Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Procesgang
Tenlastelegging
(Zaak 201.500)
(Zaak [adres 1] )
Vordering van de advocaat-generaal
Het vonnis waarvan beroep
Verschoningsrecht: verweren, tijdlijn en juridisch kader
- een proces‐verbaal waarin de op 8 maart 2018 tegen [verdachte] gerezen verdenking van overtreding van de artikelen 420bis en –ter Sr is beschreven;
- een proces‐verbaal waarin een op 12 maart 2018 opgenomen gesprek waaraan [verdachte] heeft deelgenomen is weergegeven;
- het relaas (samenvatting) van een zaaksdossier genaamd “ [adres 1] ”;
- het relaas (samenvatting) van een zaaksdossier genaamd “€201.500,‐“.
procedurele waarborgenvoor
inhoudelijkeregels omtrent het verschoningsrecht zijn geschonden, namelijk:
- e-mailcorrespondentie van [verdachte] als advocaat met zijn cliënte, en dus verschoningsgerechtigd, inzake de koopovereenkomst van het pand aan de [adres 1] is als startinformatie van het onderzoek gebruikt;
- het bepaalde in artikel 4 lid 1 van Pro het Besluit is niet nageleefd omdat het OVC-gesprek van 12 maart 2018 niet ‘onverwijld’, maar eerst op 23 april 2019 aan de deken is toegezonden;
- de deken heeft niet het krachtens artikel 4 van Pro het Besluit vereiste ‘oordeel’ over het verschoningsrecht gegeven doch slechts een ‘zienswijze’, dat wil zeggen een voorlopige inschatting die kan wijzigen zodra alle relevante informatie beschikbaar is;
- in zijn e-mail van 6 januari 2022 formuleert de deken een duidelijk voorbehoud voor het geval er stukken, zoals opdrachtbevestigingen of correspondentie, bestaan die erop wijzen dat het verschoningsrecht wél van toepassing zou zijn. Dergelijke stukken bestaan, aldus de verdediging, maar zijn door het OM niet aan de deken voorgelegd, terwijl de geheimhoudingsplicht van [verdachte] hem verhinderde om die stukken in te brengen, waardoor dit voorbehoud van de deken geheel is genegeerd.
- de vordering ex artikel 126aa lid 2 Sv vermeldt dat 'advies is ingewonnen op 6 mei 2019 bij de deken', maar zoals betoogd was er van zo’n advies, laat staan van een óordeel’ geen sprake. Hierdoor is de rechter-commissaris “derhalve op een onjuist uitgangspunt tot zijn machtiging gekomen”.
- tot op de regiezitting van 24 augustus 2021 heeft het openbaar ministerie zich verzet tegen het verstrekken van de correspondentie tussen het openbaar ministerie en de deken, terwijl de e-mail van de deken van 6 januari 2022 pas een dag voor de inhoudelijke zitting wordt overgelegd. Anders dan de rechtbank ziet de verdediging hierin geen misverstand, maar een doelbewuste poging tot het achterhouden van informatie;
ken”, meervoud dus.
3 april 2018stelt het hof op basis van het bericht van de officier van justitie (inhoudende dat hij door het team pas op 1 mei 2019 van dit tweede OVC-gesprek op de hoogte is gebracht) vast dat artikel 4 lid 1 van Pro het Besluit eveneens is geschonden. Ook hier is het gevolg dat eerst ruim een jaar na dato de officier van justitie het oordeel van de deken heeft kunnen vragen. Ook dit ziet het hof als een onherstelbaar vormverzuim.
Bewijsoverweging feiten 1 en 2
Bewezenverklaring
primairhij op
of omstreeks8 maart 2018 te Rotterdam
een ander ofanderen,
althans alleen,
(grote
)hoeveelheid contant geld (EUR 201.500 in een rode tas) heeft verworven en
/ofvoorhanden gehad
en/of heeft overgedragen aan [medeverdachte 3] ,terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat dat geld
- middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk -afkomstig was uit enig misdrijf;
hij in
of omstreeksde periode van 1 augustus 2017 tot en met 30 april 2018 te Rotterdam en/of elders in Nederland
/ofde herkomst en
/ofde verplaatsing van inkomsten en/of vermogen van [persoon 1] heeft
verborgen en/ofverhuld door deze inkomsten en/of dit vermogen (gedeeltelijk,
middellijk) te investeren in het appartement met berging en 2 parkeerplaatsen behorende bij [adres 1]
, althans redelijkerwijs moest vermoeden,dat die inkomsten en/of dat vermogen - middellijk of onmiddellijk, geheel of gedeeltelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Bewijsvoering
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Strafbaarheid van de verdachte
Strafmotivering
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
bewezendat de verdachte het
onder 1 primair en 2tenlastegelegde heeft begaan.
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.