Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Het verloop van de procedure
2.De beoordeling van het hoger beroep
Aan het verweer van [appellant], dat hij in de veronderstelling verkeerde dat die informatie reeds bekend was bij de bewindvoerder en de rechtbank omdat de schuldhulpverleners Van der Linden c.s. en Modus Vivendi hiervan wel op de hoogte zouden zijn geweest, is de rechtbank voorbijgegaan omdat het op de weg van [appellant] zelf lag om deze informatie uit eigen beweging te verstrekken. [appellant] had kunnen en moeten begrijpen dat deze informatie voor de toelating en tijdens de schuldsaneringsregeling van groot belang was. Indien deze informatie bij de toelating tot de regeling bekend was geweest, was [appellant] niet toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, aldus de rechtbank.
Ook ontbreekt een verklaring van [appellant] met welk doel de vennootschappen zijn opgericht en is er onduidelijkheid over de financiële gang van zaken in deze ondernemingen.
Verder heeft [appellant] niet uit eigen beweging gemeld dat zijn dochter (indirect) bestuurder en aandeelhouder is van Delyn Trading B.V., waar hij in loondienst werkzaam is. De rechtbank is van oordeel dat het salaris dat [appellant] ontvangt, niet marktconform is en dat hij daarmee bewust heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen. Tenslotte heeft hij een Belgische Wise-rekening verzwegen.
Verder blijft de bewindvoerder bij haar standpunt zoals vermeld in haar brief over de laatste stand van zaken. Dat standpunt komt er kort gezegd op neer dat bij de toelatingszitting en ook daarna belangrijke informatie niet is gemeld door [appellant]. Die informatie is pas mondjesmaat door hem verstrekt tijdens de verhoren die werden gepland om hem een kans te geven openheid van zaken te geven. Ook is naar aanleiding van de vraag of het salaris van [appellant] marktconform was, pas tijdens de hoorzitting van 16 december 2025 en niet al naar aanleiding van een eerdere vraag van de bewindvoerder, door hem medegedeeld dat hij werkzaam is voor het bedrijf van zijn dochter.
M. Zomerdijk, namens de bewindvoerder, zo vermeldt het proces-verbaal. Het door [appellant] ingestuurde proces-verbaal van de zitting van 3 april 2026 vermeldt aan het slot dat de rechter aan het einde van de zitting heeft medegedeeld: “(...) Uitspraak volgt over twee weken, wij proberen eerder.”
Dat betekent dat de rechtbank uiterlijk op 17 april 2026 uitspraak zou doen. Het had dan ook op de weg van (de advocaat van) [appellant] gelegen om op of kort na 17 april 2026 bij de rechtbank te informeren naar de uitspraak, indien ontvangst ervan uitbleef. Dat is (kennelijk) niet gebeurd.
Dat, zoals de advocaat van [appellant] bijstaat, de rechter ter zitting van 3 april 2026 heeft meegedeeld dat vier weken na de zitting uitspraak zou volgen, is niet aannemelijk geworden, onder meer niet omdat (i) een bevestiging door, althans melding aan, de rechtbank van de gestelde fout in het proces-verbaal ontbreekt, (ii) de bewindvoerder wel had begrepen dat op een termijn van twee weken uitspraak zou worden gedaan en (iii) voor de hand had gelegen dat in het beroepschrift, waarin de rechtbank een te late toezending wordt verweten, melding zou zijn gemaakt van de onbekendheid met de eerdere dan de meegedeelde uitspraakdatum.
Mede omdat [appellant] ter zitting van de rechtbank was vergezeld van zijn advocaat bestaat daarom geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, (zie ook ECLI:NL:HR:2014:1682, onder rov. 3.4).
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
Voortzetting van de regeling is in dit geval vanwege de ernst van de toerekenbare tekortkomingen niet gerechtvaardigd.