ECLI:NL:GHDHA:2026:213

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
22-001775-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 321 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor verduistering van CC-karren en platen met schadevergoeding

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens verduistering van CC-karren en platen van een bedrijf. In hoger beroep stelde de verdediging dat een derde de huurovereenkomst had gesloten en de goederen verduisterd, maar dit scenario werd door het hof niet aannemelijk geacht.

Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen van de commercieel manager, e-mailcorrespondentie, en het gebruik van het telefoonnummer en e-mailadres die aan de verdachte waren gekoppeld. De verdachte kon zijn alternatieve scenario niet onderbouwen en werd daarom schuldig bevonden aan verduistering.

De straf werd bepaald op drie maanden gevangenisstraf, rekening houdend met de ernst van het feit, eerdere veroordelingen van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden. De redelijke termijn werd in hoger beroep overschreden, maar het hof vond de behandeling alsnog voortvarend.

De benadeelde partij vorderde €27.718,65 aan schadevergoeding, waarvan het hof €24.448,65 toewijst wegens materiële schade en niet-betaalde huurpenningen. Het resterende bedrag werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De verdachte werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 april 2024.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf en betaling van €24.448,65 schadevergoeding aan het benadeelde bedrijf.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Rolnummer: 22-001775-24
Parketnummer: 09-247274-23
Datum uitspraak: 5 februari 2026
TEGENSPRAAK
arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 3 mei 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
BRP-adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode tussen 1 september 2022 en 20 januari 2023 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg opzettelijk een of meerdere CC-karren en/of (daartoe behorende) platen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in
of omstreeksde periode tussen 1 september 2022 en 20 januari 2023 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg opzettelijk
een ofmeerdere CC-karren en
/of (daartoe behorende)platen,
in elk geval enig goed, geheel of ten deletoebehorende aan [bedrijf 1],
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte een alternatief scenario heeft geschetst. Volgens de verdediging heeft niet de verdachte, maar een derde op naam van de verdachte de huurovereenkomst met [bedrijf 1] gesloten en de karren en platen verduisterd. De verdachte heeft deze derde toegang gegeven tot onder andere zijn internetbankieren en DigiD en hem een kopie verstrekt van zijn identiteitsbewijs, rijbewijs en de Kamer van Koophandel. Deze persoon zou tevens de beheerder zijn van het e-mailadres: [emailadres]. De verdachte stelt dat deze persoon vervolgens zijn identiteit heeft gestolen en dat hij door hem is opgelicht. Hij heeft deze persoon tijdens het politieverhoor ‘[naam]’ genoemd, maar is er ongeveer een maand voor de terechtzitting in hoger beroep achter gekomen dat deze persoon [persoon] heet.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op 20 januari 2023 heeft [manager bedrijf 1], commercieel manager bij [bedrijf 1], aangifte gedaan van verduistering. Uit haar verklaring en door haar overlegde stukken blijkt het volgende. Op 15 juni 2022 is tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een huurovereenkomst tot stand gekomen voor de duur van een jaar met betrekking tot 150 zogenoemde CC-karren en 450 platen. Deze huurovereenkomst is getekend door een persoon die opgaf [verdachte] te heten. Op dezelfde datum is door diezelfde persoon een doorlopende SEPA incasso ondertekend. Toen het niet mogelijk bleek het huurbedrag van het opgegeven rekeningnummer te incasseren, heeft de aangeefster contact opgenomen met [verdachte] en is twee keer een bedrag overgemaakt aan [bedrijf 1]. Na twee maanden bleven de betalingen uit. Op 5 september 2022 ontving de aangeefster een e-mail verstuurd met het e-mailadres [emailadres], met als tekst ‘Als je me de factuur kan sturen dan betaal ik m.’ Onderaan de e-mail staat onder meer: [verdachte], tel [telefoonnummer], welk telefoonnummer overeenkomt met het telefoonnummer vermeld op de huurovereenkomst. Vervolgens is de aangeefster op 15 september 2022 naar het in de huurovereenkomst genoemde en in de Kamer van Koophandel geregistreerde adres toe gegaan, te weten [adres] te Zutphen, het adres van de moeder van de verdachte. Zij heeft daar een kaartje in de brievenbus achtergelaten. Op 16 september 2022 ontving zij een e-mail van het e-mailadres [emailadres], waarin stond ‘mijn telefoon ben ik verloren vorige week. Ik heb je kaartje ontvangen. Ik bel je maandag terug en zal de rekening snel voldoen’. Op 22 september 2022 ontving zij nog een e-mail afkomstig van hetzelfde e-mailadres, waarin onder meer stond dat hij snapt dat hij te laat is met betalen, dat hij zijn bedrijf een tijdje in heeft geschreven bij zijn moeder, maar dat zijn moeder dit niet langer wilde, omdat ze gekort wordt op haar uitkering.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij het e-mailadres [emailadres] niet in gebruik heeft gehad, en dat het [persoon] moet zijn geweest die dit e-mailadres gebruikte. Voorts heeft hij verklaard dat [persoon] zijn moeder niet kent en dat [persoon] en zijn moeder geen contact met elkaar hebben gehad. Het hof stelt vast dat in het relaas van de verdachte niet verklaarbaar is hoe deze [persoon] op 16 september 2022 wist dat er een kaartje bij de moeder van de verdachte was afgeleverd en dat hij op 22 september 2022 op de hoogte was van de in de e-mail vermelde persoonlijke informatie over zijn moeder. Hiermee geconfronteerd verklaarde de verdachte dat hij toch met [persoon] had besproken dat er iemand bij zijn moeder voor de deur had gestaan. Het hof acht deze gewijzigde verklaring niet geloofwaardig. De conclusie van het hof is dan ook dat het de verdachte is geweest die de e-mails van 5, 16 en 22 september 2022 naar de aangeefster heeft gestuurd. Uit de inhoud van deze e-mails kan worden opgemaakt dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer dat in de huurovereenkomst is genoemd en waarmee de aangeefster contact heeft gehad, en dat de verdachte wist van de afgesloten huurovereenkomst en dat hij huurpenningen verschuldigd was.
Hier komt bij dat de verdachte zijn alternatieve scenario op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Hij heeft geen stukken overgelegd waaruit is gebleken dat deze derde persoon bij de situatie betrokken was en hij heeft nooit aangifte gedaan van identiteitsfraude. Het hof acht het bovendien onaannemelijk dat de verdachte een persoon die hij nauwelijks kende, de beschikking heeft gegeven over gevoelige privé-gegevens zoals zijn DigiD en zijn internetbankieren.
Gelet op het voorgaande zal het alternatief scenario als zijnde niet aannemelijk worden gepasseerd.
Gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het verduisteren van de karren en platen van [bedrijf 1].
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

Verduistering, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van een behoorlijk aantal karren en platen van [bedrijf 1]. De verdachte heeft [bedrijf 1] geschaad in haar eigendom en is de huurovereenkomst niet nagekomen. Hij heeft hierbij het vertrouwen dat [bedrijf 1] in hem stelde en ook behoorde te kunnen stellen op ernstige wijze beschaamd en het bedrijf aanzienlijk financieel nadeel bezorgd.
Het hof heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS, die als uitgangspunt bij fraude, waaronder ook verduistering, voor een bedrag tussen de € 10.000,00 en € 70.000,00 een gevangenisstraf van twee tot vijf maanden hanteert.
Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 9 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Verder geldt dat iedere verdachte ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de vrijheden (EVRM) het recht heeft om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van het hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als uitgangspunt heeft in de appelfase voorts te gelden dat in de regel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn indien de stukken van het geding meer dan acht maanden na het instellen van het hoger beroep ter griffie van de appelrechter zijn binnengekomen. Aan overschrijding van de inzendingstermijn behoeven evenwel geen rechtsgevolgen te worden verbonden indien de zaak in hoger beroep alsnog met bijzondere voortvarendheid ter terechtzitting is aangebracht en behandeld. De overschrijding van de inzendingstermijn wordt daardoor gecompenseerd.
In deze zaak heeft de datum van de inleidende dagvaarding te gelden als de datum waarop de redelijke termijn is aangevangen, te weten op 19 januari 2024. De rechtbank heeft op 3 mei 2024 vonnis gewezen, dus ruimschoots binnen de termijn van twee jaren. Het hof stelt vast dat in de onderhavige strafzaak op 16 mei 2024 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld, terwijl de stukken van het geding eerst op 5 juni 2025 – zijnde bijna dertien, in plaats van acht maanden na het instellen van hoger beroep – ter griffie van het hof zijn binnengekomen. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden.
Het hof wijst op 5 februari 2026 arrest. Gelet hierop is sprake van een voortvarende behandeling in hoger beroep. Nu daarnaast de berechting in feitelijke aanleg - dat wil zeggen: in eerste aanleg én in hoger beroep - is afgerond ruimschoots binnen het totaal van de voor elk van die procesfasen geldende termijnen, volstaat het hof na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden met de constatering dat de redelijke termijn ex artikel 6, eerste lid, van het EVRM in hoger beroep is geschonden.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Vordering tot schadevergoeding [bedrijf 1]
In het onderhavige strafproces heeft [bedrijf 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 27.718,65.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 24.448,65 materiële schade is geleden. Dit bedrag bestaat uit de waarde van de verduisterde karren en platen conform de algemene voorwaarden en de niet betaalde huurpenningen over de periode tot aan de aangifte. Deze schade is naar het oordeel van het hof een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2024 (datum indienen vordering)tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige, het bedrag van € 3.270,00 betreffende de misgelopen toekomstige huurpenningen, is de vordering naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Het alsnog laten onderbouwen hiervan levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 24.448,65 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1].
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 24.448,65 (vierentwintigduizend vierhonderdachtenveertig euro en vijfenzestig cent) ter zake van materiële schade,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 24.448,65 (vierentwintigduizend vierhonderdachtenveertig euro en vijfenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 139 (honderdnegenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 april 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. L.C. van Walree, als voorzitter, mr. J.B. Wijnholt en mr. A.J.P. van Beurden, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 februari 2026.
Mr. A.J.P. van Beurden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.