ECLI:NL:GHDHA:2026:20

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
BK-24/779
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake erfbelasting en verhoogde kindvrijstelling

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een aanslag in de erfbelasting. De Inspecteur had een aanslag opgelegd naar aanleiding van het overlijden van erflaatster, waarbij belanghebbende een belaste verkrijging van € 29.095 had. Belanghebbende had een beroep gedaan op de verhoogde kindvrijstelling van artikel 32, lid 1, onderdeel 4, sub b, van de Successiewet (SW), maar de Inspecteur weigerde deze vrijstelling omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat erflaatster ten minste 50% aan zijn levensonderhoud had bijgedragen. De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarop hij in hoger beroep ging. Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet had voldaan aan de onderhoudseis van de verhoogde kindvrijstelling, omdat hij niet kon aantonen dat erflaatster grotendeels in zijn levensonderhoud had voorzien. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/779

Uitspraak van 15 januari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 2 juli 2024, nummer SGR 23/2565.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging van € 29.095 (de aanslag). Daarbij is € 75 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 138 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en nadien een nader stuk met dagtekening 24 november 2025.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 december 2025. De Inspecteur is verschenen. Partijen zijn in de onderhavige zaak door de griffier van het Hof bij een digitaal verzonden bericht (gedateerd 15 september 2025) uitgenodigd om te verschijnen op de zitting van 4 december 2025 om 10.00 uur te Den Haag. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet ter genoemde zitting verschenen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is het bericht op 15 september 2025, 08:23 uur, verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mail naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres [e-mailadres] verstuurd. Gelet hierop is belanghebbende naar het oordeel van het Hof correct uitgenodigd.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Mevrouw [A] is op [datum] 2021 overleden (erflaatster).
Erflaatster heeft drie zoons; belanghebbende, [B] (zoon 2) en
[C] (zoon 3).
2.2.
Erflaatster heeft bij testament van [datum] 2020 haar drie zoons benoemd tot erfgenaam voor ieder één derde van de nalatenschap.
2.3.
Belanghebbende heeft de ziekte van Lyme. Als gevolg hiervan is hij niet meer in staat om te werken en is hij bij erflaatster gaan wonen.
2.4.
Naar aanleiding van het overlijden van erflaatster is aangifte erfbelasting gedaan.
Daarin is vermeld dat de zuivere nalatenschap € 153.131 bedroeg. In de aangifte is een beroep gedaan op de verhoogde kindvrijstelling van artikel 32, lid 1, onder 4, sub b, van de Successiewet (SW), wettekst 2021.
2.5.
Naar aanleiding van de aangifte heeft de Inspecteur bij brief van 4 oktober 2022 de volgende vragen gesteld over het beroep op de toegepaste verhoogde kindvrijstelling.

“Welke informatie heb ik van u nodig?

Ik heb van u gegevens nodig waaruit blijkt dat het gehandicapte kind aan de gestelde voorwaarden voldoet. De voorwaarden leest u verderop. In elk geval gaat het om de volgende informatie:
• een opsomming van de jaarlijkse kosten voor het levensonderhoud van het kind
• het bedrag van de eventuele uitkering die hij ontvangt
• het bedrag dat de overledene jaarlijks heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van zijn kind
• een antwoord op de vraag of het gehandicapte kind in staat is om zelf te werken
Werkt het kind? Geeft u dan ook aan hoeveel hij verdient.”
2.6.
Zoon 2 heeft bij e-mailbericht van 6 november 2022 als volgt de vragen beantwoord:
“In antwoord op uw brief van 4 oktober 2022 bericht ik u als volgt.
1. De jaarlijkse kosten voor het levensonderhoud van het kind bestaan uit de volgende posten: VVE, huisvesting, voeding, gas, water, electra, autokosten.
2. Conform de kostendelersnorm was de hoogte van de uitkering tot het overlijden van onze moeder: 50% van de bijstand, dus EUR 523. Het grootste deel hiervan ging op aan aflossingen in het kader van de WSNP. Daarom was extra bijspringen door onze moeder nodig. Na het overlijden van onze moeder is de uitkering: EUR 1.046,73
3. Er is jaarlijks 12 x EUR 523 = EUR 6.276 bijgedragen. Daarnaast ontving mijn broer onder meer geld om benzine te kopen en voer te kopen voor zijn hond. De hond is noodzakelijk om voor zijn gezondheid.
4. [belanghebbende] is niet in staat zelf te werken. Hij heeft geen sollicitatieplicht.
2.7.
De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag geen rekening gehouden met de verhoogde kindvrijstelling. De belaste verkrijging van belanghebbende is vastgesteld op € 29.095 (een verkrijging van € 50.377 verminderd met de kindvrijstelling voor de erfbelasting van € 21.282). Over de belaste verkrijging is € 2.909 aan erfbelasting verschuldigd (10 procent erfbelasting over de belaste verkrijging). Tevens is € 75 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.8.
De Inspecteur heeft in de bezwaarfase zoon 2, in zijn hoedanigheid van executeur, bij brief van 7 februari 2023 de volgende vragen gesteld die zien op de geclaimde verhoogde kindvrijstelling:

“Welke informatie heb ik van u nodig?

Ik heb van u gegevens nodig waaruit blijkt dat het kind met een beperking aan de gestelde voorwaarden voldoet. De voorwaarden leest u verderop. In elk geval gaat het om de volgende informatie:
• een opsomming van de jaarlijkse kosten voor het levensonderhoud van het kind;
• het bedrag van de eventuele uitkering die hij ontvangt;
• het bedrag dat de overledene jaarlijks heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van zijn kind;
• bankafschriften (laatste drie maanden tot aan overlijden erflater) of bewijsstukken waaruit blijkt dat de overledene jaarlijks heeft bijdragen aan het levensonderhoud van het kind.
2.9.
Op 3 maart 2023 heeft zoon 2 de vragen van de Inspecteur beantwoord:
“In antwoord op uw vragen in de brief van 7 februari 2023, bericht ik u in mijn hoedanigheid van executeur, namens [belanghebbende], als volgt
1. De jaarlijkse kosten voor het levensonderhoud van het kind zijn gelijk aan de kostendelersnorm; 50% van de bijstandsnorm. Deze bedroeg in 2021 € 1.024,76 Derhalve is maandelijks € 512,38 bijgedragen. Hierbij komt nog 50% over € 53,94 vakantiegeld; € 26,97. Samen € 539,35 per maand of € 6.472,20.
2. Het maandelijkse bedrag van de destijds genoten is € 539,35.
3 De jaarlijkse bijdrage was derhalve € 6.472,20.
4. De bankafschriften zijn bijgevoegd. Mijn broer had destijds toestemming om de bankpas van mijn moeder te gebruiken.”
2.10.
In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het verzoek om toepassing van de verhoogde kindvrijstelling afgewezen. Hiertegen is belanghebbende bij de Rechtbank in beroep gekomen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“7. Artikel 32, eerste lid, onder 4, sub b, SW, luidde in 2021 als volgt:
‘7 Van erfbelasting is vrijgesteld. hetgeen wordt verkregen:
(...)
4°. door de hierna genoemde personen tot de daarachter vermelde bedragen:
(...)
b. kinderen die grotendeels op kosten van de overledene werden onderhouden en die ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zullen zijn om met arbeid die voor hun kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven: € 63.836:
c. kinderen voor wie de onder b bedoelde vrijstelling niet van toepassing is: € 21.282".
8. Uit voormeld artikel volgt dat aan twee voorwaarden moet worden voldaan, wil de vrijstelling van toepassing zijn. De eerste voorwaarde is dat het kind grotendeels op kosten van erflaatster werd onderhouden. Het criterium ‘grotendeels' duidt in dit kader, anders dan eiser veronderstelt, op een percentage van 50% of meer.
9. Verweerder heeft verklaard dat uit het systeem van de Belastingdienst volgt dat eiser in het jaar 2021 een inkomen heeft genoten van € 10.158, waarop € 932 aan loonheffing is ingehouden. Uit de stukken van het dossier volgt verder dat volgens eiser de totale kosten van levensonderhoud voorafgaand aan het overlijden van erflaatster op jaarbasis € 6.472,20 bedroegen. Afgezet tegen de door eiser ontvangen inkomsten in 2021 kan in dit geval dus niet worden gezegd dat eiser grotendeels op kosten van erflaatster is onderhouden. Aan de eerste voorwaarde voor de verhoogde kindervrijstelling is dan ook niet voldaan zodat eiser geen recht heeft op deze vrijstelling. Verweerder heeft terecht de kindvrijstelling van € 21.282 voor eiser toegepast.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de Inspecteur terecht de verhoogde kindvrijstelling van artikel 32, lid 1, onderdeel 4, sub b, SW heeft geweigerd. De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend en belanghebbende ontkennend.
4.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij aan alle voorwaarden van de verhoogde kindvrijstelling voldoet. Hij concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vermindering van de aanslag naar nihil.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Belanghebbende is van mening recht te hebben op toepassing van de verhoogde kindvrijstelling omdat hij aan alle voorwaarden voldoet. De Inspecteur is daarentegen van mening dat niet is voldaan aan de zogenaamde onderhoudseis van artikel 32, lid 1, onderdeel 4, sub b, SW zodat de verhoogde kindvrijstelling toepassing mist. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende aan de andere voorwaarde van deze bepaling wel voldoet. Namelijk dat het een kind betreft dat ten gevolge van ziekte of gebreken vermoedelijk in de eerstkomende drie jaren buiten staat zal zijn om met arbeid die voor zijn kracht berekend is, de helft te verdienen van hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen van gelijke leeftijd in staat zijn aan inkomen uit arbeid te verwerven.
5.2.
Met de onderhoudseis wordt bedoeld dat het kind met een beperking grotendeels moet zijn onderhouden op kosten van erflater. Voor zover belanghebbende ook in hoger beroep bestrijdt dat de term “grotendeels” ook anders kan worden uitgelegd dan 50%, wordt dit door het Hof verworpen. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat ”grotendeels (onderhouden)” duidt op een percentage van 50 of meer.
5.3.
De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof uitdrukkelijk bevestigd dat hij niet bestrijdt dat belanghebbende voor levensonderhoud in 2021 € 6.472,20 heeft uitgegeven. Of erflaatster ten minste 50% aan het levensonderhoud heeft bijgedragen heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt. Uit de overgelegde bankafschriften van erflaatster is dit namelijk, zonder verklaring – die ontbreekt – niet af te leiden. Aan dit oordeel kan niet afdoen dat belanghebbende zijn schulden in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen afloste, dan wel dat hij op grond van artikel 22a van de Participatiewet (de kostendelersnorm) als gevolg van de samenwoning met erflaatster, voor een gedeelte van 50% op zijn bijstandsuitkering werd gekort.
Belastingrente
5.4.
Tegen de belastingrente heeft belanghebbende geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Slotsom
5.5.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door A.J. Kromhout, R.C.H.M. Lips en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema-van der Koogh. De uitspraak is bij verhindering van de voorzitter ondertekend door mr. Reijngoud.
De griffier, de raadsheer
Y. Postema-van der Koogh I. Reijngoud
De beslissing is op 15 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.