengekomen. Van druk zetten op de moeder was geen sprake.
5.4
De rechter kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.5
Het hof is van oordeel dat de moeder belang heeft bij de wijziging van haar verzoek met betrekking tot de zorgregeling, nu sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds het overeenkomen van de zorgregeling zoals deze onder 3.6 staat vermeld. Bij het maken van de afspraken over co-ouderschap gingen partijen ervan uit dat zij beiden in [plaats] zouden wonen en dat is nu niet het geval. Ook stelt de moeder dat zij onder druk akkoord is gegaan met deze regeling en vindt deze niet in het belang van de minderjarigen en stelt de vader dat hij bij de uitvoering van de zorgregeling stuit op praktische problemen. Zo heeft hij verklaard dat het heel druk is op het traject van [plaats] , waar zijn moeder woont, naar [plaats] en het hierdoor heel ingewikkeld is om de minderjarigen op tijd op (voor)school en het kinderdagverblijf/peuterspeelzaal te krijgen.
Gelet op de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat het co-ouderschap niet in het belang van de minderjarigen is. Niet alleen zijn hier praktische bezwaren tegen mede in verband met de reisafstand naar de (voor)school en kinderdagverblijf/peuterspeelzaal, ook is de verstandhouding tussen de ouders dusdanig verstoord dat zij hier geen goede invulling aan kunnen geven. Bij een co-ouderschap is het van belang dat partijen dicht bij elkaar wonen, er onderling een goede communicatie is en zij de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk op elkaar kunnen afstemmen zeker nu de kinderen nog zo jong zijn. Naast het feit dat de verhoudingen tussen partijen ernstig zijn verstoord en zij niet tot nauwelijks met elkaar communiceren, hanteren zij een volstrekt verschillende wijze van verzorging en opvoeding. Waar de moeder zoveel mogelijk rust probeert te creëren, wil de vader veel met de minderjarigen ondernemen en verblijft en slaapt regelmatig de ene minderjarige bij zijn ouders, zodat hij een-op-een met de ander iets kan ondernemen. De minderjarigen zijn nog maar drie en twee jaar oud. Om zich zo goed mogelijk te ontwikkelen, is het van belang dat hun opvoedsituatie rustig en stabiel is en zij niet worden belast met de spanningen tussen de ouders. Het hof is dan ook van oordeel dat de onrust die het co-ouderschap met zich brengt tot gevolg heeft dat het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is dat de zorgregeling wordt gewijzigd. Het hof zal het verzoek van de moeder toewijzen en de zorgregeling vaststellen zoals door haar is verzocht.
Hoofdverblijfplaats
5.6
Het hof overweegt als volgt. Gelet op de vast te stellen zorgregeling, waarbij de minderjarigen het grootste deel van de tijd bij de moeder zijn, zal het hof de hoofdverblijfplaats van beide minderjarigen bij de moeder vaststellen. Dit schept meteen duidelijkheid met betrekking tot de kinderbijslag en kindgebonden budget waarvan gebleken is dat daar ook problemen over bestaan tussen partijen.
Huurrecht echtelijke woning
5.7
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de moeder een zwaarder belang heeft bij het verkrijgen van het huurrecht van de echtelijke woning. Zo gaat de rechtbank volgens de vader ten onrechte voorbij aan de mogelijkheid dat de moeder gebruik kan maken van de crisisopvang. De moeder kan dan op die manier sneller in aanmerking komen voor andere woonruimte dan de vader. Daarnaast is het voor de vader niet mogelijk om de co-ouderschapsregeling te blijven uitvoeren, daar het niet mogelijk is voor hem om met de minderjarigen bij zijn ouders te verblijven. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vader een auto heeft en de vrouw niet. De vader heeft namelijk aangeboden om de minderjarigen in het kader van de zorgregeling naar [plaats] te brengen, naar de woning van de vader van de moeder, waar de moeder kan verblijven.
5.8
De moeder verweert zich hiertegen. Zoals door de rechtbank terecht is overwogen, heeft de moeder geen rijbewijs. Zij zal dus altijd alles met het openbaar vervoer moeten doen en dat kost anderhalf uur enkele reis. Dat acht de moeder niet in het belang van de minderjarigen, met name in het geval de minderjarigen ziek zijn. Daarnaast ontkent de moeder dat zij gebruik kan maken van een crisisopvang nu zij een hulpvraag zou hebben in verband met het feit dat zij borderline heeft. De behandeling van haar borderline is in oktober 2024 al afgesloten. Bovendien acht de moeder het niet in het belang van de minderjarigen dat zij verblijven in een crisisopvang. Voor zover de vader stelt dat hij geen uitvoering kan geven aan de co-ouderschapregeling indien hij niet het huurrecht krijgt, geldt dit ook voor de moeder. Ook het feit dat de vader voorstelt de minderjarigen te brengen en halen naar de moeder, is slechts een aanbod voor één jaar zoals in eerste aanleg is gebleken en voor de moeder dan ook te onzeker. Met het beperkte inkomen van de moeder lukt het haar niet om haar rijbewijs binnen een jaar te halen.
5.9
In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub f Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering in verbinding met artikel 7:266 lid 5 BW Pro op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. De rechter bepaalt tevens de dag van ingang van de huur met deze echtgenoot. Op dezelfde dag eindigt de huur met de andere echtgenoot. De beantwoording van de vraag aan wie van hen het huurrecht van de woning dient te worden toegekend, vindt plaats aan de hand van een afweging van de belangen van elk van de partijen bij toekenning van dit huurrecht.
5.1
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij het huurrecht van de voormalige echtelijke woning is toegekend aan de moeder. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat een belangenafweging leidt tot de conclusie dat de moeder het meeste belang heeft bij het verkrijgen van het huurrecht. Daarbij is nu vooral van belang dat, zoals bij deze beschikking wordt bepaald, de minderjarigen het grootste deel van de tijd bij de moeder zijn en de hoofdverblijfplaats bij haar hebben. Het hof is van oordeel dat van de moeder niet langer verwacht kan worden om uitvoering te blijven geven aan de constructie van ‘birdnesting’, waaraan partijen ondanks de beslissing van de rechtbank uitvoering zijn blijven geven in afwachting van de procedure in hoger beroep. Partijen zijn al ruim twee jaar uit elkaar en de moeder heeft onbetwist gesteld dat het voor haar te belastend is om te verblijven bij haar vader in [plaats] . De vriendin van de vader is bij hem ingetrokken met haar schoolgaande kinderen en de moeder heeft daar geen rust. De woning is zo klein dat er een matras in de woonkamer ligt. De woning van de moeder en stiefvader van de vader, waar de vader verblijft als hij niet in de voormalige echtelijke woning is, ligt dichterbij de voormalige echtelijke woning en er is meer ruimte, ook om daar met de minderjarigen te verblijven. Bovendien beschikt de vader, in tegenstelling tot de moeder, over een auto. Het voorstel van de vader dat de moeder met de minderjarigen naar de crisisopvang gaat, acht het hof in strijd met de belangen van de minderjarigen. De ‘birdnesting’ vergt veel van de ouders en brengt ook onrust en onduidelijkheid voor de minderjarigen met zich. [minderjarige 1] gaat drie keer per week naar een voorschool op basis van een indicatie van [jeugdzorginstelling] en zal na de zomervakantie naar de basisschool gaan. Het hof is van oordeel dat er na twee jaar een eind moet komen aan de wisselingen in de voormalige echtelijke woning, zodat er rust en voorspelbaarheid voor de ouders en de minderjarigen komt. Zolang de vader zich niet uitschrijft uit de woning, hetgeen hij tot op heden niet heeft gedaan, komt de moeder niet in aanmerking voor huurtoeslag, terwijl zij daar op basis van haar beperkte inkomen wel recht op en behoefte aan heeft. Het hof gaat ervan uit dat de vader zich per omgaande zal uitschrijven uit de woning.
Conclusie
5.11
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen beslist het hof als volgt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de moeder met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking alleen het huurrecht toekomt van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] ;
vernietigt de in de bestreden beschikking opgenomen tussen partijen getroffen regelingen in artikelen 2.1 over de hoofdverblijfplaats en 3.2 over de wekelijkse zorgregeling zoals neergelegd in het op [datum] 2025 door partijen ondertekende ouderschapsplan en, in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de minderjarigen [datum] , geboren op [geboortedatum] 2022 te ’ [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] , beiden hun hoofdverblijf bij de moeder hebben;
bepaalt dat de minderjarigen bij de vader zijn de ene week van zondag 19:00 uur tot dinsdag 19:00 uur en de andere week van zaterdag 19:00 uur tot dinsdag 19:00 uur;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.G.B. Boelens, A. Zonneveld en M.A.J. Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier en is op 24 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.