ECLI:NL:GHDHA:2026:2168

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/579
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a Wet BPMArt. 4a Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 14 EVRMArt. 1, twaalfde protocol EVRMRichtlijn 1999/37/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag bpm wegens export auto’s buiten EU/EER zonder recht op teruggaaf

Belanghebbende heeft in 2017 verzoeken ingediend voor teruggaaf van bpm op zes auto’s die in Nederland waren geregistreerd. De auto’s werden uitgeschreven uit het Nederlandse kentekenregister en later in Duitsland ingeschreven. Vijf van deze auto’s waren echter al uitgevoerd naar landen buiten de EU/EER voordat zij in Duitsland werden geregistreerd.

De Inspecteur legde een naheffingsaanslag bpm op omdat de teruggaaf onterecht was verleend. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde een proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen het oordeel dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd.

Het Hof oordeelt dat de teruggaafregeling van artikel 14a Wet BPM alleen geldt voor auto’s die duurzaam in een andere EU/EER-lidstaat worden geregistreerd en gebruikt. Omdat de auto’s al buiten de EU/EER waren uitgevoerd voordat zij in Duitsland werden ingeschreven, is geen sprake van een recht op teruggaaf. Ook is geen sprake van schending van het discriminatieverbod, omdat export naar EU/EER-landen en derde landen geen vergelijkbare situaties zijn. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de naheffingsaanslag bpm terecht is opgelegd omdat de auto’s al buiten de EU/EER waren uitgevoerd voordat zij in Duitsland werden ingeschreven.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/579

Uitspraak van 24 juni 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 juni 2025, nummer SGR 23/7170.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 9.687 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is een vergrijpboete opgelegd van € 2.421 en is € 889 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de boete- en rentebeschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar is de Inspecteur deels aan belanghebbendes bezwaren tegemoetgekomen. De naheffingsaanslag is verminderd tot een bedrag van € 8.012, de boetebeschikking is vernietigd en de rentebeschikking is verminderd tot een bedrag van € 735.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder is aangeduid (het Hof heeft de voetnoot achterwege gelaten):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.960;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.
- draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 mei 2026. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende een pleitnota met bijlagen toegestuurd. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft gedurende 2017 verzoeken ingediend om teruggaaf van bpm wegens export van (onder meer) de volgende in Nederland geregistreerde motorrijtuigen:
kenteken
merk
teruggaaf
Auto 1
[kenteken 1]
Skoda
€ 379
Auto 2
[kenteken 2]
Audi
€ 1.134
Auto 3
[kenteken 3]
BMW
€ 2.009
Auto 4
[kenteken 4]
BMW
€ 1.675
Auto 5
[kenteken 5]
Mercedes-Benz
€ 2.353
Auto 6
[kenteken 6]
Mercedes-Benz
€ 2.137
Totaal
€ 9.687
Op de verzoeken is ten aanzien van bovengenoemde auto’s teruggaaf van bpm verleend tot een bedrag van € 9.687.
2.2.
Alle bovengenoemde auto’s zijn uitgeschreven uit het Nederlandse kentekenregister en in Duitsland voor onbepaalde tijd op kenteken gezet. De auto’s 1, 2, 3, 5 en 6 zijn voorafgaande daaraan uitgevoerd naar landen buiten de Europese Unie (EU) of de Europese Economische Ruimte (EER).
2.3.
Bij brief van 10 november 2022 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd van zijn voornemen tot naheffing van de teruggegeven bpm. In deze brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Onlangs is gebleken dat u in 2017 een of meer motorrijtuigen (aantal: 6) waarvoor u teruggaaf van bpm heeft ontvangen, tevens bij de Douane ten uitvoer heeft aangegeven vanwege export buiten de EU/EER. Met andere woorden deze motorrijtuigen zijn vanwege export buiten de EU/EER gebracht. Dat is duidelijk in strijd met doel en strekking van artikel 14a Wet bpm. U heeft dan ook voor deze motorrijtuigen ten onrechte teruggaaf van Bpm gevraagd en ontvangen.”
2.4.
Met dagtekening 31 december 2022 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van € 9.687. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd en is € 889 belastingrente in rekening gebracht.
2.5.
Bij de bestreden uitspraak op bezwaar is gedeeltelijk aan het bezwaar van belanghebbende tegemoetgekomen. De nageheven bpm is verminderd met de belasting die betrekking heeft op auto 4. De in rekening gebrachte belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. Tevens is de opgelegde vergrijpboete vernietigd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“9. Artikel 14a, eerste lid, van de Wet Bpm luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Teruggaaf van belasting wordt, (…), op aanvraag verleend voor [auto’s] indien de tenaamstelling van [de auto] in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig in het buitenland wordt gebracht, [de auto] (…) wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de [EU] of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de [EER] en als bewijs voor die inschrijving door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs wordt afgegeven, met uitzondering van een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving (…).”
Artikel 4a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (het Uitvoeringsbesluit) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. De in artikel 14a, eerste lid, van de wet bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien: (…)
d. bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en, indien de inspecteur daarom verzoekt, bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig naar die lidstaat, onderscheidenlijk die staat, is gebracht.”
10. Naar het oordeel van de rechtbank is in onderhavige geval niet voldaan aan de (cumulatieve) voorwaarden die artikel 14a van de Wet Bpm gelezen in samenhang met artikel 4a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit aan teruggaaf verbindt. Alhoewel dat niet letterlijk uit de wettekst volgt kan het niet anders dan dat de wetgever met ‘het in het buitenland brengen’ van een motorrijtuig en het inschrijven in een andere lidstaat hetzelfde land voor ogen heeft gehad. Artikel 4a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit spreekt immers van ”naar die lidstaat (…) is gebracht”. In onderhavige geval zijn de auto’s 1, 2, 3, 5 en 6 naar landen buiten de EU/EER gebracht en (daarna) ingeschreven in een andere lidstaat van de EU. Ook indien de wetgever niet hetzelfde land voor ogen heeft gehad, kan de rechtbank eiseres niet volgen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de auto’s 1,2,3,5 en 6 pas in Duitsland op kenteken zijn gezet nadat zij uit de Europese Unie zijn uitgevoerd. Van doorvoer is dan ook geen sprake. In zoverre verschilt onderhavige zaak van de zaak waarin rechtbank Gelderland op 18 april 2023 uitspraak heeft gedaan.[2] De naheffingsaanslag is terecht opgelegd.
11. De rechtbank volgt eiseres niet in zijn stelling dat de beslissing inzake proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase niet bij separate brief had mogen worden toegezonden. In de uitspraak op bezwaar en de separate brief is expliciet opgenomen dat de beslissing over de proceskostenvergoeding onderdeel uitmaakt van de uitspraak op bezwaar. Voorts komt de genoemde beschikkingsdatum overeen met dagtekening van de uitspraak op bezwaar, zodat de termijn voor het instellen van beroep door de separate toezending van proceskostenbeslissing niet is beperkt.
12. Anders dan eiseres stelt heeft verweerder de zaken van eiseres en andere cliënten van de gemachtigde terecht als samenhangend aangemerkt. De zaken van eiseres en de andere cliënten zijn door verweerder in de bezwaarfase gelijktijdig behandeld, in deze zaken door dezelfde persoon rechtsbijstand is verleend en de werkzaamheden van de gemachtigde zijn in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn geweest. Dat de werkzaamheden ten behoeve van verschillende belanghebbenden zijn verricht doet aan de samenhang niet af.
13. Bij het toekennen van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is verweerder uitgegaan van € 296 per punt. De rechtbank sluit zich aan bij het eensluidende standpunt van partijen dat dit bedrag te laag is en gaat, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), uit van een tarief van € 647 per punt. De rechtbank stelt de kostenvergoeding voor de bezwaarfase voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand derhalve op € 1.941 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor deelname aan een hoorgesprek met een waarde per punt van € 647 en factor 1,5 wegens samenhang). Nu in de bezwaarfase reeds € 888 is toegekend dient verweerder voor de bezwaarfase nog € 1.053 aan eiseres te betalen, doch een en ander slechts voor zover deze aanvulling op de proceskostenvergoeding niet reeds aan één van de andere in de beschikking van 9 oktober 2023 opgenomen cliënten van de gemachtigde van eiseres is uitgekeerd.
14. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond verklaard.
16. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 2 januari 2023 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 9 oktober 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 26 juni 2025 gedaan. Dat is afgerond 2 jaar en ruim 5 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met ruim 5 maanden is overschreden. Eiseres heeft dan ook recht op vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500. De overschrijding dient voor de helft te worden toegerekend aan de bezwaarfase en voor de ander helft aan de beroepsfase.
17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het Besluit en hetgeen hierboven over de bezwaarfase is overwogen voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.053 voor de bezwaarfase en € 907 voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,5), dus in totaal € 1.960. De rechtbank hanteert factor 0,5 omdat het beroep enkel gegrond gaat op de voor de bezwaarfase toegekende proceskostenvergoeding.
(…)

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of:
a. a) de Rechtbank het recht heeft geschonden omdat zij niet de juiste wettekst heeft toegepast bij haar beoordeling;
b) de naheffingsaanslag terecht en, na vermindering daarvan in bezwaar, tot het juiste bedrag is opgelegd;
c) de inspecteur in strijd handelt met het discriminatieverbod van artikel 14 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en/of artikel 1, twaalfde protocol EVRM vanwege een ongerechtvaardigd onderscheid tussen export naar EU-lidstaten dan wel EER-staten en derde landen.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin is beslist dat de naheffingsaanslag gehandhaafd wordt, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover daarin is beslist dat de naheffingsaanslag gehandhaafd wordt, tot vernietiging van de naheffingsaanslag en tot toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep zonder toepassing van de vermindering van artikel 19a Wet BPM.
4.3.
De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Verzoek tot aanhouding
5.1.1.
Belanghebbende heeft verzocht om de zaak aan te houden totdat de Hoge Raad heeft beslist op het cassatieberoep dat door de Staatssecretaris van Financiën is ingesteld tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1651. Dit betreft een soortgelijke zaak waarin dezelfde juridische problematiek speelt als in de onderhavige zaak, aldus belanghebbende.
5.1.2.
Het Hof ziet geen reden om deze zaak aan te houden tot de Hoge Raad heeft beslist op het cassatieberoep tegen voormelde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit geldt alleen al omdat de feiten in deze zaak anders zijn dan voormelde zaak waartegen cassatieberoep is ingesteld.
a.
Heeft de Rechtbank de juiste wettekst toegepast bij haar beoordeling?
5.2.1.
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank het recht heeft geschonden omdat zij bij de beoordeling van het geschil is uitgegaan van de wettekst van artikel 14a, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) en artikel 4a, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (het Uitvoeringsbesluit) zoals die luidden in 2021 terwijl zij uit had moeten gaan van de wettekst in 2017.
5.2.2.
De Rechtbank heeft de tekst van artikel 14a, lid 1, Wet BPM geciteerd zoals deze van toepassing was in het jaar waarin de teruggaafverzoeken zijn gedaan. Voor zover de Rechtbank ten onrechte verwijst naar een tekst van artikel 4a, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit die nog niet gold op het moment van het teruggaafverzoek geldt dat de herkansingsfunctie in hoger beroep gelegenheid geeft voor een (her)beoordeling van het geschil in volle omvang. Overigens geldt dat de Rechtbank naast de verwijzing naar de tekst in artikel 4a, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit, nog andere dragende redenen heeft gegeven om te onderbouwen waarom belanghebbende geen recht heeft op een teruggaaf.
b.
Is de naheffingsaanslag terecht en, na vermindering daarvan in bezwaar, tot het juiste bedrag opgelegd?
5.3.1.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij recht heeft op een teruggaaf van bpm op grond van artikel 14a Wet BPM wijst belanghebbende onder meer op de uitspraak van rechtbank Gelderland van 18 april 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:2227 en de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1651.
5.3.2.
De Inspecteur stelt dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van bpm op grond van artikel 14a Wet BPM. Hij voert aan dat uit gegevens van de Douane volgt dat de exportaangifte naar een land buiten de EU/EER voor alle auto’s is gedaan vóór het verzoek om teruggaaf van bpm waarin Duitsland is opgenomen als het land van inschrijving. Op het moment dat belanghebbende verzocht om teruggaaf was dus al bekend dat de auto’s niet binnen de EU/EER zouden blijven. In deze zaak is sprake van een situatie die in de parlementaire behandeling bij voormeld artikel is omschreven als misbruik van recht, dat bestreden moet worden. Een teruggaaf van bpm voor de auto’s in deze zaak is evident in strijd met de bedoeling van de wet(gever).
De feiten en omstandigheden in deze zaak zijn anders dan die in de uitspraak waarnaar belanghebbende verwijst. Anders dan in die zaak beschikt de Inspecteur in deze zaak over de exportgegevens van de Douane. Verder is in de uitspraak van rechtbank Gelderland een commerciële reden genoemd voor de (tussen)registratie in Duitsland. Van een dergelijke commerciële reden is in deze zaak geen sprake. Vanuit commercieel perspectief was het in deze zaak doelmatiger en eenvoudiger geweest om in Nederland een exportkenteken aan te vragen om daarmee rechtstreeks naar de afnemers buiten de EU/EER te rijden.
5.4.1.
Artikel 14a, lid 1, Wet BPM (tekst in 2017) luidt:
“Teruggaaf van belasting wordt, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag verleend voor personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s indien de tenaamstelling van het motorrijtuig in het kentekenregister komt te vervallen omdat het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht, het motorrijtuig overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG 1999, L 138) wordt ingeschreven in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en als bewijs van die inschrijving door de bevoegde autoriteit een kentekenbewijs wordt afgegeven, met uitzondering van een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig als bedoeld in artikel 1 van Pro die richtlijn. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het motorrijtuig was gesteld direct voorafgaand aan het vervallen van de tenaamstelling in het kentekenregister.”
5.4.2.
Artikel 4a, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit luidt (in 2017) – voor zover van belang – als volgt:
“De in artikel 14a, eerste lid, van de wet bedoelde teruggaaf wordt slechts verleend indien:
a. het motorrijtuig buiten Nederland wordt gebracht (…)
(…)
d. bij het verzoek bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig is geregistreerd in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
5.5.1.
De toelichting bij de invoering van artikel 14a Wet BPM vermeldt onder meer (NvW, Kamerstukken II 2006/07, 30 804, nr. 9, p. 17):
“In het eerste lid van artikel 14a van de Wet BPM wordt de teruggaaf geregeld voor voertuigen met een Nederlands kenteken waarvan de tenaamstelling in het register van de Dienst Wegverkeer (RDW) wordt beëindigd in verband met overbrenging naar een andere EU-lidstaat of EER-staat. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het kenteken tot dan toe stond. (…) Ten algemene geldt dat teruggaaf wordt verleend onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden. Zo dient de overbrenging van het voertuig naar het buitenland een permanent karakter te hebben. Daarnaast zal het voertuig in een andere EU-lidstaat of EER-staat geregistreerd moeten zijn of worden. (…)
5.5.2.
De Nota van toelichting bij het besluit van 19 december 2006 tot wijziging van enige fiscale Uitvoeringsbesluiten (Stb. 2006, 684, p. 36) vermeldt onder meer:
“De artikelen 4a en 4b van het Uitvoeringsbesluit geven uitvoering aan de in het Belastingplan 2007 opgenomen teruggaaf van BPM bij export. De teruggaaf van BPM bij export wordt slechts verleend voor voertuigen die worden uitgevoerd naar een EU-lidstaat of andere EER-staat.”
5.5.3.
Per 1 januari 2016 is artikel 14a, lid 1, Wet BPM aangepast zodat geen teruggaaf wordt verleend voor een kentekenbewijs dat is afgegeven op basis van een tijdelijke inschrijving van het motorrijtuig in een andere EU-lidstaat dan wel EER-staat. Deze wijziging is als volgt toegelicht (Kamerstukken II 2014-2015, 34 220, nr. 3, p. 5 en 18):
“(...) De teruggaafregeling bij export van motorrijtuigen van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) wordt zodanig aangepast dat de BPM-teruggaaf alleen wordt verleend indien het geëxporteerde motorrijtuig, overeenkomstig de Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (Richtlijn 1999/37/EG) duurzaam is ingeschreven in een andere EU-lidstaat of in een andere staat die partij is bij de Europese Economische Ruimte (EER). Dit werpt een drempel op tegen het ten onrechte verkrijgen van een teruggaaf bij export naar een land buiten de EU/EER via een bijvoorbeeld tijdelijke registratie in een land binnen de EU/EER.
5.5.4.
In het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2014-2015, 34 220, nr. 4, p. 3, 6 en 7):
“(...) De Afdeling merkt op dat er niet wordt ingegaan op de situatie waarin - ook met de opzet om te exporteren naar een land buiten de EU/EER - eerst sprake is van een duurzame inschrijving in een ander land van de EU/EER (hetgeen leidt tot een teruggaaf van BPM), kort daarna alsnog gevolgd door een export naar een land buiten de EU/EER. Door eerst duurzaam in te schrijven (en kort daarna toch te exporteren) kan derhalve nog steeds een teruggaaf van BPM worden verkregen. Naar het de Afdeling voorkomt zijn daarmee vraagtekens te plaatsen bij de effectiviteit van het voorstel omdat niet bedoeld gebruik aldus mogelijk blijft.
(...)
Het onbedoelde gebruik van de teruggaafregeling BPM doet zich met name voor bij export op basis van een tijdelijke kentekenregistratie in een ander land dan Nederland binnen de EU/EER. Een dergelijk gebruik van de regeling wordt veroorzaakt doordat een tijdelijke kentekenregistratie vaak op eenvoudige wijze, tegen lage kosten en met weinig administratieve lasten in dat andere land binnen de EU/EER is te verkrijgen. Zo is het mogelijk op grond van een dergelijk, tijdelijk kenteken een teruggaaf van BPM te krijgen. terwijl het motorrijtuig - al dan niet rechtstreeks - geëxporteerd wordt naar een land buiten de EU/EER. Met deze maatregel wordt een drempel opgeworpen tegen dit onbedoelde gebruik van de teruggaafregeling BPM. Uiteraard blijft het - zoals de Afdeling terecht opmerkt - mogelijk om na een duurzame, permanente kentekenregistratie in een ander land van de EU/EER het motorrijtuig te exporteren naar een derde land buiten de EU/EER.
(…)
Het doel van de voorgestelde aanpassing van artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992) is om het in aanmerking komende deel van het op een motorrijtuig drukkende BPM terug te geven, indien dat motorrijtuig niet meer in Nederland, maar in een ander land van de EU/EER is geregistreerd, maar dan alleen in de situatie dat het betreffende motorrijtuig in dat andere land van de EU/EER duurzaam is geregistreerd. Hierbij geldt dat voldaan moet blijven worden aan het Europese recht ter zake van het heffen van een registratiebelasting bij duurzaam gebruik van een motorrijtuig in Nederland, namelijk de Richtlijn Kentekenbewijzen.
Zoals hiervoor gemeld is ervoor gekozen aan te sluiten bij kentekenregistraties op basis van de Richtlijn Kentekenbewijzen. Om te voorkomen dat de artikel 1, tweede volzin, van die richtlijn bedoelde tijdelijke registraties ook zouden kunnen leiden tot teruggave van BPM was in de voorgestelde aanpassing van artikel 14a van de Wet BPM 1992 opgenomen dat kentekenbewijzen «in alle opzichten» moeten voldoen aan de voorschriften van de richtlijn. Echter, in het licht van de opmerkingen van de Afdeling en om verder te verduidelijken dat teruggave van BPM alleen wordt verleend indien sprake is van permanente registratie in een ander EU/EER-land zijn het voorstel van wet en de memorie van toelichting op dit punt aangepast.
(…)”
5.5.5.
De memorie van antwoord vermeldt het volgende (Kamerstukken I 2015-2016, 34 220, B, p. 2-3):
“(…)
Ten aanzien van de aanpassing van de teruggaafregeling van BPM bij export van motorrijtuigen vragen de leden van de fractie van D66 waarom geen minimumperiode van een duurzame inschrijving is opgenomen.
Er geldt op grond van recht van de Europese Unie (EU) geen minimumperiode voor het «duurzaam» ingeschreven staan van het motorrijtuig in de EU-lidstaat of in een land van de Europese Economische Ruimte (EER) waarnaar het motorrijtuig vanuit Nederland is geëxporteerd. Van belang voor de teruggaaf van belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) is dat bet motorrijtuig voor onbepaalde tijd wordt ingeschreven in een andere EU-lidstaat of ander EER-land. De Belastingdienst controleert op het moment waarop het verzoek om teruggaaf van BPM bij export wordt gedaan of de bijgevoegde kopie van het kentekenbewijs voldoet aan de voorwaarden van de Europese Richtlijn inzake de kentekenbewijzen van motorrijtuigen. Als de kopie voldoet en aan de overige voorwaarden voor de teruggaaf wordt voldaan, verleent de Belastingdienst de teruggaaf van BPM. Het invoeren van een minimumperiode zou betekenen dat de Belastingdienst deze motorrijtuigen in het buitenland gedurende een bepaalde periode zou moeten blijven volgen. Dit is voor de Belastingdienst praktisch ondoenlijk. Het is bovendien de vraag of een minimumperiode Europeesrechtelijk houdbaar is.
(…)”
5.5.6.
Uit de toelichtingen van de wetgever bij artikel 14a Wet BPM en artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit volgt dat de inschrijving van een auto overeenkomstig Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PbEG 1999, L 138) in andere EU-lidstaat of EER-staat samenhangt met de uitvoer van die auto naar diezelfde EU-lidstaat of EER-staat. Dit blijkt ook uit de verduidelijking die, weliswaar na het onderhavige tijdvak, is aangebracht in artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit. De toelichting vermeldt onder meer (Besluit van 16 december 2020 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten, Stb. 2020, 551, p. 23):
“De voorwaarden voor de teruggaafregeling op grond van de artikelen 14a en 14b Wet BPM 1992 worden verduidelijkt. Het is de bedoeling van deze bepalingen dat voor toepassing van de teruggaafregeling in elk geval is vereist dat het motorrijtuig daadwerkelijk is overgebracht naar dezelfde lidstaat van de Europese Unie of de staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte als waar het motorrijtuig is ingeschreven. Deze voorwaarde blijkt ook uit de jurisprudentie op dit punt.[voetnoot ECLI:NL:GHDHA:2018:4032] Aan de inspecteur moeten, indien hij daarom verzoekt, bescheiden worden overgelegd waaruit blijkt dat het motorrijtuig daadwerkelijk daarnaartoe is gebracht. Gedacht kan worden aan bescheiden die rechtstreeks betrekking hebben op de verzending of het vervoer van het motorrijtuig (de CMR-vrachtbrief en de nota van de vervoerder) of een door de koper ondertekend bewijs van aflevering (ontvangstbevestiging).”
5.6.1.
Artikel 14a Wet BPM regelt, gelet op hetgeen staat vermeld in de overwegingen onder 5.5, de teruggaaf voor voertuigen met een Nederlands kenteken waarvan de tenaamstelling in het register van de Dienst Wegverkeer (RDW) wordt beëindigd in verband met overbrenging naar een andere EU-lidstaat of EER-staat (zie 5.5.1). Artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit geeft uitvoering aan de in artikel 14a Wet BPM neergelegde teruggaaf van bpm bij export. Deze teruggaaf van bpm bij export wordt slechts verleend voor voertuigen die worden uitgevoerd naar een EU-lidstaat of andere EER-staat (zie 5.5.2). Ook uit de overige aangehaalde toelichtingen (zie 5.5.3 tot en met 5.5.6) volgt dat de teruggaafregeling van artikel 14a is bedoeld voor auto’s die duurzaam in een andere EU-lidstaat of EER-staat zullen worden gebruikt.
5.6.2.
Op het moment dat belanghebbende de teruggaafverzoeken deed conform artikel 14a wet bpm stond voor alle auto’s in de onderhavige zaak al vast dat deze waren uitgevoerd naar een land buiten de EU/EER. Belanghebbende heeft ter zitting ook erkend dat de uitvoeraangiftes voor de auto’s al waren ingediend en dat de auto’s de EU al hadden verlaten voordat de Duitse kentekens en de teruggaven van bpm voor de auto’s waren aangevraagd. Hiervan uitgaande is het Hof met de Rechtbank van oordeel dat aan belanghebbende geen teruggaaf kan worden verleend.
5.7.
Ten overvloede merkt het Hof op dat belanghebbende geen andere reden had voor de registratie in Duitsland anders dan het verkrijgen van de teruggaaf. Ter zitting heeft belanghebbende - desgevraagd - toegelicht dat de inschrijving in Duitsland ook een commerciële reden had. In dat verband heeft zij toegelicht dat een Duits kentekenbewijs de voorkeur geniet omdat hierop meer informatie over de auto staat dan op een Nederlands kentekenbewijs en een auto dus aantrekkelijker maakt voor een koper. Ook zou een Duits kentekenbewijs de inschrijving op kenteken in een ander land gemakkelijker maken. Het Hof gelooft niet dat de inschrijving in Duitsland commerciële waarde had. Zoals de Inspecteur ter zitting heeft opgemerkt, waren de auto’s immers al verkocht aan de afnemers in de derde landen en uitgevoerd voordat de auto’s werden ingeschreven in Duitsland. Ook geldt, zoals de Inspecteur heeft toegelicht, dat de voorwaarden waaraan kentekenbewijzen van motorvoertuigen moeten voldoen op Europees niveau zijn vastgelegd zodat deze kentekenbewijzen evenveel waarde hebben. Met de inschrijving in het Duitse kentekenregister heeft belanghebbende dus geen andere bedoeling gehad dan op kunstmatige wijze de voorwaarden te creëren om de teruggaaf zoals bedoeld in artikel 14a Wet BPM te bewerkstelligen (vgl. HvJ EG 14 december 2000, ECLI:EU:C:2000:695 (Emsland Stärke), punt 53).
c.
Handelt de Inspecteur in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro en/of artikel 1, twaalfde protocol EVRM vanwege een ongerechtvaardigd onderscheid tussen export naar EU-lidstaten dan wel EER-staten en derde landen?
5.8.1.
Belanghebbende stelt verder dat artikel 14a Wet BPM een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen auto’s die naar landen binnen de EU/EER worden geëxporteerd waarvoor wel teruggaaf wordt verleend, en auto’s die naar landen buiten de EU/EER worden geëxporteerd, waarvoor geen teruggaaf wordt verleend. Dit onderscheid is in strijd met het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 van Pro het EVRM en Artikel 1, twaalfde protocol EVRM.
5.8.2.
Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat onder discriminatie wordt verstaan dat personen in vergelijkbare situaties zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging verschillend worden behandeld.
5.8.3.
In dit verband geldt dat de export van auto’s naar EU-lidstaten dan wel EER-staten en de export van auto’s naar derde landen rechtens geen vergelijkbare situaties zijn. In dit verband geldt dat zowel de EU-lidstaten als EER-staten zich bijvoorbeeld hebben onderworpen aan de Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen terwijl die richtlijn niet van toepassing is op auto’s die naar een land buiten de EU/EER worden geëxporteerd. Ingevolge artikel 4 van Pro die richtlijn “(…) wordt het door een lidstaat afgegeven kentekenbewijs door de overige lidstaten erkend voor de identificatie van het voertuig in het internationale wegverkeer en voor de nieuwe inschrijving ervan in een andere lidstaat.” Het systeem van de richtlijn maakt aldus de handhaving van de teruggaafmaatregel beheersbaar en rechtvaardigt de beperking tot EU-lidstaten en EER-staten. Het Hof merkt ten overvloede op dat het duurzaam rondrijden in een derde land met een kentekenbewijs van een EU-lidstaat zich niet verdraagt met de doelstelling van deze richtlijn, namelijk dat lidstaten elkaar kunnen vertrouwen in het toezicht op (de veiligheid van) op hun eigen grondgebied rondrijdende voertuigen. Duitsland kan het verlangde toezicht niet uitoefenen op voertuigen die duurzaam zijn uitgevoerd naar een derde land.
Slotsom
5.9.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra W. de Wit
De beslissing is op 24 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.