ECLI:NL:GHDHA:2026:20
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoogde kindvrijstelling erfbelasting wegens niet voldoen aan onderhoudseis
Belanghebbende, een zoon van de overleden erflaatster, heeft beroep ingesteld tegen de weigering van de Inspecteur om de verhoogde kindvrijstelling toe te passen bij de erfbelasting. De kern van het geschil betreft de vraag of belanghebbende grotendeels (minimaal 50%) door erflaatster is onderhouden, een vereiste voor de vrijstelling.
De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat erflaatster ten minste 50% van zijn levensonderhoud heeft bijgedragen. Dit oordeel is gebaseerd op de vergelijking van de jaarlijkse kosten van levensonderhoud met het inkomen van belanghebbende, waaruit blijkt dat hij grotendeels zelf in zijn levensonderhoud voorzag.
In hoger beroep heeft het hof dit oordeel bevestigd. Het hof benadrukt dat de term 'grotendeels' in de wet duidt op een bijdrage van 50% of meer. Belanghebbende heeft onvoldoende bewijs geleverd dat erflaatster aan deze eis voldeed, ondanks het overleggen van bankafschriften en verklaringen over schuldenaflossing en bijstandsuitkering.
Het hof wijst ook op het ontbreken van een verklaring die de bankafschriften zou kunnen ondersteunen. De belastingrente is eveneens terecht in rekening gebracht. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat belanghebbende niet voldoet aan de onderhoudseis voor de verhoogde kindvrijstelling en wijst het hoger beroep af.