Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1933

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
200.343.063/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 5.4 huurovereenkomstArt. 5.5 huurovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens hennepgerelateerde activiteiten in woning

Appellant huurde een woning van geïntimeerde en mocht deze onderverhuren. In de woning vonden hennepgerelateerde activiteiten plaats, wat leidde tot ontbinding van de huurovereenkomst door de kantonrechter. Appellant kwam in hoger beroep tegen deze ontbinding en vorderde onder meer schadevergoeding voor huurderving en inboedel.

Het hof oordeelde dat appellant zich als huurder heeft gedragen en dat de ontbinding terecht is toegewezen. Getuigenverklaringen en foto’s toonden overtuigend aan dat er hennepgerelateerde activiteiten plaatsvonden. Het civiele recht vereist een redelijke mate van zekerheid, die hier is bereikt.

De vordering van appellant tot schadevergoeding wegens huurderving werd afgewezen omdat de ontbinding terecht was. De gederfde huurinkomsten van geïntimeerde werden wel verminderd vanwege het onrechtmatig ontzeggen van toegang voorafgaand aan het kort geding vonnis. De herstelkosten van geïntimeerde werden toegewezen, terwijl de schadevergoeding voor de inboedel werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest bevestigt de ontbinding en wijst de meeste vorderingen van appellant af, met uitzondering van een aangepaste vergoeding voor gederfde huur.

Uitkomst: De ontbinding van de huurovereenkomst wordt bevestigd, de meeste vorderingen van appellant afgewezen, met een aangepaste vergoeding voor gederfde huurinkomsten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.343.063/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 9040932 \ RL EXPL 21-3124 en
9045972 \ RL EXPL 21-3269
Arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto, kantoorhoudend in Zaandam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. E.A. Breetveld, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] huurde woonruimte van [geïntimeerde] , die [appellant] op zijn beurt weer mocht onderverhuren. Volgens de kantonrechter is komen vast te staan dat in deze woning hennepgerelateerde activiteiten hebben plaatsgevonden. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] daarom ontbonden. Het hof is het daarmee eens.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 25 april 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 30 januari 2024;
  • de memorie van grieven tevens houdende incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring tevens houdende akte wijziging van eis van [appellant] , met bijlagen;
  • de antwoordconclusie in incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van [geïntimeerde] ;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met bijlagen.
2.2
Na het indienen van de antwoordconclusie in de incidentele vordering door [geïntimeerde] , heeft [appellant] nagelaten om het dossier te fourneren ten behoeve van het wijzen van een arrest in de door hem ingestelde incidentele vordering, zodat geen arrest is gewezen in het incident.
2.3
Op 12 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
In de op 30 maart 2016 getekende huurovereenkomst (hierna: de huurovereenkomst) staat dat [geïntimeerde] met ingang van 15 april 2016 de woonruimte gelegen aan de [adres 1] in [plaats] (hierna: de woning) verhuurt aan [appellant] . Deze huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. De huurprijs was vastgesteld op € 750 per maand. In de huurovereenkomst staat dat huurder [appellant] de woning mag onderverhuren aan anderen.
3.2
In de huurovereenkomst is verder het volgende opgenomen:
5.4Huurder zal geen drugs gebruiken en/of verhandelen of personen toelaten in het gehuurde hiervoor. Als dit wordt geconstateerd zal per direct het huurcontract worden ontbonden en zal de woning per omgaande ontruimd worden.
5.5
Huurder zal geen wiet/hennep of andere stimulerende middelen (laten) telen of opslaan in de woning. Als dit wordt geconstateerd zal per direct het huurcontract worden ontbonden en zal de woning per omgaande ontruimd worden. De hieruit voortvloeiende schade is voor rekening van huurder.”
3.3
In een op 12 oktober 2020 getekende huurovereenkomst staat dat [appellant] als verhuurder een huurovereenkomst sluit met drie personen voor de duur van twee jaar, tegen een huurprijs van € 1.050 per maand.
3.4
Op 17 oktober 2020 is de politie in aanwezigheid van [geïntimeerde] de woning binnengetreden.
3.5
[geïntimeerde] heeft de sloten van de woning vervangen.
3.6
Op 3 november 2020 heeft [appellant] een kort geding procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Den Haag, waarin hij (onder meer) vorderde dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot het verlenen van onbelemmerde toegang tot de woning, onder afgifte van de sleutels aan [appellant] en zijn onderhuurders. In reconventie heeft [geïntimeerde] gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om de woning in afwachting van een beslissing van de bodemrechter over ontbinding van de huurovereenkomst te ontruimen en verlaten en ontruimd te houden. Bij vonnis van 24 november 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag overwogen dat voorshands aannemelijk is dat hennepgerelateerde activiteiten in de woning hebben plaatsgevonden. De rechter heeft de vordering van [appellant] daarop afgewezen en hem veroordeeld om de woning verlaten en ontruimd te houden, in afwachting van een beslissing van de bodemrechter over ontbinding van de huurovereenkomst.
3.7
Op 3 november 2020 is op verzoek van [appellant] door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag verlof verleend om conservatoir beslag te leggen op de woning. Op 4 november 2020 is dat beslag gelegd voor een bedrag van € 17.615. Nadat het hierna in 4.5 beschreven vonnis van de kantonrechter van 24 januari 2024 in de onderhavige bodemprocedure was gewezen, heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan (de advocaat van) [appellant] verzocht om het beslag op te heffen. [appellant] heeft daarop laten weten dat hij het beslag niet wilde opheffen omdat hij hoger beroep had ingesteld. Nadat [geïntimeerde] vervolgens een kort geding dagvaarding aan [appellant] had laten betekenen, is het conservatoire beslag op de woning op 29 april 2024 in het Kadaster doorgehaald. In het kort geding vonnis van 15 mei 2024 is het [appellant] verboden om op dezelfde gronden als aangevoerd in het op 4 november 2020 gelegde conservatoir beslag opnieuw beslag te leggen ten laste van [geïntimeerde] , op straffe van een dwangsom van € 50.000, tot een maximum van € 300.000.
3.8
[geïntimeerde] heeft de woning met ingang van 1 mei 2021 verhuurd aan een derde. Later heeft hij de woning verkocht.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
In deze (bodem)procedure hebben [appellant] en [geïntimeerde] vorderingen tegen elkaar ingesteld.
4.2
[appellant] vorderde, kort gezegd:
verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] nog steeds van kracht is en dus niet ontbonden is,
€ 300 per maand voor misgelopen huurpenningen over de periode vanaf oktober 2020 tot en met april 2021, en
schadevergoeding van € 12.500 voor de inboedel die [geïntimeerde] uit de woning heeft meegenomen.
4.3
[geïntimeerde] vorderde van zijn kant, kort gezegd:
ontbinding van de huurovereenkomst (omdat sprake was van een hennepplantage danwel hennepgerelateerd activiteiten in de woning),
betaling van zeven keer € 750, voor de zeven maanden dat [geïntimeerde] de woning niet heeft kunnen verhuren (van 1 oktober 2020 tot 1 mei 2021);
schadevergoeding van € 4.735 voor herstel van de schade aan de woning.
4.4
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 24 mei 2022 [geïntimeerde] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat [appellant] en/of zijn onderhuurders in de woning hennepgerelateerde activiteiten heeft/hebben ontplooid. De kantonrechter heeft de door [geïntimeerde] aangedragen getuigen gehoord, te weten de [getuigen 1 en 2] , de wijkagent [getuige 3] , de heer [getuige 4] en hoofdagent [getuige 5] . [appellant] is in de gelegenheid gesteld om van zijn kant getuigen te laten horen in contra-enquête, maar heeft daar uiteindelijk vanaf gezien.
4.5
In het eindvonnis van 24 januari 2024 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] in de bewijslevering is geslaagd. Zij heeft de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, waarbij vordering 2) is toegewezen tot een bedrag van € 5.250, omdat door [appellant] onvoldoende is weersproken dat de woning zeven maanden niet verhuurd kon worden. De vorderingen van [appellant] zijn afgewezen en [appellant] is veroordeeld in de proceskosten.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellant] is in hoger beroep gekomen. Hij wil dat het hof de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst en zijn vorderingen toewijst. [appellant] heeft daarbij zijn vorderingen in hoger beroep gewijzigd. Omdat [geïntimeerde] de woning inmiddels heeft verkocht, vraagt [appellant] niet meer om een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst nog steeds van kracht is, maar wil hij in plaats daarvan vervangende schadevergoeding in verband met huurderving. De huurderving bedraagt € 300 per maand (de huurontvangsten van de onderhuurder minus de huur die [appellant] aan [geïntimeerde] moest betalen). Volgens [appellant] moet de schade gesteld worden op (10 x 12 x € 300 =) € 36.000. Per saldo luiden zijn vorderingen nu, kort gezegd, dat [geïntimeerde] aan hem betaalt:
schadevergoeding van € 36.000 in verband met huurderving, met rente;
schadevergoeding van € 12.500 voor de inboedel die [geïntimeerde] uit de woning heeft meegenomen.

6.Beoordeling in hoger beroep

Afwijzing van het door [appellant] opgeworpen verweer dat hij niet de huurder is

6.1
Tijdens de zitting in hoger beroep van 12 mei 2026 heeft [appellant] de niet eerder ingenomen stelling geponeerd dat hij niet de huurder van de woning was. Hij betoogde dat hij daar pas twee weken voor deze zitting achter was gekomen nadat de FIOD hem vragen had gesteld over huurovereenkomsten die op zijn naam stonden, waaronder die ter zake van de woning aan de [adres 1] in [plaats] . [appellant] voerde aan dat hij de huurovereenkomst met [geïntimeerde] niet heeft getekend, dat hij dat ook niet gedaan kan hebben omdat hij in die periode (van 2015 tot eind 2019) in Suriname verbleef en dat hij ook niet degene is geweest die de huur aan [geïntimeerde] heeft betaald en de huur van de onderhuurders heeft ontvangen. Pas door de FIOD kwam hij er twee weken geleden achter dat andere mensen panden huurden en verhuurden op zijn naam.
6.2
Het hof acht dit verweer van [appellant] ongeloofwaardig gelet op het volgende. [appellant] staat niet alleen als verhuurder vermeld op de huurovereenkomst met [geïntimeerde] , maar heeft zich ook uitdrukkelijk en actief zelf als zodanig gedragen in verschillende civielrechtelijke procedures gedurende de afgelopen jaren. Zo is [appellant] een kort geding procedure tegen [geïntimeerde] gestart om als huurder toegang tot de woning te krijgen nadat de politie was binnengetreden en [geïntimeerde] de sloten had vervangen (zie 3.6) en heeft hij conservatoir beslag gelegd op de woning omdat hij stelde als huurder schade te hebben geleden (zie 3.7). Daarnaast is hij als eerste, in de hoedanigheid van huurder, de onderhavige bodemprocedure gestart waarbij hij vorderingen tegen [geïntimeerde] heeft ingesteld. Daarbij heeft [appellant] de huurovereenkomst overgelegd (als productie 1 bij zijn inleidende dagvaarding), ter onderbouwing van zijn stelling dat hij op 30 maart 2016 met [geïntimeerde] een huurovereenkomst met betrekking tot de woning had gesloten (randnummer 1 inleidende dagvaarding). Ook is hij tijdens zittingen in eerste aanleg aanwezig geweest, waaronder de getuigenverhoren waaraan hij actief heeft deelgenomen door ook zelf vragen te stellen aan de door [geïntimeerde] voorgebrachte getuigen. Tegenover dit alles kan de stelling die [appellant] pas tijdens de zitting in hoger beroep plompverloren naar voren heeft gebracht, te weten dat hij twee weken daarvoor door de FIOD er achter is gekomen dat hij de woning helemaal niet had gehuurd, niet anders dan als ongeloofwaardig worden gekwalificeerd. Ook als juist zou zijn dat [appellant] niet zelf zijn handtekening onder het huurcontract heeft gezet en de geldstromen (ook) via een rekening van een ander liepen, kan niet worden uitgesloten dat [appellant] zich als huurder heeft laten vertegenwoordigen. Zijn uitdrukkelijke, actieve gedrag waarbij hij in verschillende civielrechtelijke procedures in de hoedanigheid van huurder heeft geprocedeerd, wijst erop dat hij wel de huurder was. Het verweer van [appellant] wordt verworpen.
Hennepgerelateerde activiteiten zijn komen vast te staan
6.3
[appellant] betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat uit de getuigenverklaringen en de beelden redelijkerwijs kan worden afgeleid dat in de woning hennepgerelateerde activiteiten hebben plaatsgevonden.
6.4
Het hof overweegt dat het civiele recht niet een in de wet neergelegde maatstaf voor de bewijswaardering kent. In de rechtspraak is algemeen aanvaard dat de rechter een redelijke mate van zekerheid moet hebben omtrent de juistheid van de te bewijzen feiten.
6.5
De volgende tegenover de kantonrechter afgelegde getuigenverklaringen en door [geïntimeerde] overgelegde foto’s zijn van belang:
  • [getuige 1] , die in hetzelfde pand woont op [huisnummer] , heeft het volgende verklaard. Rond 7 uur in de ochtend van 17 oktober 2022 ging de Ring-deurbel steeds af. Deze deurbel reageert op bewegingen voor de camera. Ze is gaan kijken en zag dat personen met zakken naar boven liepen waarin plantjes zaten die op wietplantjes leken. Er kwam een geur naar boven die zij herkende als wietlucht. Rond 9 uur werd de wietlucht steeds sterker en werd zij er misselijk van. Toen zij met haar echtgenoot om 11 uur in de ochtend naar de politie ging, troffen zij op de trap naar beneden topjes van wietplanten aan. Die hebben ze opgeraapt en meegenomen naar de politie. Later op de dag zag zij dat er niet alleen tassen naar boven werden gebracht, maar dat er ook weer tassen naar beneden gingen en buiten werden ingeladen in busjes. Verder viel op dat er op de hoek van de straat mensen stonden te wachten die op een gegeven moment ook naar binnen zijn gegaan. Rond 20.30 uur kwam de politie. Die rook in het portiek en in hun woning de henneplucht en heeft daarna de deur (van de woning) ingetrapt. Nadat de deur was ingetrapt is zij ook naar binnen geweest. Zij zag restjes van hennepplanten liggen, een mes, een schaar en parfum. Zij had eerder op de dag gezien dat er buiten bij de voordeur meerdere keren met parfum werd gespoten. Op de vraag of zij ervaring heeft met hennep, heeft zij geantwoord dat zij weet hoe het ruikt en hoe het eruit ziet.
  • [getuige 2] heeft het volgende verklaard. In de ochtend van 17 oktober 2020 werd hij wakker van de Ring-bel die continu afging. Hij is de beelden gaan bekijken en zag mensen die met zakken en tassen naar boven liepen. Op één van de beelden was zichtbaar dat het planten waren. Er kwam een steeds sterkere hennepgeur, waardoor hij hoofdpijn kreeg en misselijk werd. Om 9 uur is hij nog kit gaan halen om kieren dicht te kitten tegen de lucht, maar dat hielp niet. Rond 11 uur is hij met zijn vrouw aangifte gaan doen bij de politie. Ook daarna bleven mensen maar in en uit lopen en buiten rond auto’s hangen. Rond 20.00/20.10 uur kwam er een groep dames uit de woning. Hij weet dat het die tijd was omdat hij dat had gezien op de beelden van de Ring-deurbel. Rond 20.30 uur arriveerde de politie. Het waren eerst twee agenten, maar na het ruiken van een sterke hennepgeur hebben zij om assistentie gevraagd. Zij zijn via het balkon naar binnen gegaan door de deur in te trappen. Toen de agenten weg waren is hij ook binnen geweest. Hij zag een schaar liggen, kleine hennepresten (blaadjes), olie en een sterke parfum.
  • [getuige 4] (die woont op [adres 2] ) heeft verklaard dat hij op 17 oktober 2020 om 6.30 uur naar zijn werk is gegaan en om 15.30 uur is teruggekomen. Het stonk naar wiet en in zijn woning rook hij ook wiet. Op de hoek van de straat zag hij vier mensen staan die daarna bij [adres 1] naar binnen gingen. Rond 20.15 uur zag hij vier mensen weggaan. Ongeveer 10 minuten later kwam de politie aan en die zijn de woning binnengegaan. Ze zijn er ongeveer een half uur geweest. Nadat de politie wegging, is hij samen met [geïntimeerde] de woning binnengegaan. Daar zag hij messen en scharen liggen, stukken planten en flesjes parfum. Hij heeft de dag erop camerabeelden van de (hof: onder de woning gelegen) winkel bekeken, samen met de winkelier en de politie. Hij zag op die beelden dat, zodra hij wegging naar zijn werk, een busje parkeerde op zijn plaats en dat uit dat busje een krat en vuilniszakken werden gehaald die naar boven werden gebracht.
  • [getuige 3] , de wijkagent, heeft verklaard dat hij niet zelf bij het binnentreden van de woning was, maar dat hij wel de registratie heeft bekeken die door collega [getuige 5] hierover in het systeem was gezet. Die registratie hield in dat er een melding was binnengekomen dat mensen in en uit de woning liepen met zakken en/of dozen, dat de politie de woning is binnengetreden en dat zij daar enkele blaadjes van hennep hebben aangetroffen en attributen die gebruikt kunnen worden bij de hennepteelt.
  • [getuige 5] , de hoofdagent die de woning op 17 oktober 2020 is binnengetreden, heeft verklaard dat er een melding kwam van een buurvrouw over mannen met tassen die de portiek uitliepen en dat het vermoeden was dat er sprake was van een hennepkwekerij. Zij zijn naar de woning gegaan. In de portiek omhoog naar de woning heeft zij een hennepgeur geroken. Ze hebben geprobeerd om via de deur de woning binnen te treden, maar ze zijn uiteindelijk via een raam aan de achterzijde naar binnen gegaan. De woning was heel erg leeg en het rook naar schoonmaakmiddel. Ze weet nog dat er een meubeltje op wielen stond en daar zag ze drie tot vijf blaadjes van een hennepplant liggen. Op de vraag of zij zeker weet dat om hennepblaadjes ging, heeft [getuige 5] geantwoord dat zij vanuit haar jarenlange ervaring als agent wel weet hoe een hennepblaadje eruit ziet.
  • Op door [geïntimeerde] overgelegde foto’s van het nagenoeg lege interieur van de woning zijn onder andere wat plantenresten, een schaar en een flesje met olie te zien.
6.6
Uit deze getuigenverklaringen en foto’s, in onderlinge samenhang beschouwd, komt een duidelijk, gedetailleerd en consistent beeld naar voren, namelijk dat er op 17 oktober 2020 meerdere personen met zakken en tassen de woning in- en uitlopen, er vervolgens een indringende wietlucht ontstaat, henneptopjes in het trappenhuis worden aangetroffen, in de woning hennepblaadjes worden gevonden, alsmede hennepattributen zoals scharen en messen, en ook parfum, waarover is verklaard dat daarmee eerder op de dag bij de voordeur is gespoten. Het hof is van oordeel dat hieruit met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat er hennepgerelateerde activiteiten in de woning hebben plaatsgevonden.
6.7
Datgene wat [appellant] hier in hoger beroep tegenin heeft gebracht is onvoldoende om dit beeld te kunnen ontkrachten. Anders dan [appellant] meent, zijn de getuigenverklaringen wel voldoende consistent. Dat het veelvuldig in en uitlopen met zakken en tassen te maken zou hebben met een verhuizing van de toenmalige onderhuurder, heeft [appellant] tegenover al het voorgaande op geen enkele wijze aannemelijk weten te maken – dit temeer nu de woning (nagenoeg) leeg was toen de politie binnentrad, wat moeilijk te rijmen valt met de stelling dat de zakken en tassen te maken hadden met een verhuizing van de nieuwe onderhuurder. Terzijde merkt het hof op dat er ook geen sprake kan zijn geweest van het verhuizen uit de woning door de vorige onderhuurder, want die heeft verklaard dat zij de woning al op 11 oktober 2020 hebben verlaten (zie productie 15 bij de inleidende dagvaarding). Het hof gaat ook voorbij aan de stelling van [appellant] dat uit de uitgebreide fotoreeks die [geïntimeerde] heeft overgelegd niet volgt dat die in de woning gemaakt zijn. Het gaat slechts om een blote stelling, die op geen enkele wijze nader is onderbouwd. De opmerking van [appellant] dat (een aantal van) de foto’s wellicht niet meteen op de avond van het binnentreden door de politie, maar pas op zijn vroegst de volgende dag kunnen zijn gemaakt, is evenmin relevant. Hoe dat afdoet aan wat er op de foto’s te zien is, heeft [appellant] niet duidelijk gemaakt. Ook het verweer dat niet met zekerheid is vastgesteld dat in de woning aangetroffen blaadjes afkomstig zijn van een hennepplant wordt verworpen. Hoofdagent [getuige 5] , die vanuit haar functie moet worden geacht goed bekend te zijn met het uiterlijk van hennep, heeft de blaadjes gekwalificeerd als hennep en dat is afdoende.
6.8
[appellant] heeft in hoger beroep aangegeven dat hij verschillende getuigen wenst te horen. Het hof overweegt hierover dat vast staat dat [appellant] in de procedure in eerste aanleg in de gelegenheid is gesteld om getuigen in contra-enquête te horen. In het vonnis van de kantonrechter (rov. 1.2) is daarover vermeld dat [appellant] aanvankelijk had gekozen voor een contra-enquête, maar dat hij die later om hem moverende redenen heeft ingetrokken. Gegeven deze gang van zaken in eerste aanleg, mag van [appellant] in deze fase van de procedure, gelet op de eisen van een goede procesorde, meer worden verlangd dan enkel de algemene, niet nader uitgewerkte stelling dat hij getuigen wil horen die kunnen verklaren “over de toestand van de woning (vlak) voor het binnentreden politie op 17 oktober 2020 en daarna en of er in de woning hennepgerelateerde feiten zijn verricht”. Een verhoor van de getuigen is daarom niet aan de orde.
Ontbinding huurovereenkomst gerechtvaardigd
6.9
Anders dan [appellant] betoogt, is het gedoogbeleid van de overheid met betrekking tot maximaal vijf hennepplanten niet relevant. Dat gedoogbeleid ziet namelijk op het strafrecht (tot die hoeveelheid vindt geen strafvervolging plaats) en niet op het civiele recht. Daarbij komt dat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat er geen enkele hennepactiviteit in de woning mag plaatsvinden. Zo bepaalt artikel 5.5 van de huurovereenkomst dat de huurder geen hennep zal (laten) telen of opslaan in de woning. Daarmee staat vast dat [appellant] is tekortgekomen in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst.
6.1
Het verweer van [appellant] dat een tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst dan in ieder geval niet rechtvaardigt, als bedoeld in artikel 6:265 lid 1 BW Pro, gaat ook niet op. Het hof is van oordeel dat met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat er hennepgerelateerde activiteiten hebben plaatsgevonden op een schaal die de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt (zie 6.4-6.5). [appellant] heeft daartegenover onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van zijn verweer.
6.11
De conclusie tot zover is dat de kantonrechter de ontbinding van de huurovereenkomst terecht heeft toegewezen.
Vordering van [appellant] van € 36.000 inzake huurderving terecht afgewezen
6.12
[appellant] heeft in hoger beroep een bedrag van € 36.000 gevorderd in verband met door hem gederfde huur (berekend volgens de formule 10 x 12 x € 300 per maand), omdat de ontbinding van de huurovereenkomst volgens hem onterecht is toegewezen. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen – de ontbinding van de huurovereenkomst was terecht – volgt dat deze vordering moet worden afgewezen.
Gederfde huurinkomsten van [geïntimeerde] : € 4.336,29
6.13
Volgens [appellant] heeft de kantonrechter ten onrechte de door [geïntimeerde] gevorderde gederfde huurinkomsten van € 5.250 toegewezen. [geïntimeerde] heeft de sloten van de woning vervangen, waarna [appellant] geen toegang tot de woning meer had. Omdat [appellant] daardoor, door toedoen van [geïntimeerde] , geen huurgenot meer had, is er geen grond om de vordering inzake huurderving toe te wijzen, aldus [appellant] .
6.14
Het hof overweegt hierover dat [geïntimeerde] pas vanaf de datum van het kort geding vonnis van 24 november 2020 (weergegeven bij 3.6) beschikte over een geldige juridische titel om [appellant] en zijn onderhuurders de toegang tot de woning te kunnen ontzeggen. Het enkele feit dat [geïntimeerde] daarvoor (al dan niet op aanraden van de politie) de sloten had vervangen, maakt nog niet dat het belemmeren van de toegang tot de woning toen al rechtmatig was.
6.15
Vast staat dat [appellant] en de onderhuurders op 17 oktober 2020 de woning nog in konden en daarna niet meer. Van 18 oktober tot 24 november 2020 beschikte [geïntimeerde] nog niet over een geldige titel om [appellant] en zijn onderhuurders de toegang tot de woning te zeggen. Dat betekent dat [geïntimeerde] in oktober 2020 gedurende 14 dagen en in november gedurende 23 dagen geen gederfde huur van [appellant] kan vorderen. Het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag van (7 maanden x € 750 =) € 5.250 zal daarom worden verminderd met (€ 338,71 voor oktober + € 575 voor november =) € 913,71. Het hof zal dus toewijzen (€ 5.250 - € 913,71 =) € 4.336,29.
Herstelkosten schade woning van € 4.735 terecht toegewezen
6.16
[appellant] betoogt dat de kantonrechter ook de door [geïntimeerde] gevorderde herstelkosten ten onrechte heeft toegewezen. [geïntimeerde] heeft alleen een offerte van een klusbedrijf en geen betaalbewijzen overgelegd, zodat wordt betwist dat enige betaling is gedaan voor het gestelde herstel. Daarnaast is de post ‘ontruiming van het pand’ (van € 350) niet aannemelijk omdat de politie de woning leeg heeft aangetroffen. Voor de overige posten geldt dat nergens uit blijkt dat dit beschadigingen betreft waarvoor [appellant] aansprakelijk is, aldus [appellant] .
6.17
[geïntimeerde] heeft van zijn kant het volgende aangevoerd. In eerste aanleg is een USB-stick overgelegd met foto’s waarop de beschadigingen aan de woning duidelijk te zien zijn, en de offerte ziet op herstel ervan. Een deel van de beschadigingen is ontstaan doordat de politie toegang tot de woning heeft moeten forceren. De andere gevorderde posten hebben ermee te maken dat [appellant] de woning in goede staat heeft aanvaard en ook in die staat had moeten opleveren. Het is waar dat de woning grotendeels leeg was, maar er stonden nog wat spullen en ook de beschadigde onderdelen (zoals wc-pot, aanrechtblad, spoelbak en kraan) dienden te worden afgevoerd, waarbij ook kosten gemaakt moesten worden voor het afstorten van het grof vuil. Daarmee is de post ‘ontruiming van het pand’ voldoende onderbouwd, aldus nog steeds [geïntimeerde] .
6.18
Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] de herstelkosten voldoende heeft onderbouwd en [appellant] die daartegenover onvoldoende heeft betwist. Vast staat dat de politie de toegang tot de woning heeft geforceerd en daarbij een raam en de voordeur (plus sloten) heeft beschadigd. Dit binnentreden is geschied naar aanleiding van de hennepgerelateerde activiteiten in de woning en kan daarmee aan [appellant] worden toegerekend. Het herstel van die schade komt daarom voor rekening van [appellant] . Verder heeft [appellant] niet, althans onvoldoende, betwist dat hij de woning in goede staat heeft aanvaard en dat de overige herstelposten ertoe dienden om de woning terug in die (goede) staat te brengen. Ook die kosten zijn toewijsbaar. Ook de kosten van ontruiming van de woning heeft [geïntimeerde] voldoende onderbouwd. Dat [geïntimeerde] alleen een (gespecificeerde) offerte heeft overgelegd en geen betalingsbewijzen, maakt niet dat de gevorderde schade niet toewijsbaar is. [geïntimeerde] heeft afdoende onderbouwd dat de op de offerte vermelde bedragen (reële) herstelkosten betreffen en dat is voldoende.
Schadevergoeding inboedel van € 12.500 terecht afgewezen
6.19
De kantonrechter heeft de door [appellant] gevorderde schadevergoeding van € 12.500 voor de inboedel die [geïntimeerde] uit de woning zou hebben gehaald afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat is gebleken dat de politie als eerste de woning heeft betreden, dat de politie een nagenoeg lege woning heeft aangetroffen en dat [appellant] niet heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] eerder dan de politie de woning heeft betreden. Daarbij komt dat [appellant] volgens de kantonrechter op geen enkele wijze heeft onderbouwd welk huisraad dan verdwenen zou zijn en wat de kosten daarvan zijn.
6.2
In hoger beroep heeft [appellant] de stelling ingenomen dat [geïntimeerde] vlak vóór de inval van de politie op 17 oktober 2020 de sloten van de woning heeft vervangen, dat [geïntimeerde] toen toegang tot de woning heeft gehad en de inboedel heeft verwijderd.
6.21
Het hof overweegt dat deze vordering van [appellant] is gebaseerd op de centrale stelling dat [geïntimeerde] de inboedel van [appellant] uit de woning heeft weggehaald kort voordat de politie kwam, toen [geïntimeerde] de sloten heeft vervangen. Deze stelling is echter op geen enkele wijze nader onderbouwd en valt bovendien niet te rijmen met het vaststaande feit (zie 2.5. van het tussenvonnis, waartegen geen grief is gericht) dat [geïntimeerde] aanwezig was toen de politie de voordeur heeft geprobeerd te forceren om de woning binnen te komen. Waarom de deur geforceerd moest worden als de daarbij aanwezige [geïntimeerde] kort daarvoor het slot had vervangen (en dus over de sleutel zou hebben beschikt) blijft volstrekt onduidelijk. Het verweer van [appellant] wordt dan ook verworpen omdat hij ook in hoger beroep niet heeft voldaan aan zijn stelplicht.
6.22
[appellant] heeft nog bewijs aangeboden van getuigen die zouden kunnen verklaren “over de (waarde van de) inboedel die zich in de woning bevond voor de inval van de politie op 17 oktober 2020”, maar het hof gaat daaraan voorbij. Dat getuigenbewijs is namelijk niet relevant omdat dat geen betrekking heeft op de centrale stelling waar de vordering van [appellant] op is gebaseerd, te weten dat
[geïntimeerde]de inboedel (kort voor de inval door de politie) zou hebben weggehaald.
Conclusie en proceskosten
6.23
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] maar op een klein onderdeel slaagt, te weten in die zin dat het door [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen bedrag aan gederfde huurinkomsten moet worden verlaagd van € 5.250 naar € 4.336,29. Voor het overige faalt het hoger beroep.
6.24
[appellant] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 789,-
salaris advocaat € 4.704,- (2 punten × tarief IV)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 5.682,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
  • vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 30 januari 2024, maar
  • en in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 4.336,29 ter zake gederfde huurinkomsten;
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter voor het overige;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 5.682,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.J.M. Burg, Th.G. Lautenbach en F. van der Hoek en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.