Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:13380

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
C/10/684654 / FA RK 24-6251, C/10/688072 / FA RK 24-7886
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 lid 2 RvArt. 815 lid 6 RvArt. 819 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing huurrecht echtelijke woning aan vrouw bij echtscheiding met co-ouderschapsregeling

Partijen zijn gehuwd sinds 2022 en hebben twee minderjarige kinderen. Zij hebben een co-ouderschapsregeling getroffen waarbij elk kind een hoofdverblijfplaats bij een van de ouders heeft en zij beiden in dezelfde woonplaats blijven wonen. De man en vrouw verzoeken beiden het huurrecht van de echtelijke woning toe te wijzen.

De rechtbank overweegt dat het belang van beide partijen vergelijkbaar is, maar dat de vrouw het huurrecht nodig heeft om de gemaakte afspraken over de woonplaats van de kinderen na te komen. De man kan bij zijn vader verblijven in dezelfde woonplaats en beschikt over een auto, waardoor hij de kinderen kan vervoeren. De vrouw is aangewezen op het openbaar vervoer, wat minder in het belang van de kinderen is.

Verder is vastgesteld dat partijen in beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd en de verdeling van de gemeenschap grotendeels is geregeld. De rechtbank wijst de echtscheiding toe, neemt het ouderschapsplan op in de beschikking en kent het huurrecht toe aan de vrouw met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De proceskosten worden ieder door eigen partij gedragen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de echtscheiding toe en kent het huurrecht van de echtelijke woning toe aan de vrouw.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
Zaaknummers / rekestnummers: C/10/684654 / FA RK 24-6251 (echtscheiding)
C/10/688072 / FA RK 24-7886 (verdeling)
Beschikking van 5 november 2025 over de echtscheiding met nevenvoorzieningen
in de zaak van:
[de man], hierna: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. M.P. Biesbroek te Rotterdam,
t e g e n
[de vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. G.O. Perquin te Zoetermeer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 21 augustus 2024;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 23 oktober 2024;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlage van de man, ingekomen op 20 november 2024;
  • het gewijzigd verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 29 september 2025;
  • de berichten met bijlagen van de man van 19 september 2024 en 4 oktober 2025.
1.2.
Bij het bericht van de vrouw van 29 september 2025 is het door beide partijen op 16 september 2025 ondertekende ouderschapsplan gevoegd.
1.3.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [trouwplaats] op [trouwdatum] 2022.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 2] ,
2.3.
Partijen oefenen van rechtswege het gezamenlijk ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.
2.4.
Bij beschikking van 24 juli 2024 is in het kader van een voorlopige voorzieningenprocedure bepaald dat de minderjarigen voorlopig met betrekking tot de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) de ene week van zondag 18:00 uur tot dinsdag 18:00 uur bij de man verblijven en van dinsdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de vrouw, en in de andere week verblijven ze van zondag 18:00 uur tot dinsdag 18:00 uur bij de man, van dinsdag 18:00 uur tot donderdag 18:00 uur bij de vrouw en vervolgens van donderdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur weer bij de man. De verzoeken van partijen tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning zijn afgewezen, wat ertoe leidt dat de birdnesting-constructie waar partijen tot dat moment uitvoering aan gaven wordt voortgezet.

3.De beoordeling

3.1.
Scheiding en ouderschapsplan
3.1.1.
De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.1.2.
De vrouw betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet. Zij verzoekt eveneens de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
3.1.3.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv Pro, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv Pro).
3.1.4.
Gebleken is dat partijen tijdens de procedure een ouderschapsplan zijn overeengekomen, zodat zij kunnen worden ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding.
De vrouw verzoekt – onder wijziging van haar zelfstandige verzoeken onder II en II – de rechtbank het ouderschapsplan, dat zij als bijlage bij haar gewijzigd verweerschrift heeft ingediend, in de beschikking op te nemen.
3.1.5.
De rechtbank zal dit verzoek toewijzen en het ouderschapsplan op grond van artikel 819 Rv Pro opnemen in deze beschikking. Alle eerder in de procedure door ieder van partijen afzonderlijk geformuleerde, en ongewijzigde, verzoeken ten aanzien van de minderjarigen worden door de rechtbank – gelet op de bereikte overeenstemming – afgewezen wegens een nader gebrek aan belang.
3.1.6.
De verzoeken tot echtscheiding worden, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.2.
Huurrecht woning
3.2.1.
De man verzoekt het huurrecht van de echtelijke woning aan [adres] te [plaats 1] , met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers aan hem toe te wijzen.
3.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt eveneens het huurrecht van de echtelijke woning te verkrijgen.
3.2.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen verzoeken het huurrecht van de echtelijke woning en voeren vergelijkbare feiten en omstandigheden aan ter beantwoording van de vraag wie van hen het meest belang heeft bij het verkrijgen van dat huurrecht. Zij zijn in het ouderschapsplan overeengekomen dat de ene minderjarige de hoofdverblijfplaats heeft bij de man en de andere minderjarige bij de vrouw, en dat een co-ouderschapsregeling zal gelden. Zij hebben op basis van die afspraak hetzelfde belang bij het verkrijgen van het huurrecht. De rechtbank acht niet doorslaggevend het argument van de vrouw dat het belangrijk is dat zij in de (sociale) omgeving van de minderjarigen blijft wonen, omdat dit argument ook geldt voor de man. De minderjarigen verblijven immers ook gedurende de helft van de tijd bij hem.
3.2.4.
Daarnaast hebben beide partijen aangevoerd dat zij vanwege de wachtlijsten en woningnood niet op korte termijn in aanmerking komen voor een sociale huurwoning en dat zij beschikken over te weinig financiële middelen om te huren in de vrije sector. Zij zeggen beiden de huidige woning te kunnen financieren. De man twijfelt of de vrouw dit kan, gelet op haar zeer lage inkomen.
3.2.5.
De rechtbank gaat voorbij aan het argument van de man dat hij niet in aanmerking komt voor de crisisopvang, maar de vrouw wel omdat zij in het verleden gediagnosticeerd zou zijn met borderline-stoornis, zodat zij kan beschikken over alternatieve woonruimte. Ten eerste is het verblijf in een crisisopvang, al zou de vrouw daar kunnen verblijven, niet duurzaam. Ten tweede acht de rechtbank een verblijf in de crisisopvang met de twee minderjarigen, die de helft van de tijd bij de vrouw verblijven, niet in hun belang.
3.2.6.
De man heeft verder naar voren gebracht dat hij meer belang heeft bij het huurrecht, omdat zijn werk zich in de buurt van de woning bevindt. Echter, de man is werkzaam als zelfstandig, niet in loondienst zijnde, buschauffeur. Niet gebleken is dat hij niet elders zijn werkzaamheden kan uitvoeren, nu hij niet gebonden is aan een werkgever. De vrouw heeft verteld dat zij momenteel bij een detailhandel werkt in [plaats 2] en door haar werkgever kan worden overgeplaatst naar een filiaal in de buurt van de echtelijke woning. Ook het werk van partijen vormt dan ook geen doorslaggevende factor.
3.2.7.
Wel doorslaggevend acht de rechtbank het volgende. Op dit moment verblijven partijen om en om in de echtelijke woning wanneer zij volgens de zorgregeling de zorg dragen voor de minderjarigen. Wanneer zij niet de zorg dragen voor de minderjarigen, verblijft de vrouw bij haar vader in [plaats 2] en de man bij zijn ouders in [plaats 1] . Dit zijn tevens de alternatieve verblijfplaatsen voor partijen wanneer zij niet het huurrecht van de echtelijke woning verkrijgen. Partijen hebben afgesproken dat zij in verband met de co-ouderschapsregeling allebei in [plaats 1] blijven wonen. De man kan deze afspraak nakomen, ongeacht of hij het huurrecht krijgt of niet. Immers, indien hij het huurrecht niet verkrijgt kan hij terecht bij zijn vader die ook in [plaats 1] woont. De vrouw kan deze afspraak alleen nakomen indien zij het huurrecht van de echtelijke woning krijgt. Bij het voorgaande heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat de man beschikt over een auto waardoor hij beter in staat is de minderjarigen te vervoeren van en naar een woning die zich niet, zoals de echtelijke woning, in de sociale omgeving van de minderjarigen bevindt. De vrouw beschikt daar niet over en zou, samen met de minderjarigen, gebonden zijn aan het openbaar vervoer. Dit laatste acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarigen.
3.2.8.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en dat van de man afwijzen. De rechtbank zal als ingangsdatum de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers hanteren.
3.3.
Verdeling
3.3.1.
Gelet op de huwelijksdatum van partijen zijn zij in een beperkte gemeenschap van goederen gehuwd.
3.3.2.
De vrouw verzoekt – bij wijze van zelfstandig verzoek – de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen, inhoudende dat de kledingkast van de minderjarigen, de commode en de droger aan de vrouw worden toegedeeld en de overige goederen uit de gemeenschap aan de man.
3.3.3.
De man stemt in met het verzoek van de vrouw. Hij verzoekt te bepalen dat de kleding en het speelgoed van de minderjarigen tussen partijen wordt verdeeld en dat de kinderwagens en autostoeltjes blijven waar de minderjarigen ook zijn.
3.3.4.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met de door de man voorgestelde wijze van verdeling van de kleding, het speelgoed, de kinderwagens en de autostoeltjes van de minderjarigen. Partijen hebben verklaard dat ze alle overige bestanddelen uit de gemeenschap reeds hebben verdeeld, behalve de kledingkast van de minderjarigen, de commode en de droger. Zij zijn het erover eens dat deze aan de vrouw worden toegedeeld, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal het voorgaande als afspraken tussen partijen opnemen in het dictum en de verzoeken van partijen afwijzen wegens gebrek aan belang.
3.4.
Proceskosten
3.4.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/684654 / FA RK 24-6251:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [trouwdatum] 2022 te [trouwplaats] ;
4.2.
neemt op in deze beschikking de tussen partijen getroffen regeling als neergelegd in het op 16 september 2025 door partijen ondertekende ouderschapsplan, dat door de griffier is gewaarmerkt en aan deze beschikking is gehecht;
4.3.
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking, alleen het huurrecht toekomt van de echtelijke woning aan [adres] te [plaats 1] ;
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/688072 / FA RK 24-7886:
4.4.
neemt op de tussen partijen getroffen onderlinge regeling ten aanzien van de verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen:
  • alle bestanddelen uit de gemeenschap zijn reeds verdeeld, behalve de kledingkast van de minderjarigen, de commode en de droger,
  • de kledingkast van de minderjarigen, de commode en de droger worden toegedeeld aan de vrouw en de overige goederen uit de gemeenschap aan de man, zonder nadere verrekening,
  • de kleding en het speelgoed van de minderjarigen wordt tussen partijen verdeeld en de kinderwagens en autostoeltjes blijven waar de minderjarigen ook zijn;
in beide procedures:
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. T. Houtepen, griffier, op 5 november 2025.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.