Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1987

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
22-001686-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 63 SrArt. 416 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzetheling van gestolen 3D printer met taakstraf

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, wegens het voorhanden hebben van een 3D printer die afkomstig was uit diefstal bij een universiteit. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan.

Het hof stelde vast dat de 3D printer die de verdachte te koop aanbood op Marktplaats overeenkwam met een gestolen exemplaar van de universiteit, ondanks dat het serienummer pas na de advertentie aan de politie was doorgegeven. De verdachte gaf wisselende en ongeloofwaardige verklaringen over de herkomst van de printer en kon geen aannemelijke verklaring geven. Hierdoor concludeerde het hof dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het goed door misdrijf was verkregen.

Het hof oordeelde dat de verdachte strafbaar is voor opzetheling en legde een taakstraf van 60 uur op, met aftrek van voorarrest. Tevens werd gelast dat het in beslag genomen geldbedrag van €355,- aan de verdachte wordt teruggegeven. De straf is passend geacht gezien de ernst van het feit, de omstandigheden en de persoonlijke situatie van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur voor opzetheling van een gestolen 3D printer.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001686-24
Parketnummer: 09-042389-21
Datum uitspraak: 1 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 22 december 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
adres: [woonadres] , [woonplaats] ,

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts is een beslissing genomen omtrent de inbeslaggenomen goederen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2019 tot en met 3 oktober 2019 te Naaldwijk, gemeente Westland en/of Delft en/of 's-Gravenhage, althans in Nederland, een of meer 3D printers(s), althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs behoorde te vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis en met toevoeging van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in
of omstreeksde periode van 28 augustus 2019 tot en met 3 oktober 2019
te Naaldwijk, gemeente Westland en/of Delft en/of 's-Gravenhage, althansin Nederland, een
of meer3D
printer(s), althans een of meer goed(eren) heeft verworven, voorhanden heeft gehad,
en/of heeft overgedragen,terwijl hij ten tijde van
de verwerving ofhet voorhanden krijgen van dit goed wist,
althans redelijkerwijs behoorde te vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Hiertoe heeft de verdediging betoogd dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de 3D printer, die de verdachte op Marktplaats te koop heeft gezet, dezelfde 3D printer is als die gestolen is bij de [universiteit]. Immers, het serienummer van de gestolen 3D printer is pas later, nadat de verdachte een 3D printer te koop had aangeboden, aan de politie doorgegeven. Voorts stelt de verdediging dat de verdachte niet wist of hoefde te vermoeden dat de printer afkomstig was uit diefstal.
Het hof oordeelt als volgt.
door misdrijf verkregen
Het hof begrijpt het verweer aldus, dat niet kan worden vastgesteld dat de printer door misdrijf verkregen is. Het hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het dossier de volgende feiten vast. Op 28 augustus 2019 is een aantal 3D printers gestolen uit de printerruimte van de [universiteit]. Daarvan is op 29 augustus 2019 aangifte gedaan door [aangever] namens [universiteit]. Op dat moment kon de aangever nog niet de serienummers van de gestolen printers doorgeven. Op 2 oktober 2019 is de aangever nader gehoord. De aangever heeft toen verklaard dat bij binnenkomst op de [universiteit] altijd het serienummer van de nieuwe printers wordt genoteerd. Voorts heeft hij verklaard dat de 3D printer die op Marktplaats te koop wordt aangeboden, overeenkomt met het uiterlijk, merk en serienummer van de op 28 augustus 2019 gestolen printer. De verdachte heeft op Marktplaats vanaf 19 september 2019 een 3D printer te koop aangeboden.
Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de aangever met betrekking tot de opgave van het serienummer van de gestolen printer uit de [universiteit]. Het enkele feit dat deze opgave pas na kennisname van de advertentie op Marktplaats is gedaan maakt niet dat deze daarom niet betrouwbaar is. Het hof is daarom van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de 3D printer een van de printers was, die bij [universiteit] zijn gestolen. De 3D printer die de verdachte op Marktplaats te koop aanbood, was aldus door misdrijf verkregen. De verdachte heeft deze 3D printer voorhanden gehad.
wetenschap
Voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het (o.a.) voorhanden krijgen wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Daarbij kan onder omstandigheden een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven met betrekking tot het voorhanden krijgen van het voorwerp. [1]
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een gestolen 3D printer voorhanden heeft gehad. De vraag die moet worden beantwoord, is of de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
De verdachte heeft hierover verschillende verklaringen afgelegd. Bij de politie op 5 oktober 2019 heeft de verdachte verklaard de 3D printer via Marktplaats te hebben gekocht en deze in contanten te hebben betaald. Geconfronteerd met de mededeling aan een potentiële koper via Marktplaats, dat de printer destijds via internet was gekocht, heeft de verdachte verklaard dat het niet klopte. Dat zou de verdachte hebben gezegd, om als Marokkaan die een product aanbiedt van een paar duizend euro niet ‘slecht’ over te komen bij een mogelijke koper. Onderzoek door de politie heeft uitgewezen dat op het Marktplaats-account van de verdachte zich geen verdere correspondentie over de aankoop van een 3D printer bevindt. Uit de bankgegevens van de verdachte blijkt voorts niet dat de verdachte geld heeft opgenomen. De verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep teruggekomen op zijn eerdere bij de politie afgelegde verklaring. Hij heeft daar verklaard dat deze hem niet via Marktplaats, maar “live” door iemand is aangeboden. De verdachte heeft desgevraagd geen nadere informatie willen geven over van wie, waar en onder welke omstandigheden hij de 3D printer heeft gekocht, noch stukken overgelegd - zoals een bankafschrift van het gepinde geld - voor de aankoop van deze 3D printer bij deze onbekend gebleven persoon.
Het hof acht de verklaring van de verdachte over de verkrijging van de printer afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep niet geloofwaardig. Het hof heeft hierbij gelet op de wisselende verklaringen omtrent de herkomst van de printer, die verder geen steun vinden in het onderzoek door de politie of anderszins. Daarbij betrekt het hof ook de omstandigheid dat de verdachte pas vijf en een half jaar na zijn bij de politie afgelegde verklaring met een andere verklaring komt dan die hij bij de politie heeft afgelegd, die heel algemeen is zonder aanknopingspunten om de juistheid van die verklaringen te kunnen onderzoeken.
Wegens het ontbreken van een aannemelijke verklaring voor het voorhanden hebben van de 3D printer kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn, dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan wist dat deze van misdrijf afkomstig was. Het hof betrekt bij dat oordeel de omstandigheid dat de verdachte in een chat naar aanleiding van de advertentie aan een potentiële koper een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven over de herkomst van het goed. Het hof concludeert dan ook tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde opzetheling. Het bewijsverweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft een 3D printer voorhanden gehad, waarvan hij wist dat de printer uit misdrijf afkomstig was. Door aldus te handelen heeft de verdachte afbreuk gedaan aan het maatschappelijk vertrouwen in een online-handelsmarkt en het plegen van andere misdrijven bevorderd, omdat heling bijdraagt aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. De verdachte is niet eerder veroordeeld wegens het plegen vermogensfeiten.
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte een diploma heeft behaald en werk heeft.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 355,-, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten voor zover dat niet reeds heeft plaatsgevonden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 355 EUR, IBN 03-10-2019 (Omschrijving: [nummer] , Waarde: 355).
Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia, als voorzitter, mr. R. Appels en mr. L.C. van Walree, leden, in bijzijn van de griffiers mr. E. Savans en mr. C.F. Kuiper.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 juni 2026.
mr. E. Savans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2017:652, para. 2.3.1.