Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1985

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
22-001581-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 36f SrArt. 302 SrArt. 106 aanhef en onder b BWArt. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen zware mishandeling met gebroken neus en kaakbreuken

In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de politierechter vernietigd en verdachte veroordeeld voor medeplegen van zware mishandeling van het slachtoffer, waarbij het slachtoffer een gebroken neus, meerdere kaakbreuken en een hersenschudding opliep.

De feiten betreffen een incident op 4 september 2022 te Gouda, waarbij verdachte samen met een ander het slachtoffer, terwijl deze op de grond lag, heeft getrapt en geslagen tegen het hoofd. De tenlastelegging inzake openlijke geweldpleging tegen een tweede slachtoffer werd niet bewezen verklaard en verdachte werd daarvan vrijgesproken.

Het hof baseerde zijn oordeel op getuigenverklaringen, camerabeelden en medisch bewijs, ondanks dat sommige getuigen onder invloed waren. De verklaringen werden als betrouwbaar beoordeeld. Het letsel werd als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt vanwege de ernst en de gevolgen voor het slachtoffer.

De straf werd gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, waardoor een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uur werd opgelegd.

Daarnaast werd een schadevergoeding van €5.645,91 toegewezen aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, terwijl de vordering van het tweede slachtoffer werd afgewezen wegens vrijspraak.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf waarvan 89 voorwaardelijk en 240 uur taakstraf voor medeplegen van zware mishandeling.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001581-23
Parketnummer: 09-032558-23
Datum uitspraak: 1 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 15 mei 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 4 september 2022 te Gouda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een of meerdere kaakbreuken, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] (terwijl hij op de grond lag) eenmaal of meermalen te trappen en/of te slaan tegen het hoofd, althans tegen het lichaam;
subsidiair
hij, op of omstreeks 4 september 2022 te Gouda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1] (terwijl hij op de grond lag) eenmaal of meermalen heeft getrapt en/of geslagen tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij, op of omstreeks 4 september 2022 te Gouda, openlijk, te weten, op of aan het Stationsplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door die [slachtoffer 1] (terwijl hij op de grond lag) eenmaal of meermalen te trappen en/of slaan tegen het hoofd, althans tegen het lichaam terwijl het door verdachte gepleegde geweld zwaar, in elk geval enig lichamelijk letsel ten gevolge had;
2.
hij, op of omstreeks 4 september 2022 te Gouda, openlijk, te weten, op/of aan het Stationsplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door die [slachtoffer 2] te trappen en/of te duwen tegen het lichaam.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich hiermee niet verenigt.

Vrijspraak

Ten aanzien van hetgeen onder 2 is tenlastegelegd overweegt het hof als volgt.
De aangeefster heeft verklaard dat ze - om haar broer te beschermen - tussen de twee verdachten instond en dat ze voor ze het wist op de grond lag en met haar kin hard op de grond klapte en daarbij pijn voelde. Voorts heeft ze verklaard dat ze niet kon aangeven wat er precies gebeurd was maar dat ze werd aangevallen. Op foto’s in het dossier is enig letsel te zien. De geneeskundige verklaring over het letsel houdt in dat sprake is van een zwelling/bloeduitstorting op de kaakrand/onderkaak en een schaafwond/roodheid rond linker oog. Daarnaast heeft een getuige verklaard dat aangeefster is geschopt, maar daarover verklaart de aangeefster zelf niets.
Op basis van de bewijsmiddelen is naar oordeel van het hof onvoldoende duidelijk geworden wat de toedracht is geweest ten aanzien van een eventuele geweldpleging jegens de aangeefster. In deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof derhalve niet wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, te weten openlijke geweldpleging door middel van het trappen en/of duwen tegen het lichaam van de aangeefster, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.primair
hij, op
of omstreeks4 september 2022 te Gouda, tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen, aan [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en
/of een ofmeerdere kaakbreuken, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1]
(terwijl hij op de grond lag
) eenmaal of meermalente trappen en
/ofte slaan tegen het hoofd
althans tegen het lichaam.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. De verdediging betoogt dat het ontbreekt aan een objectieve getuige die nuchter – in de zin van niet onder invloed van alcohol - het tafereel heeft aanschouwd en daarbij geen enkel belang heeft om zaken anders voor te stellen of in te vullen. Ook stelt de verdediging dat sprake is geweest van beïnvloeding (bewust of onbewust). Tot slot stelt de verdediging dat het letsel van de heer [slachtoffer 1] niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.
Beoordeling door het hof
Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de nacht van 3 op 4 september 2022 liep een groep van in ieder geval vijf personen in Gouda na een feest naar het station. Van deze groep maakten de aangevers, te weten broer en zus [achternaam slachtoffers] (de heer [slachtoffer 1] oftewel het slachtoffer, en mevrouw [slachtoffer 2] ) deel uit. Op enig moment raakten de aangevers op afstand van de groep, en kwamen zij de verdachten tegen, waarbij een woordenwisseling is ontstaan. De aangevers liepen vervolgens door waarbij - blijkens de camerabeelden - de verdachten achter hen aan zijn gelopen. Op enig moment kwamen aangevers en de verdachten tegenover elkaar te staan, waarbij [slachtoffer 1] op de grond terecht is gekomen. Terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag, bevonden de verdachten zich naast hem. Een van hen maakte trappende bewegingen naar het bovenlichaam, richting het hoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer werd tegen zijn hoofd geschopt, en ook kreeg hij vuistslagen tegen zijn hoofd. Hij heeft hierbij een gebroken neus, meerdere kaakbreuken en een hersenschudding opgelopen.
Bespreking verweer inzake de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen
Het hof heeft voornoemde feiten onder meer vastgesteld aan de hand van de verklaringen van getuigen, die de nodige alcohol hadden gedronken, op enige afstand van het incident stonden èn behoren tot de vriendengroep van de aangevers. Daarom heeft het hof kritisch gekeken naar de betrouwbaarheid van de verklaringen.
De getuigen hebben ieder in eigen bewoordingen over (net) verschillende momenten van het incident verklaard. De verklaringen bevatten inhoudelijk geen aanknopingspunten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van beïnvloeding danwel afstemming. Bovendien geven de getuigen het ook aan als ze iets niet meer weten, of iets niet hebben gezien. Eén van de getuigen, [getuige 1] , heeft bijvoorbeeld verklaard dat hij niet goed heeft gezien wie er sloeg en schopte. De andere getuige, [getuige 2] , heeft het over schoppende bewegingen richting het hoofd van [slachtoffer 1] , maar verklaart niet over
tegenhet hoofd schoppen. Dit geldt trouwens ook voor [slachtoffer 2] , die verklaart dat zij de mishandeling zelf niet heeft gezien. De getuige [getuige 1] heeft direct na het incident WhatsAppberichten naar zichzelf gestuurd, waarvan de inhoud consistent is met zijn later bij de politie afgelegde verklaring. Van latere afstemming met andere verklaringen of beïnvloeding lijkt hier dan ook geen sprake. Tenslotte vinden de verklaringen steun in het letsel dat de aangever heeft opgelopen.
Het hof oordeelt derhalve dat de verklaringen van de getuigen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, en verwerpt het verweer.
Bespreking verweer inzake zwaar lichamelijk letsel
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling of letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel een rol spelen. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. [1]
[slachtoffer 1] heeft als gevolg van het gepleegde geweld een gebroken neus, meerdere kaakbreuken en een hersenschudding opgelopen. Hij heeft als gevolg van dit opgelopen letsel een operatie aan de neus moeten ondergaan, en heeft voorts gedurende meerdere maanden niet, en later nog enige tijd niet volledig kunnen werken.
Het hof is van oordeel dat het samenstel en de veelheid van de aan het slachtoffer toegebrachte letsels zo ernstig zijn dat deze - ook zonder nadere vaststellingen over de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel - als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangeduid.

Conclusie

Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten is het hof van oordeel dat de verdachte en zijn medeverdachte zich schuldig hebben gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer 1] . Hierbij is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze samen met een ander schuldig gemaakt aan zware mishandeling van een voor hen onbekende persoon op straat, met wie zij een woordenwisseling kregen. Het slachtoffer heeft hierdoor een gebroken neus, meerdere kaakbreuken en een hersenschudding opgelopen. Deze gebeurtenis heeft veel impact gehad op het slachtoffer, zo blijkt wel uit de door hem ter zitting afgelegde slachtofferverklaring. Hij heeft een tijd niet kunnen werken en heeft een operatie moeten ondergaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dergelijke feiten, gepleegd in het openbaar, zorgen bovendien voor gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.
Het hof neemt bij de bepaling van de straf in aanmerking de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, waaruit volgt dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden als uitgangspunt genomen moet worden.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte weliswaar eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, maar niet eerder voor geweldsfeiten.
Voorts bleek uit het onderzoek ter terechtzitting dat het op dit moment goed gaat met de verdachte. Hij is behoudens een overtreding niet meer met justitie in aanraking gekomen, heeft een baan en volleybalt op hoog niveau.
Het hof stelt verder vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, in hoger beroep is overschreden.
Op 15 mei 2023 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof wijst arrest op 1 juni 2026. Daarmee is de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in hoger beroep met ongeveer één jaar overschreden.
Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin dat in plaats van de eerder genoemde in beginsel passende onvoorwaardelijke gevangenisstraf een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf zal worden opgelegd. Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uur in combinatie met een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren een passende straf is.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

Verhoging van de vordering
De advocaat van het slachtoffer heeft te kennen gegeven dat zij de gevorderde schade willen verhogen tot een bedrag van € 8.340,91. Hiertoe wordt aangevoerd dat na de uitspraak in eerste aanleg de Rotterdamse Schaal is gepubliceerd, waaruit blijkt dat de schade, zoals geleden door [slachtoffer 1] , tot een hoger bedrag vatbaar was voor vergoeding.
Oordeel van het hof
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.971,01.
In hoger beroep is deze vordering door de benadeelde partij verminderd voor het materiële deel en vermeerderd voor het immateriële deel, zodat thans gevorderd wordt een bedrag van € 8.340,91.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.840,91.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Materiële schade
Ten aanzien van de verloren telefoon is het hof van oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat verlies van de telefoon een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Ten aanzien van deze schadepost zal het hof de benadeelde partij derhalve niet ontvankelijk verklaren in de vordering.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voor het overige aangetoond dat tot een bedrag van € 1.645,91 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een gebroken neus, meerdere fracturen in de kaak en een hersenschudding.
Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding ingevolge het bepaalde in art. 6:106 aanhef Pro en onder b BW, nu de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 4.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Nu dit in eerste aanleg gevorderde bedrag geheel wordt toegewezen, en de benadeelde partij de vordering in hoger beroep niet kan verhogen, zal het hof de benadeelde partij voor het overige in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.645,91 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] . Het hof ziet geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij het door de advocaat in dit verband bepleite, hogere bedrag. Het enkele gegeven dat de zogenoemde “Rotterdamse Schaal” een hoger bedrag noemt dan in eerste aanleg gevorderd, maakt niet dat de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht voor dat hogere bedrag ook aansprakelijk is.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 7.607,14.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 7.607,14.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
90 (negentig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
89 (negenentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.645,91 (vijfduizend zeshonderdvijfenveertig euro en eenennegentig cent) bestaande uit € 1.645,91 (duizend zeshonderdvijfenveertig euro en eenennegentig cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.645,91 (vijfduizend zeshonderdvijfenveertig euro en eenennegentig cent) bestaande uit € 1.645,91 (duizend zeshonderdvijfenveertig euro en eenennegentig cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 53 (drieënvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 12 mei 2023 en van de immateriële schade op 4 september 2022.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. L.C. van Walree, als voorzitter, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. R. Appels, leden, in bijzijn van de griffiers mr. E. Savans en mr. C.F. Kuiper.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 juni 2026.
mr. E. Savans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:66.