ECLI:NL:GHDHA:2026:2040

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
22-001901-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 175 Wegenverkeerswet 1994Art. 179 Wegenverkeerswet 1994Art. 5a Wegenverkeerswet 1994Art. 14a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens roekeloos rijden met dodelijk verkeersongeval in Zoeterwoude

Op 15 februari 2025 reed de verdachte op de N206 te Zoeterwoude met een snelheid tussen 81 en 86 km/uur, terwijl de maximumsnelheid 50 km/uur bedroeg. Hij negeerde een rood verkeerslicht dat al minimaal 7,9 seconden rood was en reed een overstekende fietser aan, die later overleed aan zijn verwondingen.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 42 maanden gevangenisstraf en 4 jaar rijontzegging. In hoger beroep vorderde de advocaat-generaal een zwaardere straf. Het hof stelde vast dat de verdachte opzettelijk en in ernstige mate de verkeersregels heeft geschonden, met gevaar voor het leven van anderen.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte roekeloos heeft gehandeld en veroordeelde hem tot 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een rijontzegging van vijf jaar. Tevens werd de in beslag genomen personenauto verbeurd verklaard.

De verdachte heeft een verkeersverleden met meerdere overtredingen en toonde beperkt inzicht in zijn gedrag. Het hof vond de opgelegde straf passend ter vergelding en preventie. Verzoeken tot opheffing van de voorlopige hechtenis werden afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en 5 jaar rijontzegging wegens roekeloos rijden met dodelijk ongeval.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001901-25
Parketnummer: 09-050258-25
Datum uitspraak: 29 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 juni 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier jaren. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 februari 2025 te Zoeterwoude, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de N206, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:
verdachte heeft
- met een snelheid van ongeveer tussen de 81 en 86 km/uur gereden, althans een (aanzienlijk) hogere snelheid gereden dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 km/uur, en/of
- ( bij het naderen van de kruising van de N206 met de Dirk van Santhorstweg) zijn snelheid (aanzienlijk) verder verhoogd, en/of
- ( daarbij) zijn aandacht niet voortdurend en/of voldoende op die weg en/of die zich aldaar bevindende verkeersdeelnemers gehad en/of gehouden, en/of
- ( vervolgens) geen gevolg geven aan het rood licht uitstralende verkeerslicht op die voornoemde kruising, en/of
- zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met een overstekende fietser, te weten [het slachtoffer] , waardoor een ander (genaamd [het slachtoffer] ) werd gedood;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van zes jaren, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vier jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte bij einduitspraak gevorderd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverwegingen

Vaststelling van feiten
Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof – met de rechtbank – de volgende feiten en omstandigheden vast, die niet ter discussie hebben gestaan.
De verdachte reed op 15 februari 2025 als bestuurder van een personenauto op de N206 te Zoeterwoude, komende vanaf de Europaweg en gaande in de richting van Zoetermeer. [het slachtoffer] (hierna: [het slachtoffer] ) reed op een elektrische fiets en stak de N206 over, komende uit de richting van de Dirk van Santhorstweg en gaande in de richting van de Papeweg. De verdachte reed de kruising van de N206 met de Dirk van Santhorstweg over. Aan de overzijde van de kruising kwam hij met de voorzijde van zijn auto tegen de rechterzijde van de fiets van de overstekende [het slachtoffer] aan, die zich op dat moment op de fietsoversteekplaats ter hoogte van de rechterrijbaan bevond. [het slachtoffer] is dezelfde dag in het Erasmus MC te Rotterdam overleden als gevolg van bij de aanrijding opgelopen letsel.
Het verkeerslicht voor de rijrichting van de verdachte straalde op het moment dat hij de stopstreep passeerde minimaal 7,9 seconden rood licht uit. Het verkeerslicht voor de rijrichting van [het slachtoffer] straalde op het moment dat deze de stopstreep passeerde minimaal 3,9 seconden groen licht uit. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid bedroeg 50 kilometer per uur. De verdachte reed op het moment van de aanrijding harder dan die snelheid.
Ter terechtzitting heeft ter discussie gestaan in welke mate de verdachte de toegestane maximumsnelheid heeft overschreden. Het hof overweegt daarover als volgt.
Door de forensische opsporing is aan de hand van in de weg liggende detectielussen van de verkeersregelinstallatie (hierna: v.r.i.) een indicatieve berekening gemaakt van de snelheid waarmee de verdachte voorafgaand aan de aanrijding heeft gereden. Deze bevindingen zijn vastgelegd in een proces-verbaal getiteld “Analyse VRI-data”. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de indicatieve snelheidsberekening is gebaseerd op een gemiddelde van vier detectorregistraties. Eén detectorregistratie werd het meest betrouwbaar geacht, vanwege de langste afstand en tijd tussen de detectielussen. Hierbij werd een gemiddelde snelheid tussen de 81 en 86 kilometer per uur gemeten. Er is geen validatieonderzoek gedaan. Anders dan de raadsman heeft betoogd, ziet het hof daarin echter geen redenen om de berekening in het proces-verbaal als onbetrouwbaar van het bewijs uit te sluiten.
In hoger beroep zijn op verzoek van de raadsman twee documenten aan het dossier toegevoegd, waarnaar in het proces-verbaal is verwezen. Het eerste is getiteld “Onderzoeksrapport Betrouwbaarheid van snelheidsberekeningen op basis van logbestanden uit verkeersregelinstallaties” en is gedateerd 16 januari 2014. In dit document wordt – kort gezegd – geconcludeerd dat snelheidsberekeningen op basis van logbestanden van v.r.i.’s onvoldoende betrouwbaar zijn en dienen te worden gevalideerd door middel van rijproeven. Het tweede document is getiteld “VRI Vakbijlage: informatie over de werking van verkeersregelinstallaties (VRI’s) bij onderzoek naar verkeersdelicten” en is gedateerd 17 april 2023. Hierin is vermeld dat bij het toepassen van de in het onderzoeksrapport uit 2014 beschreven methodiek gedurende de afgelopen jaren is gebleken dat “het snelheidsinterval met een betrouwbaarheidsniveau van 99 % (vrijwel) altijd heel goed overeenkwam met het indicatieve snelheidsinterval (slechts enkele km’s afwijking)”.
Het hof leidt hieruit af dat de conclusie uit het eerste document inmiddels is achterhaald en dat – zoals in de onderhavige zaak – ook zonder validatieonderzoek voldoende betrouwbare snelheidsberekeningen kunnen worden gedaan aan de hand van de logbestanden van v.r.i.’s.
Op basis van de berekening in het proces-verbaal kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de verdachte kort voor het passeren van het verkeerslicht – en daarmee kort voor de plaats van het ongeval –
ongeveertussen de 81 en 86 kilometer per uur heeft gereden.
Dat de verdachte harder heeft gereden dan de maximaal toegestane snelheid blijkt ook uit zijn eigen verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij “gevoelsmatig” 60 tot 70 kilometer per uur reed. Hij heeft naar zijn zeggen echter niet op zijn snelheidsmeter gekeken, zodat die verklaring geen ander licht werpt op voormelde berekening in het proces-verbaal.
De verdachte heeft voorts verklaard dat hij ter hoogte van de kruising gas heeft losgelaten en een constante snelheid heeft gehouden.
Het hof acht die verklaring echter niet geloofwaardig. Die verklaring strookt namelijk niet met hetgeen te zien is op de dashcambeelden die zijn gemaakt in de auto die achter de verdachte reed. Wanneer wordt gekeken naar de blokmarkering aan de rechterzijde van de weg, is te zien dat de auto van de verdachte die markering in aanloop naar de kruising steeds sneller passeert. Daaruit leidt het hof af dat de verdachte zijn snelheid heeft verhoogd bij het naderen van de kruising.
De mate van schuld
Naar het oordeel van het hof kan de verdachte van het verkeersongeval een schuldverwijt worden gemaakt. De vraag is in welke mate hij daaraan schuld had, waarbij geldt dat roekeloosheid de zwaarste schuldvorm is. Daarvan is in elk geval sprake als het verkeersgedrag dat tot het ongeval heeft geleid ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden aangemerkt. Het hof moet daartoe beoordelen of de verdachte met dat verkeersgedrag (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a.
a) De verkeersregels
Het hof heeft reeds vastgesteld dat de verdachte de toegestane maximumsnelheid heeft overschreden en door rood licht is gereden. Dit zijn gedragingen die in artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerwet 1994 uitdrukkelijk zijn genoemd. De verdachte heeft dus de verkeersregels geschonden als bedoeld in dat artikel.
b) In ernstige mate
Artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen. De verdachte heeft ongeveer 30 kilometer harder dan de toegestane maximumsnelheid gereden en is vervolgens door een rood verkeerslicht gereden dat al minimaal 7,9 seconden op rood stond. De verdachte heeft aldus meerdere voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregels geschonden. Daarmee is naar het oordeel van het hof sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
c) Opzettelijk
Het opzet van de verdachte moet zowel gericht zijn geweest op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Bij de beantwoording van de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels, moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.
Het hof is van oordeel dat het rijden met een ongeveer 30 kilometer per uur hogere snelheid dan maximaal is toegestaan niet anders dan opzettelijk kan worden gedaan. De verdachte heeft bovendien verklaard dat hij harder reed dan was toegestaan en dat hij niet op zijn snelheidsmeter keek; daarin ligt een bewuste keuze besloten om de toegestane maximumsnelheid te overschrijden.
De verdachte heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verklaard dat hij het rood licht uitstralende verkeerslicht niet heeft gezien en dat hij dacht groen licht te hebben gezien.
Het hof acht deze verklaring – evenals de rechtbank – ongeloofwaardig en schuift deze terzijde. De verdachte heeft immers ook verklaard dat hij altijd – dus ook voorafgaande aan het ongeval – de door hem zogenoemde ‘vraagtekenmethode’ gebruikt bij het naderen van een kruising. Deze houdt in dat hij altijd achtereenvolgens naar links, naar boven, naar rechts en naar beneden kijkt voordat hij een kruising oversteekt. Daarmee valt niet te rijmen dat hij de twee voor het rechtdoor gaande verkeer rood licht uitstralende verkeerslichten, die al bijna acht seconden op rood stonden, niet zou hebben gezien.
De verdachte heeft ook niets verklaard waaruit zou kunnen volgen dat hij het verkeerslicht ‘verkeerd’ heeft gezien, bijvoorbeeld doordat hij op dat moment afgeleid was. Ook anderszins is daarvan niet gebleken. Uit de dashcambeelden gemaakt in de auto die achter de verdachte reed, blijkt daarnaast dat sprake was van een overzichtelijke kruising, waarbij al van geruime afstand zichtbaar was dat beide verkeerslichten voor rechtdoor gaand verkeer rood licht uitstraalden.
Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte – en bij gebreke van een aannemelijke verklaring van de verdachte daaromtrent – is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte opzettelijk door het rode licht heeft gereden.
Uit het vorenstaande volgt dat het opzet van de verdachte gericht is geweest op het schenden van de verkeersregels.
Het hof is voorts van oordeel dat de verdachte ook het opzet had op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
Het hof leidt dit af uit het samenstel van de gedragingen van de verdachte, bestaande in een aanzienlijke overschrijding van de maximaal toegestane snelheid, het verder verhogen van die snelheid bij het naderen van een kruising en het negeren van een verkeerslicht dat al geruime tijd rood licht uitstraalde. Daarbij komt nog dat de verdachte zijn aandacht niet voortdurend en niet voldoende op de andere verkeersdeelnemers heeft gehad. De verdachte is pas zeer kort voor de aanrijding gaan remmen en heeft verklaard dat hij [het slachtoffer] pas voor het eerst heeft gezien op het moment dat zij elkaar raakten. Dit terwijl [het slachtoffer] al eerder voor de verdachte zichtbaar moet zijn geweest, gelet op de overzichtelijke inrichting van de kruising.
Naar het oordeel van het hof zijn de gedragingen van de verdachte daarmee, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels.
d) Gevaar te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen
Om vast te kunnen stellen dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.
In zijn algemeenheid acht het hof het voorzienbaar dat een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het vertonen van het hiervoor beschreven verkeersgedrag. Dit geldt zeker nu de gedraging heeft plaatsgevonden op een drukke kruising en op een tijdstip dat daar ook andere (zwakkere) verkeersdeelnemers waren. Door het rijgedrag van de verdachte was gevaar voor het leven van anderen te duchten, welk gevaar zich in dit geval ook heeft verwezenlijkt.
Conclusie
Het hof is, gelet op het voorgaande – met de rechtbank – van oordeel dat het verkeersgedrag van de verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, is aan te merken als een overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994. Daarmee heeft de verdachte de zwaarste vorm van schuld aan dat ongeval, namelijk roekeloosheid.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks15 februari 2025 te Zoeterwoude
, althans in Nederland,als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de N206, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos
, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,als volgt te handelen:
verdachte heeft
- met een snelheid van ongeveer tussen de 81 en 86 km/uur gereden,
althanseen
(aanzienlijk)hogere snelheid
geredendan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 km/uur, en
/of
-
(bij het naderen van de kruising van de N206 met de Dirk van Santhorstweg
)zijn snelheid
(aanzienlijk)verder verhoogd, en
/of
-
(daarbij
)zijn aandacht niet voortdurend en
/ofvoldoende op
die weg en/ofd
ie zich aldaar bevindende verkeersdeelnemers gehad en
/ofgehouden, en
/of
-
(vervolgens
)geen gevolg
gegevenaan het rood licht uitstralende verkeerslicht op die voornoemde kruising, en
/of
- zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en
/ofwaarover deze vrij was, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met een overstekende fietser, te weten [het slachtoffer] , waardoor een ander (genaamd [het slachtoffer] ) werd gedood
;.
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan een minderjarige fietser is komen te overlijden. De verdachte is met een aanzienlijk hogere snelheid dan toegestaan door rood gereden en heeft ter hoogte van een fietsoversteekplaats het overstekende slachtoffer, dat door groen reed, aangereden. Het slachtoffer is tegen de voorruit geslagen en vervolgens door de lucht gevlogen en circa 20 meter verderop in een bushokje terechtgekomen. Als gevolg van het daarbij door hem opgelopen letsel is hij enkele uren later in het ziekenhuis overleden. Met zijn roekeloze rijgedrag heeft de verdachte als automobilist onaanvaardbare risico’s genomen voor de verkeersveiligheid en zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker ernstig veronachtzaamd, met het genoemde fatale gevolg.
Het slachtoffer was een jongen van dertien jaar die op weg was naar huis van zijn voetbalclub. Hij stond nog aan het begin van zijn leven en droomde ervan om profvoetballer te worden. Die droom heeft hij nooit kunnen waarmaken. De onomkeerbare gevolgen van het ongeval hebben niet alleen zijn nabestaanden maar ook vele anderen in zijn omgeving en ook de samenleving als geheel ernstig geschokt. Het leed en gemis door zijn overlijden is enorm, zoals ook ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen in hetgeen zijn beide ouders ter uitoefening van hun spreekrecht naar voren hebben gebracht. Beiden hebben verklaard dat hun levens sinds het overlijden van hun zoon voorgoed zijn veranderd. Ook een jaar na dato zijn het verdriet en het gemis niet minder geworden. Met name op verjaardagen, tijdens vakanties en bij voetbalwedstrijden is hun pijn ondraaglijk. Hun dochter moet opgroeien zonder haar grote broer, met wie zij alles samen deed.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 juni 2026 en van een registratieoverzicht van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) d.d. 17 februari 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte in het recente verleden meerdere verkeersovertredingen heeft begaan. In het overzicht van het CJIB staan 18 overtredingen, merendeels overschrijding van de maximaal toegestane snelheid. Een deel betreft overtredingen waarvan niet vast staat dat de verdachte die heeft begaan, omdat het gaat om sancties die hem als kentekenhouder zijn opgelegd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in negen gevallen niet de bestuurder is geweest. Echter, ook als daarvan wordt uitgegaan, betekent dat dat de verdachte in een periode van zo’n vijf jaren negen verkeersovertredingen heeft begaan, waarvoor hem een sanctie is opgelegd. Onder meer is aan de verdachte wegens een snelheidsovertreding een geldboete opgelegd op 25 juli 2022 en is aan hem op 22 november 2022 wegens een snelheidsovertreding een geldboete en een rijontzegging voor de duur van 60 dagen opgelegd. Kennelijk hebben deze sancties die aan de verdachte zijn opgelegd hem er niet toe bewogen om zijn rijgedrag aan te passen en zich aan de verkeersregels te houden. Het hof houdt hier, net als de rechtbank, in het nadeel van de verdachte rekening mee.
Voorts heeft het hof kennisgenomen van een voorlichtingsrapportage van Forensisch Maatwerk d.d. 27 maart 2025. De rapporteurs schrijven dat de verdachte in gesprekken enerzijds inzicht toont in de ernst van de feiten, maar anderzijds zijn verkeersverleden rationaliseert. Hij omschrijft zichzelf als een verantwoord bestuurder en erkent dat hij geregeld boetes ontvangt, maar ziet dit vooral als incidenten binnen een verder verantwoord rijpatroon. Daarmee lijkt sprake te zijn van enige discrepantie tussen zijn zelfbeeld en de objectieve verkeershistorie, aldus de rapporteurs. Het delictgedrag lijkt volgens hen te zijn ontstaan vanuit een combinatie van een sportieve rijstijl, een mogelijk overschat vertrouwen in het eigen rijgedrag en een mogelijk tekortschietend risicobesef.
Het hof heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies d.d. 12 juni 2026, waaruit onder meer blijkt dat er geen risico’s rondom de leefgebieden van de verdachte worden herkend. De reclassering ziet vanwege het gebrek aan risicofactoren in de omstandigheden en de beschermende houding geen noodzaak om bijzondere voorwaarden te adviseren.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij als gevolg van het bewezenverklaarde feit zijn baan is kwijt geraakt en hij inmiddels ander werk heeft gevonden. De verdachte is kostwinner en heeft een kind. Hij kampt met psychische klachten als gevolg van het feit en is daarvoor doorverwezen naar een psycholoog.
Het voorgaande leidt het hof – alles afwegende – tot de volgende conclusies met betrekking tot de strafoplegging.
Gezien de ernst van het feit, de hierboven genoemde omstandigheden waaronder het is begaan en de gevolgen daarvan, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur en een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid. Die strafoplegging dient ter vergelding van het aangedane leed, maar ook ter generale en speciale preventie. Duidelijk moet zijn – voor zowel de verdachte als de samenleving als geheel – dat dergelijk roekeloos verkeersgedrag volstrekt onacceptabel is en aanzienlijke gevolgen heeft.
Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden passend en geboden en heeft bij het bepalen van die duur in het bijzonder betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de verdachte meerdere ernstige verkeersovertredingen heeft begaan, die hebben geleid tot de dood van het slachtoffer. Hoewel het opnieuw ondergaan van detentie voor de verdachte ingrijpende gevolgen zal hebben – gelet op de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden – kan niet worden volstaan met een gevangenisstraf die in duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zoals de raadsman heeft bepleit.
Het hof zal twaalf maanden van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en daarbij een proeftijd van drie jaren stellen. Het voorwaardelijke strafdeel dient ter voorkoming van recidive, nu het hof het risico op herhaling van verkeersgevaarlijk gedrag – mede gelet op de opvattingen van de verdachte omtrent zijn rijgedrag in het algemeen, afgezet tegen zijn strafblad – aanzienlijk acht. Blijkens het rapport van Forensisch Maatwerk heeft de verdachte immers in beperkte mate inzicht in zijn verkeersgedrag. Die indruk heeft het hof ook ter terechtzitting in hoger beroep gekregen.
In het belang van de verkeersveiligheid zal het hof daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de in dit geval maximale duur van vijf jaren.

Voorlopige hechtenis

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal verzocht de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen vanaf de datum van de einduitspraak.
De raadsman heeft verzocht om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel de schorsing van dat bevel tot voorlopige hechtenis te laten voortduren.
Het hof overweegt als volgt.
De ernstige bezwaren en de grond die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag liggen, zijn thans nog aanwezig, gelet op de bewezenverklaring en hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over het risico op herhaling van verkeersgevaarlijk gedrag. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het hof ziet evenmin aanleiding om de schorsing van dat bevel op te heffen. Niet is gebleken van omstandigheden die maken dat onverwijlde voortzetting van de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis thans noodzakelijk is, mede in aanmerking genomen dat evenmin is gebleken dat de verdachte zich gedurende de schorsing niet aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden (vgl. ECLI:NL:HR:2025:987).
Het hof wijst dus de verzoeken van de advocaat-generaal en de verdediging af.
Dit betekent dat de schorsing onder de gestelde voorwaarden blijft doorlopen.

Beslag

Het in beslag genomen en nog niet terug gegeven voorwerp, vermeld op de beslaglijst onder 1, te weten een personenauto, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
48 (achtenveertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
5 (vijf) jaren.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, op de beslaglijst onder 1 genoemd, te weten 1 STK personenauto (Omschrijving: [nummer] , Kenteken: [kenteken] , Grijs, merk: Volkswagen).
Wijst afhet verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Wijst afhet verzoek tot opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, als voorzitter, mr. H.C. Plugge en mr. R. Brand, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 juni 2026.