Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1919

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/43
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 95 WfsvArt. 96 WfsvArt. 97 lid 2 WfsvArt. 97 lid 4 WfsvArt. 1 EP EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen terugwerkende kracht bij herziening sectorindeling volgens Wfsv

Belanghebbende, een onderneming die verkeersregelaars ter beschikking stelt, werd per beschikking van 19 mei 2023 met terugwerkende kracht vanaf 10 oktober 2022 ingedeeld in sector 45 (Zakelijke Dienstverlening III). Belanghebbende verzocht om herziening van deze sectorindeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022, wat door de Inspecteur werd afgewezen. Het Gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen deze afwijzing.

Het Hof oordeelde dat op grond van artikel 97, lid 2, Wfsv de ingangsdatum van een gewijzigde sectorindeling niet vóór de datum van het verzoek kan liggen, tenzij uitzonderingen van lid 4 van toepassing zijn, die hier niet gelden. De wetgever heeft met deze regeling beoogd uitvoeringslasten te beperken en sectorshopping tegen te gaan, wat een legitiem en proportioneel doel is.

Belanghebbende stelde dat het niet met terugwerkende kracht herzien van de sectorindeling in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (eigendomsgarantie) en het gelijkheidsbeginsel. Het Hof verwierp deze stellingen, omdat de regeling voldoende duidelijk, voorzienbaar en toegankelijk is, en belanghebbende geen individuele buitensporige last aannemelijk heeft gemaakt. Ook was onvoldoende onderbouwd dat andere bedrijven in een vergelijkbare situatie anders werden behandeld.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de beschikking van de Inspecteur bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de sectorindeling per 10 oktober 2022 bevestigd zonder terugwerkende kracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/43

Uitspraak van 16 april 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: H.J. Garnaat)
en

de Inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het beroep van belanghebbende tegen de hierna te noemen uitspraak op bezwaar.

Procesverloop

1.1.
Bij Beschikking Loonheffingen Sectoraansluiting van 19 mei 2023 (de beschikking) heeft de Inspecteur belanghebbende met terugwerkende kracht met ingang van 10 oktober 2022 ingedeeld bij sector 45 (Zakelijke Dienstverlening III).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 385. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 maart 2026, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Bij Beschikking Loonheffingen Sectoraansluiting van 4 juli 2016 is belanghebbende met ingang van 1 juli 2016 ingedeeld in (de vak)sector 53 (Bewakingsondernemingen).
2.2.
In het kader van per 1 januari 2020 gewijzigde regelgeving is de sectorindeling van belanghebbende ambtshalve herzien en is zij bij beschikking van 8 oktober 2019 met ingang van 1 januari 2020 is ingedeeld in sector 52 (Uitzendbedrijven). Tegen deze beslissing heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt.
2.3.
Bij brief van 3 oktober 2022 is namens belanghebbende verzocht de sectorindeling opnieuw te beoordelen, omdat haar activiteiten inmiddels zijn gewijzigd.
2.4.
Uit het naar aanleiding van dit verzoek ingestelde onderzoek is gebleken dat de activiteiten van belanghebbende per 6 januari 2022 zijn gewijzigd. Belanghebbende houdt zich vanaf die datum bezig met het aan derden ter beschikking stellen van verkeersregelaars ten behoeve van het in goede banen leiden van verkeerssituaties. Hierbij oefent belanghebbende leiding en toezicht uit op deze werknemers. Daarnaast stelt belanghebbende ook tijdens evenementen, op bouwplaatsen en dergelijke, verkeersregelaars ter beschikking waarbij te allen tijde de leiding en het toezicht bij belanghebbende ligt. De werknemers zijn in vaste dienst gekomen bij belanghebbende. Per 6 januari 2022 is de naam van belanghebbende statutair gewijzigd in de huidige naam.
2.5.
Op grond van de verkregen informatie over de werkzaamheden van belanghebbende is de sectorindeling van belanghebbende bij de beschikking herzien naar sector 45 (Zakelijke Dienstverlening III), met als maatschappelijke functie 'Het regelen van het verkeer (bij wegomleggingen e.d.)'. Met toepassing van artikel 97, lid 2, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is de ingangsdatum van de herziening vastgesteld op 10 oktober 2022, zijnde per het eerstvolgende aangiftetijdvak na het verzoek om de sectorindeling te beoordelen. De uitzonderingsbepaling van artikel 97, lid 4, Wfsv is niet toegepast, omdat belanghebbende van de onjuiste indeling geen premievoordeel heeft genoten. De herziening is aan belanghebbende toegelicht in het Rapport Indelingsonderzoek en de brief 'Toelichting op beslissing herziening sectoraansluiting', beide van 5 mei 2023.
2.6.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt en heeft verzocht om indeling in sector 45 (Zakelijke Dienstverlening III) met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022. Dit verzoek is bij uitspraak op bezwaar van 19 december 2024 afgewezen.

Geschil in beroep en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is de ingangsdatum van de sectorwijziging. Belanghebbende stelt dat de wijziging naar sector 45 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 moet plaatsvinden.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikking tot indeling in sector 45 met ingang van 1 januari 2022, restitutie van de te veel betaalde premies en veroordeling van de Inspecteur in de integrale proceskosten van belanghebbende.
3.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

Beoordeling van het beroep

4.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 95, lid 1, Wfsv wordt het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld in sectoren. Artikel 5.1 van de Regeling ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Regeling Wfsv) bevat de sectoren waarin het bedrijfs- en beroepsleven is ingedeeld en artikel 5.2 Regeling Wfsv bepaalt dat de werkzaamheden die een werkgever in zijn onderneming laat verrichten, ertoe leiden dat die werkgever tot de sector is aangesloten die in Bijlage I bij de Regeling Wfsv is opgenomen.
4.2.
Artikel 96 Wfsv Pro bepaalt dat een werkgever van rechtswege is aangesloten bij de op grond van artikel 95 Wfsv Pro vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten. Bij welke sector dat is en vanaf welke datum de werkgever bij die sector is aangesloten, deelt de inspecteur hem bij voor bezwaar vatbare beschikking mee. Als onderdeel van de Wet arbeidsmarkt in balans is per 20 juni 2019 de Wfsv gewijzigd. Ingevolge het bij die wet ingevoerde artikel 97, lid 2, tweede volzin, Wfsv kan de ingangsdatum van een gewijzigde sectorindeling niet zijn gelegen voor de datum waarop de werkgever om herziening heeft verzocht of de inspecteur ambtshalve heeft geconstateerd dat de indeling niet juist is, tenzij sprake is van een herziening op grond van het vierde lid. Op grond van artikel 97, lid 4, Wfsv is de inspecteur bevoegd tot herziening van de beschikking indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de aansluiting bij een sector onjuist is en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn, waardoor de werkgever is bevoordeeld. De herzieningsbevoegdheid van de inspecteur werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
4.3.
Het Hof stelt voorop dat het uitgangspunt van artikel 96 Wfsv Pro is dat de sectorindeling van rechtswege plaatsvindt. Dit brengt mee dat de Inspecteur een onjuiste sectorindeling in beginsel moet herstellen door afgifte van een nieuwe indelingsbeschikking. Bij de beschikking is de sectorindeling met ingang van 10 oktober 2022 gewijzigd. Het bepaalde in artikel 97, lid 2, Wfsv staat eraan in de weg dat de indeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 kan plaatsvinden.
Artikel 1 EP Pro
4.4.
Belanghebbende stelt dat het niet met terugwerkende kracht herzien van de sectoraansluiting tot 1 januari 2022 in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 1 EP Pro).
4.5.
Artikel 1 EP Pro brengt in de eerste plaats mee dat elke maatregel, die het ongestoorde genot van eigendom aantast, ‘lawful’ moet zijn. Dit houdt in dat de inbreuk een basis dient te hebben in het nationale recht, dat dit toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar moet zijn in de uitoefening en dat een inbreuk vergezeld dient te gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid biedt tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die inbreuk. De ingangsdatum van de indelingsbeschikking heeft een voldoende basis in artikel 97 Wfsv Pro en die regeling is naar het oordeel van het Hof voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening. Tegen de indelingsbeschikking staan bovendien rechtsmiddelen open. Zo bestaat een redelijke mogelijkheid tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van de sectorindeling, waaronder de ingangsdatum van de herziening van de sectorindeling. Voor belanghebbende was vóór 1 januari 2022 voorzienbaar dat de toepassing van de in de loop van 2019 bekendgemaakte wijzigingen in die regeling tot gevolg had dat zij niet bij een verzoek in oktober 2022 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 in de verzochte sector zou worden ingedeeld. Aan de vereisten van ‘lawfulness’ is dan ook voldaan. Dat belanghebbende begin 2022 druk was met andere zaken, dient in zoverre voor haar rekening en risico te blijven.
4.6.
In de tweede alinea van artikel 1 EP Pro ligt besloten dat het heffen van premies in het algemeen belang ter dekking van lasten van ziekte en arbeidsongeschiktheid in beginsel voldoet aan het vereiste van een legitiem doel (‘legitimate aim’). Er is geen grond om daarover in dit geval anders te oordelen, zodat ook aan het vereiste van ‘legitimate aim’ is voldaan.
4.7.
Artikel 1 EP Pro brengt voorts mee dat een inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom slechts is toegestaan als er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de daartoe in het algemeen belang gebruikte middelen en het legitieme doel dat daarmee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke verhouding (‘fair balance’) tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Bij de beoordeling of bij artikel 97 Wfsv Pro sprake is van een ‘fair balance’, gaat het in dit geval erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de maatregel beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid.
4.8.
Uit de wetgeschiedenis blijkt dat de wetgever artikel 97 Wfsv Pro heeft gewijzigd om onevenredige uitvoeringslasten te beperken en een toename van de uitvoeringslasten en sectorshopping te voorkomen. Dat zijn honorabele doelen en de wijze waarop die doelen in de wetgeving zijn vormgegeven zijn redelijk en proportioneel. Met de door de wetgever gemaakte keuzes heeft hij de grenzen van zijn ruime beoordelingsvrijheid ten aanzien van de geschiktheid van het gehanteerde middel voor het beoogde doel niet overschreden.
4.9.
Belanghebbende heeft niet gesteld dat sprake is van een individuele en buitensporige last, zodat het Hof tot de slotsom komt dat artikel 1 EP Pro niet is geschonden.
Gelijkheidsbeginsel
4.10.
Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel gewezen op de sectorindeling van drie andere bedrijven, namelijk [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 3] . Belanghebbende heeft met betrekking tot [B.V. 1] en [B.V. 2] niet aangegeven per welke datum zij zijn ingedeeld in sector 45. Belanghebbende heeft ook niet aangegeven laat staan onderbouwd dat bij de drie genoemde bedrijven sprake was van een herziening van de sectorindeling met terugwerkende kracht. Zij heeft ter zitting verklaard niet te beschikken over deze gegevens.
4.11.
Reeds omdat niet vaststaat dat sprake was van een herziening van de sectorindeling bij de door belanghebbende genoemde bedrijven en evenmin dat, zo al sprake was van een herziening, de Inspecteur de sectorindeling met terugwerkende kracht heeft herzien, faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende en de genoemde bedrijven feitelijk en rechtens in dezelfde situatie verkeerden.
Slotsom
4.13.
Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de Inspecteur belanghebbende voor de toepassing van de Wfsv terecht per 10 oktober 2022 heeft ingedeeld in sector 45. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

5. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, W. de Wit en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die
beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.