ECLI:NL:GHDHA:2026:2020

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/546
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 2 BpbArt. 8:75 AwbRichtlijn 2007/46/EGWet belasting van personenauto’s en motorrijwielen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslag bpm wegens verschil CO2-uitstoot en handelsinkoopwaarde

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 3.773 vanwege een verschil in de vastgestelde CO2-uitstoot en handelsinkoopwaarde van zijn BMW X1. De rechtbank wees het beroep af, maar kende wel immateriële schadevergoeding en proceskosten toe.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de CO2-uitstoot volgens de NEDC1-methode (122 g/km) moest worden toegepast in plaats van de hogere NEDC2-waarde (133 g/km), en dat de handelsinkoopwaarde lager moest worden vastgesteld. Het hof oordeelde dat de auto niet gelijksoortig was aan de referentievoertuigen omdat essentiële technische verschillen en een afwijkende EG-typegoedkeuring bestonden, waardoor het beroep op artikel 110 VWEU Pro faalde.

Wel stelde het hof vast dat de koerslijst van belanghebbende met een lagere historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde aannemelijk was, waardoor de naheffingsaanslag moest worden verminderd tot € 3.560. Het hof veroordeelde de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, en vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de naheffingsaanslag betrof.

Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt verminderd tot € 3.560 en de Inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/546

Uitspraak van 2 juni 2026

in het geding tussen:
[X], te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 juni 2025, nummer SGR 23/6915.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 3.773 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 25 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:
“De rechtbank verklaart:
- het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van
€ 2.806,45;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 193,55;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,37;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,37;
- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184 voor de helft aan eiser te vergoeden, en
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) het door eiser betaalde griffierecht van € 184 voor de helft aan eiser te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 9 april 2026 een nader stuk ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 april 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft met dagtekening 26 juli 2019 een aangifte bpm ingediend ter zake van de registratie in het kentekenregister van een BMW X1 1.8i sDrive (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 22 juni 2018. In de aangifte bpm is een te betalen bedrag van € 180 vermeld. De te betalen bpm is berekend op basis van de taxatiemethode. Er is een taxatierapport overgelegd (het taxatierapport). De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van 133 g/km. De historische nieuwprijs is in de aangifte vastgesteld op € 48.438 en de handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat) op € 1.260, waarbij een schade in mindering is gebracht van € 27.512 (90% van € 30.569). Een bijlage (koerslijst) bij de aangifte vermeldt een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 28.772 De historische bruto bpm is in de aangifte vastgesteld op € 6.942 en de verschuldigde bpm op € 180. Op 30 juli 2019 heeft belanghebbende een bedrag van € 179 aan bpm betaald.
2.2.
Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft op 2 augustus 2019 een hertaxatie van de auto gedaan. Daarbij heeft DRZ geen schade aan de auto geconstateerd. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald op € 27.462. DRZ is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 133 g/km.
2.3.
De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag vastgesteld op basis van een historische nieuwprijs van € 48.082 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 27.462. De bruto bpm is door de Inspecteur vastgesteld op € 6.100 en de verschuldigde bpm op € 3.952 (afschrijving 42,9%). De naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag van € 3.773, te weten het verschil tussen de op aangifte betaalde bpm (€ 179) en de verschuldigde bpm (€ 3.952).

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“WLTP-NEDC
13. Eiser stelt dat de WLTP/NEDC2-methode leidt tot een hogere geregistreerde CO2-uitstoot dan de NEDC1-methode, hetgeen leidt tot een hogere heffing van bpm. Dit is volgens eiser in strijd met artikel 110 van Pro het VWEU.
14. De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 van Pro het VWEU is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd. Personenauto’s gelden als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn.[4]
15. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verwezen naar een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland[5] en gesteld dat de essentiële kenmerken van de in de tabel opgenomen vergelijkbare voertuigen gelijk zijn. De gemachtigde heeft evenwel ter zitting ook aangegeven dat er verschillen zijn tussen de auto van eiser en de in de tabel opgenomen vergelijkbare voertuigen en dat hij niet kan achterhalen welke verschillen dat zijn. Reeds daarom is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aan de bewijslast heeft voldaan nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Nederland in de periode van 1 september 2018 tot 1 september 2019 ten minste één gelijksoortige personenauto in nieuwe staat is geregistreerd. Aldus is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een schending van artikel 110 VWEU Pro.
(…)
[4] HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653.

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is primair in geschil of belanghebbende recht heeft op bepaling van de verschuldigde bpm met toepassing van de NEDC1-methode, die leidt tot een CO2-uitstoot van 122 g/km. Subsidiair is in geschil of bij de berekening van de verschuldigde bpm mag worden uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 48.531 en een handelsinkoopwaarde van € 26.145.
4.2.
Belanghebbende concludeert:
  • tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover die ziet op de toekenning van de vergoeding van immateriële schade;
  • tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar; en
  • primair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 27.462, de bruto bpm op € 5.413 (NEDC1, 122 g/km), de verschuldigde bpm op € 3.091 en vermindering van de naheffingsaanslag tot € 2.912; en
  • subsidiair tot vaststelling van de historische nieuwprijs op € 48.531, de handelsinkoopwaarde op € 26.145, de bruto bpm op € 6.942 (NEDC2, 133 g/km), de verschuldigde bpm op € 3.739 en vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.560.
Voorts verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

NEDC1-methode
5.1.1.
Belanghebbende stelt primair dat hem, gelet op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653 (de prejudiciële beslissing), een beroep toekomt op een NEDC1-uitstoot van 122 g/km, die voor de door hem aangedragen referentievoertuigen geldt, en de daarbij behorende bruto bpm. Belanghebbende bepleit dat de prejudiciële beslissing zo moet worden uitgelegd dat als een auto op openbaar verifieerbare essentiële punten gelijk is aan een referentievoertuig, het beroep op artikel 110 VWEU Pro moet slagen. Belanghebbende heeft een overzicht met technische gegevens van de auto en van referentievoertuigen overgelegd. Uit dit overzicht volgt volgens belanghebbende dat de auto en de referentievoertuigen gelijksoortig zijn ten aanzien van de essentiële punten genoemd in bijlage II, deel B, behorend bij de Richtlijn 2007/46/EG. Het feit dat de auto en de referentievoertuigen een ander volgnummer (de auto: 04 en de referentievoertuigen: 03) van de EG-typegoedkeuring hebben, doet niet af aan de gelijksoortigheid, aldus belanghebbende. Belanghebbende verwijst daarbij naar de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 22 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2046. Ook beroept belanghebbende zich hierbij op door hem overgelegde gegevens waaruit blijkt dat auto’s met hetzelfde volgnummer van de EG-typegoedkeuring een verschillende CO2-uitstoot kunnen hebben en auto’s met een afwijkend volgnummer van de EG-typegoedkeuring dezelfde CO2-uitstoot. Het vorenstaande geldt volgens belanghebbende ondanks het feit dat de datum van eerste toelating van de auto 22 juni 2028 is, hetgeen buiten de periode is gelegen waarop de prejudiciële beslissing ziet.
5.1.2.
De Inspecteur stelt zich, onder verwijzing naar de prejudiciële beslissing op het standpunt dat alleen sprake is van gelijksoortigheid als de referentievoertuigen technisch identiek zijn aan de auto op de essentiële punten genoemd in bijlage II, deel B, behorend bij de Richtlijn 2007/46/EG en als zij beschikken over dezelfde EG-typegoedkeuring met hetzelfde volgnummer. De auto heeft echter geen gelijke EG-typegoedkeuring met hetzelfde volgnummer als de referentievoertuigen. Voorts verschilt de auto, aldus de Inspecteur, van de referentievoertuigen op het punt van onder meer de spoorbreedte voor en achter, geluidsniveau langsrijden en stationair, type en een aantal opties. Belanghebbende is volgens de Inspecteur daarmee niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast.
5.1.3.
De bewijslast dat de CO2-uitstoot te hoog is vastgesteld rust op belanghebbende. Bij de toepassing van artikel 110 VWEU Pro komt het erop aan vast te stellen dat ter zake van de registratie van de auto niet méér bpm wordt geheven dan het restbedrag aan bpm dat geacht kan worden nog vervat te zijn in de waarde van gelijksoortige gebruikte auto’s die in Nederland op het tijdstip van de registratie al in de handel zijn.
5.1.4.
De heffing van bpm is erop gebaseerd dat naarmate een personenauto per kilometer meer CO2 uitstoot, meer bpm wordt verschuldigd. De CO2-uitstoot per kilometer is dus bepalend voor de hoogte van de verschuldigde bpm. Dit betekent dat voor elke te registreren personenauto, nieuw of gebruikt, moet worden bepaald in welke mate deze CO2 per kilometer uitstoot. Met ingang van 1 september 2017 wordt de CO2-uitstoot van op de Europese markt gebrachte auto’s bepaald volgens de WLTP-methode. Tot die datum werd de CO2-uitstoot bepaald op basis van de NEDC-methode. Er is sprake van een overgangsfase. Tot 1 juli 2020 vond na meting op basis van de WLTP-methode omrekening plaats naar de NEDC-waarde. Dit hield kort gezegd verband met het feit dat fabrikanten enige tijd in de gelegenheid moesten worden gesteld nieuwe EG-typegoedkeuringen aan te vragen en desgewenst hun auto’s aan te passen. Ten onderscheid wordt de waarde die voortvloeit uit de toepassing van de NEDC-methode wel NEDC1 genoemd en de waarde die voortvloeit uit de omrekening van de WLTP-waarde naar de NEDC-waarde NEDC2. Op grond van de restantvoorraadregeling mochten bestaande voorraadmodellen die gefabriceerd waren vóór 1 juni 2018 en die al waren voorzien van een CO2-uitstoot op basis van de NEDC-methode, tot 1 september 2019 geregistreerd worden op basis van die reeds vastgestelde CO2-uitstoot.
5.1.5.
In de prejudiciële beslissing heeft de Hoge Raad onder meer als volgt geantwoord op prejudiciële vragen van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant:
“5.6.6. De situatie in de onderhavige zaak, waarop de prejudiciële vragen zien, verschilt van de situatie waarop het arrest van 3 april 2020 betrekking heeft. Als gevolg van Unierechtelijke en nationale overgangsmaatregelen is namelijk voor de heffing van bpm niet uitgesloten dat het op grond van artikel 9, lid 13, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 6a, aanhef en letter a, van de Uitvoeringsregeling voorgeschreven bewijsmiddel van de omvang van de CO2-uitstoot voor personenauto’s van eenzelfde voertuigtype als hiervoor in 5.1.1 omschreven (hierna ook: model) een verschillende vastgestelde CO2-uitstoot weergeeft en dat vaststaat dat dit verschil uitsluitend is terug te voeren op het gebruik van een verschillende meetmethode (de NEDC-meetmethode dan wel de WLTP-meetmethode).
(…)
5.9.2.
Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU Pro van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd en die aansluit bij een CO2-uitstoot als vermeld in een bij de personenauto behorend certificaat van overeenstemming, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn. De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.
(…)
Prejudiciële vraag 3
Voor de toetsing aan artikel 110 VWEU Pro van de maatstaf van heffing zoals die in de transitieregeling is neergelegd, gelden personenauto’s als gelijksoortig indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EU-typegoedkeuring vallen.
De belastingplichtige die stelt dat in zijn geval artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.”
5.1.6.
Het Hof leidt uit de prejudiciële beslissing af dat personenauto’s als gelijksoortig moeten worden beschouwd indien zij van hetzelfde merk en model zijn, dat wil zeggen dat zij behoren tot een categorie voertuigen die op de in bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde essentiële punten identiek zijn en onder dezelfde EG-typegoedkeuring vallen.
5.1.7.
De Inspecteur heeft in het verweerschrift in hoger beroep een overzicht aangeleverd waarin de auto en de referentievoertuigen op de essentiële punten als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad (bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG) zijn vergeleken. Belanghebbende heeft deze verschillen niet weersproken. Het Hof voegt daar nog aan toe dat uit het overzicht van de referentieauto’s dat belanghebbende heeft overgelegd volgt dat ook de datum van de motorregistratie en de ‘max massa samenstel ondergrens’ van de referentievoertuigen anders zijn dan die van de auto. Gelet op deze verschillen kunnen de auto en de referentievoertuigen reeds daarom niet als gelijksoortig worden beschouwd als bedoeld in de prejudiciële beslissing. Het Hof neemt hierbij nog in aanmerking dat een manager van [naam] per e-mail aan de Inspecteur heeft verklaard dat de uitvoering van de auto van belanghebbende niet in Nederland is geleverd. Van een registratie van een gelijksoortige personenauto in nieuwe staat in Nederland kan dus ook geen sprake zijn. Het antwoord of de vraag of belanghebbende een beroep kan doen op de prejudiciële beslissing ondanks het feit dat de datum van eerste toelating is gelegen vóór 1 september 2018 kan in het midden blijven.
Koerslijst XRAY
5.2.
Ter zitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de auto over een tweetal opties, 3AT dakrails aluminium zijdeglans en extra getint glas achter, beschikt. Belanghebbende heeft een koerslijst van XRAY overgelegd waarin de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde met inachtneming van deze opties zijn vastgesteld op respectievelijk € 48.531 en € 26.145. De Inspecteur heeft onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht om de bruikbaarheid van deze koerslijst voor de vaststelling van de verschuldigde bpm te weerleggen. Dit betekent dat de naheffingsaanslag, die is vastgesteld op basis van een historische nieuwprijs van € 48.802 en een handelsinkoopwaarde van € 27.462, niet in stand kan blijven. Het subsidiaire standpunt van belanghebbende slaagt. De naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 3.560.
Slotsom
5.3.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 3.736 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank en voor het Hof (4 punten (beroepschrift, zitting Rechtbank, hogerberoepschrift en zitting Hof) à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 1.332 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) à € 666 x 1 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 5.068. In de omstandigheid dat belanghebbende alleen in het gelijk is gesteld in de door hem bepleite lagere handelsinkoopwaarde ziet het Hof aanleiding de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 2, Bpb te matigen tot € 3.000. Daarbij heeft het Hof mee laten wegen dat deze beroepsgrond pas in hoger beroep in het door belanghebbende ingediende tiendagenstuk is ingebracht. Aangezien de Rechtbank de Staat heeft veroordeeld tot vergoeding van een bedrag van € 113,37 aan proceskosten en de Staat daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het Hof de door de Inspecteur te betalen vergoeding met dit bedrag verminderen tot € 2.886,63.
6.2.
Voorts dient aan belanghebbende ook het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 289 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens voor zover die ziet op de toekenning van de vergoeding voor immateriële schade, de veroordeling van de Staat in de proceskosten en de vergoeding van het griffierecht;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.560;
  • wijzigt de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
  • veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.886,63; en
  • gelast de Inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 289 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.