ECLI:NL:GHDHA:2026:2060

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/536
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 16a Wet BPMArt. 10b Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag bpm ondanks betwisting taxatierapport en koerslijst

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag bpm van €7.010 ontvangen na een aangifte voor een Mercedes-Benz GLE-klasse Coupé. De aangifte was gebaseerd op een taxatierapport dat een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van €64.000 vermeldde, inclusief een schadeaftrek van €16.600. De Inspecteur stelde dat het taxatierapport onbruikbaar was vanwege formele en materiële gebreken, waaronder het feit dat het rapport een dag na de RDW-keuring was opgesteld en dat de schade niet aannemelijk was gemaakt.

De Rechtbank oordeelde dat het taxatierapport onbruikbaar was en dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd op basis van de forfaitaire tabel, waarbij de naheffingsaanslag werd verminderd tot €6.630. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat het taxatierapport wel bruikbaar was en voerde een koerslijst XRAY aan ter onderbouwing van een lagere handelsinkoopwaarde. Het Hof oordeelde dat het taxatierapport ondanks de late opmaak bruikbaar kon zijn, maar dat de schadeaftrek niet aannemelijk was gemaakt. De koerslijst XRAY werd verworpen vanwege onvolledigheid, onduidelijkheden en gebrek aan onderbouwing.

Het Hof bevestigde dat de naheffingsaanslag terecht was gebaseerd op de forfaitaire tabel en dat belanghebbende geen lagere handelsinkoopwaarde aannemelijk had gemaakt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag bpm van €6.630 en wijst het hoger beroep van belanghebbende af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/536

Uitspraak van 2 juni 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 juni 2025, nummer SGR 23/5492.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 7.010 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot op een bedrag van € 6.630 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 545;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 455;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.108;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;
- draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een bedrag aan griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft verweer gevoerd. Van de zijde van belanghebbende is op 20 april 2026 een nader stuk ingekomen.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 19 april 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz GLE-klasse Coupé 53 AMG 4MATIC+ Premium Plus (de auto). De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 14.618 en is door belanghebbende voldaan. De datum van eerste toelating van de auto is 21 augustus 2020. De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van 212 g/km. Bij de aangifte is geen inkoopfactuur overgelegd.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een expertiseverslag van [A B.V.] (het taxatierapport). De auto is op 14 april 2022 getaxeerd. Het taxatierapport vermeldt een kilometerstand van 20.127. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs (historische consumentenprijs incl. opties) van de auto vastgesteld op € 162.705 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat (aan de hand van referentievoertuigen) op € 80.600. Hierop heeft de taxateur vervolgens in het rapport in mindering gebracht een bedrag van in totaal € 16.600 wegens schade (op basis van een schadecalculatie van € 17.950,60 aan reparatiekosten inclusief btw). In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat uiteindelijk bepaald op € 64.000. In het taxatierapport is onder het kopje waardebepaling niet afzonderlijk rekening gehouden met een aftrek wegens een schadeverleden van de auto. In het taxatierapport is voorts onder meer vermeld:
“Bovengenoemd voertuig heeft meer dan normale gebruiksschade .
Wij zijn van mening dat de waardevermindering voor het taxeren van het voertuig
hoger is dan de vastgestelde norm, dit motiveren wij met deugdelijk fotomateriaal
en onze schadecalculatie, derhalve trekken wij het volledige schadebedrag van de
handelswaarde af.
Toestand bovenstaand voertuig:
Technisch : Redelijk
Onderstel : Redelijk
Carrosserie : Redelijk
Interieur : Redelijk
Banden : Redelijk
Toegestane maximum massa : Onbekend
Wij hebben marktonderzoek verricht naar bovengenoemd voertuig.
De genoemde prijzen die vermeld zijn in de bijlage betreffen voornamelijk bruto
vraagprijzen particulier van voertuigen met een origineel Nederlands kentekenbewijs.
Echter dienen wij de handelsinkoopwaarde te hanteren.
De gemiddelde vraagprijs van dit voertuig (inclusief Bovag garantie en aflevering)
betreft € 124.000,00.
Wij hebben in verband met de te hanteren handelsinkoopwaarde ongeveer 35 % van de
vraagprijs afgetrokken.
Berekening waarde voertuig € 124.000,00 - 35 % = ong. € 80.600,00.”
Op pagina 11 van het taxatierapport staat onder meer:
“Totale handelswaarde € 98410
Soort koerslijst: Autotelex wijzig >>
Werkelijke afschrijving (39,52%) € 64295”
2.3.
De RDW heeft de auto op 13 april 2022 gekeurd. Tijdens de keuring is een kilometerstand van 19.886 genoteerd.
2.4.
In een interne e-mail van de Belastingdienst van 29 april 2022 staat:
“hierbij een kennisgeving kennelijk onjuist,
- opmaak van het taxatierapport ligt na de goedkeuring rdw
- geen factuur
- kilometerstand in het rapport is meer dan de rdw heeft vastgelegd
naheffing op basis van tabel, geen goede koerslijst in de aangifte.”
2.5.
Met dagtekening 8 juli 2022 heeft de Inspecteur vervolgens op basis van de onder 2.4 genoemde constateringen een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van € 7.010. Hierbij heeft de Inspecteur gebruikgemaakt van de forfaitaire tabel.
2.6.
In hoger beroep heeft belanghebbende een nieuwe koerslijst overgelegd. Op 20 april 2026 heeft belanghebbende een e-mail van de koerslijstprovider van 10 juli 2025 overgelegd, waarin het volgende staat:
“In de bijlage de laatste versie. Metallic heb ik aangevinkt, maar wordt niet zo meegenomen op het formulier.”
De vraag van de gemachtigde van belanghebbende luidt als volgt:
“Ik zie dat metallic op NEE staat, maar deze auto heeft wel metallic lak.
Zou je er voor de zekerheid ook een Premium Plus van kunnen maken?”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Bruikbaarheid taxatierapport eiser
9. De bewijslast van de door eiser bepleite handelsinkoopwaarde in beschadigde staat en de daarbij behorende waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Verweerder heeft betoogd dat het rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiser kleven, zoals door verweerder ook uitgebreid weergegeven in zijn verweerschrift.
10. Verweerder bepleit daarbij dat het taxatierapport van eiser reeds van bewijs dient te worden uitgesloten omdat het is opgesteld - en de fysieke opname ook heeft plaatsgevonden - niet vóór de inschrijving in het kentekenregister door de RDW maar eerst een dag daarna. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat uit het wettelijk systeem en de wettelijke bepalingen wel duidelijk blijkt dat dat het de bedoeling is dat het taxatierapport wordt opgemaakt vóórdat de RDW het voertuig keurt. Dat een taxatierapport een dag ná de keuring is opgemaakt, hoeft echter niet direct te betekenen dat dat rapport in het geheel niet bruikbaar is als ondersteuning van het bewijs van eventuele schade. Echter, in dit geval kleven er ook meerdere andere (formele en materiële) gebreken aan het taxatierapport van eiser die het rapport naar het oordeel van de rechtbank onbruikbaar maken. De rechtbank acht daarbij reeds doorslaggevend dat:
- in hat taxatierapport de handelsinkoopwaarde niet op een deugdelijke en controleerbare manier is vastgesteld; bij het marktonderzoek dat is gedaan aan de hand van vergelijkbare referentievoertuigen om de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vast te stellen is zonder een deugdelijke motivering hiervoor een handelsmarge van 35% gehanteerd, terwijl ook de vergelijkbaarheid van de vier voor het marktonderzoek gebruikte voertuigen (komend van de website [website] ) niet kan worden vastgesteld;
- de foto’s van de fysieke opname tonen geen schade, terwijl de taxateur desondanks een bedrag van € 17.550 aan schade heeft gecalculeerd, waarbij ook nog geldt dat de schade zonder afdoende onderbouwing voor meer dan 72% in aanmerking is genomen.
11. Het vorenstaande betekent dat eiser zich niet op het taxatierapport kan beroepen ter ondersteuning van zijn stelling dat teveel Bpm is nageheven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee dus ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. Het vorenstaande betekent ook dat eiser geen beroep op het marktonderzoek van de taxateur kan doen.
12. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, gegeven de voornoemde gebreken aan het taxatierapport, terecht het standpunt ingenomen dat sprake is van een zogenoemde kennelijk onjuiste aangifte. Verweerder heeft de naheffingsaanslag dus terecht op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel berekend.
Verschuldigde bpm op basis van de NEDC2-uitstoot
13. Verweerder heeft in beroep erkend dat eiser terecht stelt dat de verschuldigde bruto bpm te hoog is vastgesteld, omdat er geen rekening is gehouden met artikel 16a(oud)/10b Wet Bpm waarbij de verschuldigde bpm berekend dient te worden op het voorgaande voordelige tarief. Verweerder concludeert dat, nu de auto een datum van eerste toelating van 21 augustus 2020 en het tarief per 1 juli 2020 is gewijzigd, het voordeliger tarief van januari 2020 had moeten worden toegepast bij het vaststellen van de bruto Bpm. Daarvan uitgaande dient de bruto Bpm te worden vastgesteld op € 37.169, waarmee de verschuldigde Bpm neerkomt op € 21.248. Nu eiser op aangifte € 14.618 heeft betaald, moet € 6.630 (= € 21.248 - € 14.618) worden nageheven, zodat de naheffingsaanslag tot op dat bedrag moet worden verminderd, aldus verweerder.
14. De rechtbank sluit zich aan bij dit - juiste - standpunt van verweerder. Dit betekent dat het beroep in ieder geval in zoverre gegrond is.
(…)
Slotsom
18. Gelet op wat hiervoor onder 13. en 14. is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient de aanslag te worden verminderd tot op een bedrag van € 6.630. De overige gronden van eiser treffen geen doel.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt:
  • tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht;
  • tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar;
  • primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag;
  • subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 80.748 (koerslijst XRAY) en de verschuldigde bpm op € 18.183 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.565.
Verder verzoekt belanghebbende het Hof een proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase toe te kennen.
4.3.
De Inspecteur concludeert, naar het Hof begrijpt, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Formele gebreken aan het taxatierapport
5.1.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat zijn taxatierapport moet worden gevolgd. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het taxatierapport niet kan dienen omdat het is opgemaakt na de keuring door de RDW. Bovendien is de aankoopfactuur niet bij de aangifte gevoegd. Volgens de Inspecteur is sprake van een kennelijk onjuiste aangifte, wat tot gevolg heeft dat de afschrijving wordt vastgesteld aan de hand van de tabel.
5.2.1.
Artikel 8, lid 4, onderdeel b, tweede gedachtestreepje, Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 luidt met ingang van 1 januari 2022:
“dat is opgemaakt door een onafhankelijke, erkende taxateur, in overeenstemming met het eerste aandachtsstreepje, en waarbij de fysieke opname door de taxateur heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment.”
5.2.2.
Het Hof leidt uit de toelichting af dat de nieuwe regeling erop is gericht om de staat van een voertuig vast te kunnen stellen op het afschrijvingsmoment, de datum waarop het inschrijvingsonderzoek van de RDW is afgerond. De taxateur dient het voertuig binnen een maand vóór de afronding van dit onderzoek te taxeren. Het fiscaal akkoord wordt pas verleend als de aangegeven bpm is betaald en de inspecteur heeft beoordeeld of de aangifte juist kan zijn. Indien de inspecteur daaraan twijfelt, kan hij binnen zes werkdagen de aangever de verplichting opleggen om het voertuig te tonen op een locatie van DRZ. Het fiscaal akkoord wordt hangende het onderzoek door DRZ niet verleend, om de aangever te prikkelen de toonplicht na te komen. Indien een naheffingsaanslag volgt, wordt het fiscaal akkoord niet eerder verleend dan nadat deze is betaald. De bedoeling van deze regeling is de heffing en invordering van de belasting te versterken.
5.2.3.
De Inspecteur heeft belanghebbende niet verzocht de auto te tonen, maar op basis van de aangifte en het taxatierapport besloten de naheffingsaanslag op te leggen. In geschil is of het taxatierapport kan dienen, ondanks dat het één dag te laat is opgemaakt. Het Hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Gelet op de waarborgen van het Unierecht voert het te ver om een taxatierapport uitsluitend af te wijzen omdat het voertuig de dag na de afronding van de inschrijving in het kentekenregister is getaxeerd. Het is in het belang van de aangever om het voertuig in dezelfde staat te houden als tijdens de inschrijving bij de RDW. Mocht uit het taxatierapport blijken dat het voertuig gebreken heeft als gevolg waarvan het niet aan het verkeer mag deelnemen, dan kan het taxatierapport niet als basis voor de waardering van het voertuig dienen. Dit doet zich hier niet voor. Hoewel vervanging van de koplamp linksvoor is opgenomen als schadepost, is op de foto’s in het taxatierapport niet te zien dat deze dusdanige schade heeft dat deze dient te worden vervangen. Dat de aankoopfactuur van de auto ontbreekt, maakt het voorgaande niet anders. Beide omstandigheden staan aan controle van de inhoud van het taxatierapport niet in de weg en de bpm is geen factuurbelasting.
Vermindering wegens schade(verleden)
5.3.
Belanghebbende stelt dat hij in aanmerking komt voor een vermindering van de handelsinkoopwaarde wegens een schade(verleden) tot het daarvoor in totaal in aanmerking genomen bedrag in het bij de aangifte gevoegde taxatierapport (€ 16.600). De Inspecteur betwist de opgevoerde schade.
5.4.
Naar vaste rechtspraak rust de bewijslast voor een waardevermindering als gevolg van (ex-)schade op belanghebbende (HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Belanghebbende heeft ten bewijze van de gebreken en het schadeverleden slechts verwezen naar het onder 2.2 bedoelde taxatierapport en de daarbij behorende schadecalculatie. Op de foto’s in het taxatierapport is alleen viezigheid te zien naast normale gebruikssporen, zoals lichte krassen, die gebruikelijk zijn voor een gebruikte auto van die leeftijd (20 maanden). Deze oneffenheden rechtvaardigen een aftrek van € 16.600 aan schade niet. De vergrote foto’s werpen geen ander licht op de staat van de auto. Op de foto’s zijn enkele loshangende onderdelen te zien. De Inspecteur heeft erop gewezen dat deze onderdelen niet zijn opgevoerd in de schadecalculatie en met hem acht het Hof aannemelijk dat deze onderdelen tijdelijk zijn los geklikt en eenvoudig weer kunnen worden vastgeklikt. Samenvattend, acht het Hof geen aanleiding aanwezig om enige schade in aanmerking te nemen.
Koerslijst
5.5.
In hoger beroep doet belanghebbende voor het eerst een beroep op een koerslijst en wel van provider XRAY. De Inspecteur acht het opmerkelijk dat belanghebbende alsnog met een koerslijst komt, omdat hij altijd heeft gesteld dat de auto niet in een koerslijst voorkomt. Bovendien is de koerslijstwaarde aanzienlijk lager dan de koerslijstwaarde van AutotelexPro, die in het taxatierapport staat (€ 98.410). Ook bestaat een groot verschil met de gemiddelde vraagprijs van de referentieauto’s, na aftrek van een redelijke winstmarge. De winstmarge die de taxateur heeft gebruikt is niet onderbouwd en niet aannemelijk, aldus de Inspecteur.
5.6.
Het Hof stelt voorop dat belanghebbende, anders dan de Inspecteur verdedigt, altijd kan switchen naar de koerslijstmethode mits een bruikbare koerslijst voorhanden is. Hiervan is sprake als de ingevoerde auto qua merk, model, uitvoering, type en leeftijd overeenkomt met het referentievoertuig (HR 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472
). Het Hof verwerpt de suggestie van de Inspecteur dat ook de CO2-uitstoot tot de kenmerken behoort die overeen dienen te komen. De enkele CO2-uitstoot is niet een criterium aan de hand waarvan de gemiddelde consument een keuze tussen de aangeboden voertuigen maakt. Dit criterium zegt dus niets over de handelsinkoopwaarde, tenzij het verschil zo groot is dat dit gevolgen heeft voor, bijvoorbeeld, gebruik, verzekeringen en (andere) belastingen. Dit is hier niet zo.
5.7.
Het Hof komt, aan de hand van de volgende omstandigheden, tot de conclusie dat de koerslijst XRAY niet kan dienen om de handelsinkoopwaarde van de auto te bepalen:
- de handelsinkoopwaarde in de koerslijst AutotelexPro, die op pagina 11 van het taxatierapport van belanghebbende staat vermeld, bedraagt € 98.410. Voor het aanzienlijke verschil met de waarde in de koerslijst XRAY (€ 80.748) heeft belanghebbende – behoudens hetgeen onder 5.8 wordt besproken – geen verklaring weten te geven;
- in het taxatierapport is uitgegaan van marktonderzoek om de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat te bepalen, terwijl voor de hand had gelegen dat de taxateur diverse koerslijsten had geraadpleegd. Dat dit niet is gebeurd, roept de vraag op of de koerslijst XRAY al beschikbaar was op het moment dat het taxatierapport werd opgemaakt;
- de koerslijst XRAY bevat geen complete opsomming van alle opties. Zo ontbreken de metallic lak, het extra getinte glas en het Night-pakket. Dat deze laatste twee opties standaard in het Premium Plus-pakket zouden zitten, heeft belanghebbende wel gesteld maar niet aannemelijk gemaakt;
- de som van de netto catalogusprijs (€ 105.140), de btw (21%) en de bpm (€ 37.169) is niet gelijk aan de in de koerslijst vermelde consumentenprijs, ongeacht of de opties wel of niet in de netto catalogusprijs zijn opgenomen;
- in het verlengde van het vorige punt is opgevallen dat de basisgegevens van de auto, zoals de netto catalogusprijs, de consumentenprijs en de waarde van de opties, gedurende de loop van de procedure zijn aangepast, zodat niet duidelijk is welke gegevens juist zijn;
- de e-mail van koerslijstprovider XRAY (zie 2.6) roept de vraag op hoeveel versies van de koerslijst zijn gemaakt, welke versie om welke reden is overgelegd en op welke punten de verschillende versies verschillen dan wel overeenkomen.
5.8.
Het beroep dat belanghebbende ter onderbouwing van de koerslijst heeft gedaan op het marktonderzoek van zijn taxateur kan belanghebbende niet baten. Een handelsmarge van 35% is volstrekt onaannemelijk, mede gelet op het ontbreken van enige toelichting of onderbouwing van een dergelijke marge. Dat [A B.V.] , de taxateur, altijd gebruik zou maken van marktonderzoek en niet van koerslijsten, heeft de Inspecteur weersproken. Bovendien blijkt uit het taxatierapport dat de taxateur wel gebruikmaakt van de koerslijst AutotelexPro.
5.9.
Het Hof verwerpt tot slot het standpunt van belanghebbende dat het tot 19 maart 2026 door de staatssecretaris gevoerde beleid inzake koerslijsten in de weg zou staan aan de weigering van de toepassing van de koerslijst. Het Hof is niet aan dit beleid gebonden en is als feitenrechter bevoegd alle aangebrachte bewijsmiddelen te wegen. Aangezien belanghebbende, op wie in dezen de bewijslast rust, geen lagere handelsinkoopwaarde aannemelijk heeft kunnen maken, is de naheffingsaanslag – opgelegd op basis van de tabel – niet te hoog vastgesteld.
Slotsom
5.10.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, M.J.M. van der Weijden en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon A. van Dongen
De beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.