ECLI:NL:GHDHA:2026:1891

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
6 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/413bis
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hersteluitspraak inzake proceskosten en immateriële schadevergoeding in hoger beroep belastingrecht

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 31 maart 2026 uitspraak gedaan in een hoger beroep van de Heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Na de uitspraak wees de Heffingsambtenaar het Hof op een kennelijke fout in het dictum, waarin ten onrechte de Heffingsambtenaar werd veroordeeld in de proceskosten in beroep in plaats van de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Het Hof constateerde dat de Rechtbank de Minister van Justitie en Veiligheid reeds had veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, en dat deze beslissing in hoger beroep niet was bestreden. Daarom diende ook het Hof de Minister te veroordelen in de proceskosten in beroep. Deze misslag werd hersteld middels deze hersteluitspraak.

Het gewijzigde dictum luidt dat het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigt, behoudens de beslissing over immateriële schadevergoeding, de uitspraak op bezwaar bevestigt en de Staat veroordeelt in de proceskosten van € 226,75. Tevens is verduidelijkt dat belanghebbende in beginsel aanspraak maakt op vergoeding van het griffierecht op grond van het overgangsrecht uit een arrest van de Hoge Raad.

De hersteluitspraak is op 24 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Vonk, Kroon en Maas, waarbij Kroon de uitspraak ondertekende in afwezigheid van de voorzitter.

Uitkomst: Het Gerechtshof herstelt de uitspraak door de Staat te veroordelen in proceskosten en bevestigt de immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/413bis

Uitspraak van 24 april 2026 ter herstel van de uitspraak van 31 maart 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: D.A.N. Bartels)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Noordwijk, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
gedaan ter verbetering van de uitspraak van dit Hof van 31 maart 2026, nr. BK-25/413, inzake het hoger beroep van de Heffingsambtenaar en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 april 2025, nummers SGR 23/6491, SGR 23/6492, SGR 23/6493 en SGR 23/6494.

De uitspraak in het hoger beroep

1.1.
Het Hof heeft in deze zaak op 31 maart 2026 uitspraak gedaan. Nadien heeft de Heffingsambtenaar het Hof gewezen op een misslag in het dictum.
1.2.
In het dictum staat vermeld dat het Hof de Heffingsambtenaar veroordeelt in de proceskosten in beroep. Voorts staat in overweging 5.18 van de uitspraak vermeld dat de Rechtbank de Heffingsambtenaar heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze vermeldingen berusten op een misslag. De juiste vermeldingen zijn dat het Hof de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) veroordeelt in de proceskosten in beroep respectievelijk dat de Rechtbank de Minister van Justitie en Veiligheid heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar het oordeel van het Hof is sprake van een kennelijke fout, aangezien uit het dictum van de Rechtbank (zoals aangehaald in overweging 1.3 van de uitspraak) blijkt dat de Rechtbank de Minister van Justitie en Veiligheid had veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (welke beslissing in hoger beroep niet werd bestreden), zodat het Hof dit bestuursorgaan ook in de proceskosten in beroep had dienen te veroordelen. Deze misslag leent zich voor herstel door middel van de onderhavige hersteluitspraak. Herstel van deze misslag brengt het volgende mee.
1.3.
Het dictum van de uitspraak van 31 maart 2026 komt als volgt te luiden:
“Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade;
  • bevestigt de uitspraak op bezwaar; en
  • veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten in beroep, vastgesteld op € 226,75.”
1.4.
Overweging 5.18 van de uitspraak van 31 maart 2026 komt als volgt te luiden:
“5.18. Gelet op de omstandigheid dat het principale hoger beroep van de Heffingsambtenaar gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gegrond is en de uitspraak op bezwaar dient te worden bevestigd, ontvalt voor belanghebbende het recht op proceskostenvergoeding voor de door een derde in de beroepsfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor andere proceshandelingen dan de proceshandeling verzoek om schadevergoeding (zie 5.8) en in beginsel ook het recht op vergoeding van het griffierecht. Aangezien de Rechtbank de Minister van Justitie en Veiligheid heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, hetgeen in hoger beroep niet is bestreden, maakt belanghebbende in beginsel wel aanspraak op een vergoeding van het griffierecht als het overgangsrecht uit het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rechtsoverweging 6.2, van toepassing is.”

Beslissing

Het Gerechtshof herstelt de uitspraak van 31 maart 2026, nr. BK-25/413, op de hiervoor onder 1.3 en 1.4 vermelde wijze.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze hersteluitspraak ondertekend door H.A.J. Kroon.
De griffier, de raadsheer,
J. Azmi Shenouda H.A.J. Kroon
De beslissing is op 24 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.