ECLI:NL:GHDHA:2026:1946

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
22-000677-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24c SrArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 420bis Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep witwassen contant geldbedrag in auto na verkeerscontrole

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf wegens witwassen van een contant geldbedrag van €4.300, aangetroffen in zijn auto tijdens een verkeerscontrole op de A16. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan.

De verdediging voerde bewijsuitsluiting aan omdat geen tolk aanwezig was bij het vragen om toestemming voor de doorzoeking van de auto, waardoor geen 'informed consent' zou zijn gegeven. Het hof oordeelde echter dat de verdachte voldoende Engels sprak om de toestemming vrijwillig en ondubbelzinnig te geven, ondanks het ontbreken van een expliciete waarschuwing over het recht om toestemming te weigeren.

Het hof achtte het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd gezien de omstandigheden waaronder het geld was aangetroffen en de onvoldoende concrete verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €800, met een subsidiaire hechtenis van acht dagen bij niet-betaling, en het geldbedrag werd verbeurd verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €800 en verbeurdverklaring van €4.300 wegens witwassen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000677-25
Parketnummer: 10-056015-23
Datum uitspraak: 10 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedatum] 1995,
adres: [adres] [woonplaats] (Frankrijk).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. Voorts is een beslissing genomen over het beslag, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 24 februari 2023 te Dordrecht, (van) een geldbedrag van 4.300 euro, althans enig geldbedrag
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) van dat geldbedrag was/waren, en/of
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 800,00 subsidiair acht dagen vervangende hechtenis en dat het in beslag genomen geldbedrag van
€ 4.300,00 zal worden verbeurdverklaard.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

Het verweer
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het bewijs onrechtmatig is verkregen, omdat geen tolk aanwezig was toen de verbalisanten de niet-Nederlandssprekende verdachte vroegen of zij de auto waarvan hij de bestuurder was, mochten doorzoeken en zij hem er niet op hebben gewezen dat hij het geven van toestemming voor de doorzoeking mocht weigeren. Volgens de raadsman hebben de verbalisanten gehandeld in strijd met paragraaf 3.2 van de Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten, Stcrt. 2013, nr. 35062 (hierna: de Aanwijzing), alsmede artikel 28a van het Wetboek van Strafvordering, en kan niet worden gesproken van ‘informed consent’. Volgens de raadsman is sprake van een onherstelbaar verzuim dat dient te leiden tot uitsluiting van het door de doorzoeking verkregen bewijs.
Juridisch kader
Het hof hanteert bij de beoordeling van dit verweer het volgende juridische kader.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:825) is het opsporingsambtenaren toegestaan om onderzoekshandelingen die de persoonlijke levenssfeer (kunnen) aantasten, zoals het doorzoeken van een ruimte, te verrichten op grond van toestemming die daartoe is verleend door de persoon aan wie het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer toekomt. Deze toestemming moet vrijwillig en ondubbelzinnig worden verleend door de betrokkene, die voldoende geïnformeerd moet zijn. Daarbij moet voor de betrokkene duidelijk zijn voor welke onderzoekshandeling toestemming wordt verleend. Dat sprake is van toestemming kan blijken uit de verklaringen en/of de gedragingen van de betrokkene. Als zich feiten en omstandigheden voordoen die met zich brengen dat de betrokkene niet in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen over het verlenen van de toestemming, is van vrijwillige medewerking geen sprake.
Uit de rechtspraak kan niet worden afgeleid dat van ‘informed consent’ slechts sprake kan zijn als de opsporingsambtenaar de betrokkene expliciet heeft gewezen op de mogelijkheid om de toestemming te weigeren en op de mogelijke gevolgen van het verlenen dan wel weigeren van die toestemming. Wel moeten strengere eisen worden gesteld aan de totstandkoming van die toestemming naarmate de inmenging in de persoonlijke levenssfeer zwaarder zal zijn – bijvoorbeeld als sprake is van een doorzoeking niet van een auto, maar van een woning.
Volgens paragraaf 3.1 van de Aanwijzing heeft een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld recht om onverwijld in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen. Een ieder die is aangehouden dient onverwijld in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en van de beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht.
Ingevolge artikel 29a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst bij het politieverhoor bijgestaan door een tolk.
Vaststelling van feiten
Op grond van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal (blz. 11 en 14 van het dossier) stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. Twee verbalisanten hebben de door de verdachte bestuurde auto in het kader van een verkeerscontrole doen stilhouden. Eén van deze verbalisanten heeft de verdachte toen gevraagd of hij de Engelse taal machtig was. Die vraag heeft de verdachte bevestigend beantwoord. Daarna heeft deze verbalisant de verdachte verschillende vragen gesteld die hij in het Engels heeft beantwoord. Daaruit heeft de verbalisant opgemaakt dat de verdachte de Engelse taal voldoende machtig was om hem te begrijpen. De auto is vervolgens op technische mankementen gecontroleerd. Na deze controle heeft de verbalisant de verdachte toestemming gevraagd voor het doorzoeken van de auto. De verdachte gaf zijn toestemming, waarna een tweede verbalisant de auto heeft doorzocht. Tijdens deze doorzoeking sprak de eerste verbalisant met de verdachte over zijn favoriete voetbalclub Olympique Marseille en de rivaliteit tussen zijn club en Paris Saint Germain. De verbalisant had tijdens dit hele gesprek geen enkel moment het idee dat de verdachte hem niet begreep. Vervolgens ontdekte de tweede verbalisant een envelop met bankbiljetten in het dasboardkastje. Hij pakte de envelop, liep richting de verdachte en vroeg hem in de Engelse taal hoeveel geld het was. De verbalisant hoorde de verdachte in het Frans een getal zeggen. De verbalisant gaf aan dat hij hem niet verstond en zag dat de verdachte met zijn vingers de gebaren vier en drie maakte. Hij vroeg aan de verdachte in de Engelse taal of hij 4300 euro bedoelde. De verbalisant zag de verdachte knikken en hoorde hem “yes” zeggen.
Beoordeling van het verweer
Voor zover het verweer is gestoeld op de Aanwijzing en artikel 29a van het Wetboek van Strafvordering, faalt het, reeds omdat tegen de verdachte nog geen vervolging was ingesteld op het moment dat hem toestemming werd gevraagd voor de doorzoeking van zijn auto, terwijl op dat moment evenmin sprake was van een politieverhoor als verdachte.
Voor zover de raadsman heeft betoogd dat bij de verdachte geen sprake was ‘informed consent’ overweegt het hof als volgt. Uit voormelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte op verschillende inhoudelijke vragen van de verbalisant in het Engels kon antwoorden en dat hij deze taal dus in voldoende mate beheerste om de strekking van wat hem werd verteld en gevraagd behoorlijk te kunnen begrijpen. De enkele omstandigheid dat de verdachte zich niet in de Engelse taal kon uitdrukken op de vraag welk bedrag hij bij zich had, maakt – anders dan de raadsman heeft betoogd – niet dat hij niet heeft kunnen begrijpen wat hem werd gevraagd toen hem toestemming werd gevraagd voor de doorzoeking van zijn auto. Het hof stelt dan ook vast dat sprake was van vrijwillige, ondubbelzinnige en voldoende geïnformeerde toestemming voor de doorzoeking van de auto. Dat de verdachte er niet op is gewezen dat hij die toestemming ook kon weigeren, leidt – mede in aanmerking genomen dat het hier ging om doorzoeking van een auto – niet tot een ander oordeel.
Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks24 februari 2023 te Dordrecht,
(van)een geldbedrag van 4.300 euro
, althans enig geldbedrag
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) van dat geldbedrag was/waren, en/of
- heeft verworven,voorhanden heeft gehad,
heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig
(eigen)misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Juridisch kader witwassen
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Ten aanzien van het aangetroffen geldbedrag
Uit de bewijsmiddelen volgt dat bij de doorzoeking van de auto door de politie in het dashboardkastje een contant geldbedrag van € 4.300,00 is aangetroffen. Het geld was in kleine coupures gesorteerd in vier pakketten en verpakt in een envelop. Op vragen van de verbalisant verklaarde de verdachte vervolgens wisselend en vaag, onder meer over de persoon aan wie de auto zou toebehoren en over de reden van zijn verblijf in Nederland. Ten slotte waren de verbalisanten er ambtshalve mee bekend dat jongemannen uit België en Frankijk vaker met grotere hoeveelheden geld verdovende middelen komen kopen in de omgeving van Rotterdam. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het aangetroffen geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was.
Vervolgens is het aan de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de (legale) herkomst van het bij hem aangetroffen geldbedrag. Naar het oordeel van het hof is de verklaring van de verdachte tijdens zijn verhoor op 24 februari 2023 dat hij heeft gewerkt in Luxemburg en geld van zijn rekening heeft opgenomen om te sparen en dat spaargeld in zijn auto had neergelegd omdat hij het thuis niet kon bewaren, niet als een zodanige verklaring te beschouwen. In dat verband is van belang dat de eerst in hoger beroep overgelegde loonstroken van de verdachte dateren van lang voor de tenlastegelegde datum en daarom niet zonder meer een verklaring kunnen zijn voor het in de auto aangetroffen geldbedrag, mede in aanmerking genomen dat de inkomsten van de verdachte ook deels moeten zijn aangewend voor zijn levensonderhoud. Ook de overgelegde afschriften van de bankrekening van de verdachte dekken niet de tenlastegelegde periode, terwijl de geldopnames die op de afschriften zijn te zien niet in direct verband zijn te brengen met het in de auto aangetroffen bedrag. De aanzienlijke contante geldstortingen op de bankrekening van de verdachte en de omstandigheid dat de verdachte over andere bankrekeningen beschikte waarmee die rekening werd aangezuiverd, ondersteunen evenmin de stelling van de verdachte dat hij gedurende een langere periode gelden afkomstig uit legale bron contant heeft opgenomen en vervolgens als spaargeld contant heeft aangehouden.
Het hof betrekt het uitblijven van een concrete, verifieerbare verklaring omtrent de (mogelijk legale) herkomst van het bij hem aangetroffen geldbedrag in zijn overwegingen over het bewijs, hetgeen leidt tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een contant geldbedrag van € 4.300,00 door dit geldbedrag voorhanden te hebben in een auto tijdens een rit van Frankrijk naar Nederland. Door dergelijke feiten worden criminele verdiensten afgedekt en komen van misdrijf afkomstige gelden in de economie terecht, terwijl het plegen van andere strafbare feiten erdoor wordt vergemakkelijkt.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Beslag

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 4.300,00, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot welk het bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit geldbedrag verbeurdverklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24c, 33, 33a en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 800,00 (achthonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
8 (acht) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
4300 euro.
Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, als voorzitter, mr. A.L. Frenkel en
mr. D.F.A. Crijns, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.L. Vollering.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juni 2026.