Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
1. Gezamenlijk gezag
3. Verzorging en Opvoeding
Gerechtshof Den Haag
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin een zorgregeling was vastgesteld voor de minderjarige kinderen na de echtscheiding van de ouders. De moeder verzocht om een ruimere zorgregeling waarbij de kinderen om de week van vrijdag tot zondag bij de vader verblijven, met een gedetailleerde verdeling van vakanties en feestdagen. Tevens verzocht zij voorwaardelijk om eenhoofdig gezag.
De vader voerde aan dat uitbreiding van de zorgregeling niet haalbaar is vanwege zijn medische situatie, waaronder een laesie frontaal met gedragsveranderingen, angstgevoelens en depressie. Het hof heeft de feiten en omstandigheden, waaronder de huidige zorgregeling die goed verloopt, zorgvuldig afgewogen.
Het hof oordeelt dat het niet in het belang van de minderjarigen is om de zorgregeling uit te breiden. De vader voldoet aan de huidige zorgregeling, ondanks zijn beperkingen. Het verzoek tot eenhoofdig gezag wordt afgewezen wegens strijd met de eisen van een goede procesorde, omdat dit verzoek te veel afwijkt van het oorspronkelijke geschil in eerste aanleg.
Het hof wijzigt de zorgregeling licht door het ophaal- en terugbrengmoment op zondag aan te passen en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de zorgregeling met een kleine aanpassing en verklaart het verzoek tot eenhoofdig gezag niet-ontvankelijk.