ECLI:NL:GHDHA:2026:20
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake erfbelasting en verhoogde kindvrijstelling
In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een aanslag in de erfbelasting. De Inspecteur had een aanslag opgelegd naar aanleiding van het overlijden van erflaatster, waarbij belanghebbende een belaste verkrijging van € 29.095 had. Belanghebbende had een beroep gedaan op de verhoogde kindvrijstelling van artikel 32, lid 1, onderdeel 4, sub b, van de Successiewet (SW), maar de Inspecteur weigerde deze vrijstelling omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat erflaatster ten minste 50% aan zijn levensonderhoud had bijgedragen. De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarop hij in hoger beroep ging. Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet had voldaan aan de onderhoudseis van de verhoogde kindvrijstelling, omdat hij niet kon aantonen dat erflaatster grotendeels in zijn levensonderhoud had voorzien. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.