ECLI:NL:GHDHA:2026:1980

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
200.344.445/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren wegens vermeende vooringenomenheid

In de hoofdprocedure tussen appellant en The Firm Holding B.V. heeft appellant tijdens de mondelinge behandeling op 4 juni 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheren Lautenbach, Burg en Heikens. Appellant voerde aan dat hij zich niet goed kon verdedigen omdat hij geen stukken en geen advocaat had, mede vanwege zijn opname in het ziekenhuis.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat het wrakingsverzoek is gericht tegen een tussenbeslissing van het hof om de mondelinge behandeling niet aan te houden. Volgens vaste rechtspraak kan een rechterlijke tussenbeslissing nooit grond voor wraking zijn, ook niet als de motivering daarvan als onjuist of gebrekkig wordt ervaren.

Verder achtte de wrakingskamer de gezondheidstoestand van appellant geen grond voor wraking, omdat dit niet als reden voor het uitstelverzoek was aangevoerd. Ook het verzoek om uitstel in afwachting van een andere uitspraak werd niet gegrond bevonden.

De wrakingskamer concludeerde dat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die wijzen op vooringenomenheid van de raadsheren. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de hoofdprocedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen omdat het kennelijk ongegrond is en gebaseerd op een tussenbeslissing die geen grond voor wraking vormt.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 200.344.445/02
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 23 juni 2026
inzake het verzoek tot wraking, als bedoeld in art. 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de hoofdzaak met rolnummer 200.344.445/01 van

[verzoeker],

wonend in [woonplaats],
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto, kantoorhoudend in Zaandam, heeft zich onttrokken.

Het geding

1.1.
In de hoofdprocedure aanhangig tussen [verzoeker], als appellant, en The Firm Holding B.V., als geïntimeerde, is op 4 juni 2026 een mondelinge behandeling gehouden. Blijkens het proces-verbaal van die mondelinge behandeling is tijdens de zitting door [verzoeker] een verzoek tot wraking gedaan van de raadsheren mrs. Th.G. Lautenbach, voorzitter, en H.J.M. Burg en J.M. Heikens, leden.
1.2.
De wrakingskamer van het hof (hierna: de wrakingskamer) heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de zitting van 4 juni 2026.
Het wrakingsverzoek
2.1.
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 4 juni 2026 is het volgende opgenomen:

[verzoeker] verklaart, zakelijk en puntsgewijs weergegeven, als volgt:
- Ik heb mijn advocaat niet gesproken.
- Ik lig in het ziekenhuis in verband met een open hart operatie. De verpleging heeft
mij naar de zitting gebracht.
- Ik kan mijn zaak hier niet bepleiten want ik heb geen stukken. De stukken zijn er niet
en we hebben ze ook niet.
- Deze zaak maakt deel uit van andere zaken. Ik ben jarenlang uitlandig geweest. Deze
zaak maakt deel uit van nog 60 tot 70 andere zaken. Bij deze zaak ligt het anders. Ik ben
geen huurder van de woning.
- Ik heb begrepen dat er huurcontracten per order zijn getekend. Op 23 juni krijg ik de
uitspraak in een andere zaak.
- Ik wil aanhouding van de zaak want ik kan de zaak zonder stukken niet toelichten.
De voorzitter schorst de zitting om over het aanhoudingsverzoek te beslissen.
Na de schorsing deelt de voorzitter mee dat het aanhoudingsverzoek niet wordt toegewezen
en dat [verzoeker] de gelegenheid krijgt om het hoger beroep mondeling toe te lichten.
[verzoeker] verklaart:
- De zaak is niet uitgeprocedeerd en ik heb geen zin om uw college tegen te spreken.
- Het enige dat mij rest is uw college te wraken. Ik vind dat ik onterecht word
behandeld. Er is geen begrip voor mijn gezondheid. Ik zit hier als een ziek mens.
- Mijn wrakingsgrond is dat ik zonder advocaat deze zitting moet doen. Het college
verwacht van mij dat ik het woord doe terwijl ik geen stukken heb. Ik kom vanuit het
ziekenhuis hierheen en kan hier niks zeggen omdat ik geen stukken heb. U zegt dat mr.
Sanchez mijn advocaat niet meer is. Mijn advocaat heeft de stukken maar dat betekent niet
dat ik ze heb.
Beoordeling van het wrakingsverzoek
3.1.
Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking als bedoeld in art. 36 Rv Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, en dat slechts als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, dit vermoeden moet wijken.
3.2.
Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 4 juni 2026 is de reden voor het wrakingsverzoek dat het hof [verzoeker] niet de mogelijkheid heeft gegeven zich goed te verdedigen doordat hij geen stukken en geen advocaat heeft.
3.3.
Het wrakingsverzoek is aldus gegrond op de (tussen)beslissing van het hof dat geen uitstel werd verleend – een daartoe strekkend verzoek werd afgewezen – en dat de mondelinge behandeling op 4 juni 2026 doorgang zou vinden.
3.4.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) volgt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. De motivering van die (tussen)beslissing kan evenmin grond vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is inmiddels vaste rechtspraak.
3.5.
Dit brengt in dit geval mee dat de (tussen)beslissing van het hof om geen uitstel van de mondelinge behandeling op 4 juni 2026 te verlenen, geen grond voor wraking vormt. Op het in rov. 3.4 van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad bedoelde geval dat de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven, heeft [verzoeker] geen beroep gedaan. Dat geval doet zich hier naar het oordeel van de wrakingskamer ook niet voor.
3.6.
Wat [verzoeker] verder kennelijk als redenen voor het wrakingsverzoek aanvoert (zijn (gezondheids)toestand), kan ook niet als grond voor het wrakingsverzoek dienen. Aan zijn verzoek om uitstel had hij zijn (gestelde) gezondheidstoestand niet ten grondslag gelegd: slechts het niet beschikken over stukken. Niet valt in te zien dat met het vervolgens niet honoreren van het uitstelverzoek in verband met zijn gezondheidssituatie, sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat het hof jegens [verzoeker] een vooringenomenheid koestert, of dat een bij [verzoeker] dienaangaande bestaande vrees objectief is gerechtvaardigd. Voor zover [verzoeker] nog beoogt te betogen dat het hof in afwachting van de uitspraak in een andere zaak uitstel had moeten verlenen, stuit dit ook af op wat hiervoor is overwogen in rov. 3.4-3.5.
3.7.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is en zal worden afgewezen. De wrakingskamer ziet af van een behandeling van het verzoek ter zitting op de voet van art. 4 lid Pro 2, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag.

De beslissing

De wrakingskamer:
- wijst af het verzoek tot wraking van mrs. Th.G. Lautenbach, H.J.M. Burg en J.M. Heikens;
  • bepaalt dat de hoofdprocedure zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van het ter zitting van 4 juni 2026 gedane wrakingsverzoek;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan [verzoeker], aan mrs. Th.G. Lautenbach, H.J.M. Burg en J.M. Heikens en aan (de advocaat van) The Firm Holding B.V.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W. Frieling, M.J. van Cleef-Metsaars en W.S. Korteling en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier.