Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1845

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.346.592/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.5 ARG (oud)Art. 7.7 ARG (oud)Art. 7.24 ARG (oud)Art. 7:611 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vergoeding hulpmiddelen na dienstongeval en uitleg arbeidsvoorwaardenregeling

De zaak betreft een voormalig ambulancemedewerker die in 1998 een dienstongeval kreeg en sindsdien volledig arbeidsongeschikt is. Na zijn eervol ontslag in 2004 ontving hij een aanvullende uitkering en vergoedingen voor hulpmiddelen. Partijen sloten in januari 2023 een vaststellingsovereenkomst over vergoedingen tot die datum.

Het geschil richt zich op de vraag of de appellant na 1 januari 2023 nog aanspraak kan maken op vergoeding van noodzakelijke hulpmiddelen. De appellant baseert zich op een brief van de Gemeente uit 2004 waarin een toezegging zou zijn gedaan. De kantonrechter wees de vordering af en verklaarde dat de aanspraak op vergoeding eindigt bij het bereiken van de AOW-leeftijd.

In hoger beroep betwist de appellant deze uitleg en stelt dat de brief een zelfstandige en ruimere toezegging bevat die niet beperkt is tot de AOW-leeftijd. Het hof overweegt dat de vergoedingsplicht van artikel 7.7 ARG (oud) niet automatisch eindigt bij de AOW-leeftijd en dat de brief van 18 mei 2004 een open einde biedt voor toekomstige kosten. Het hof acht nadere inlichtingen en bewijs nodig en gelast een mondelinge behandeling met het oog op een mogelijke schikking.

Het hof wijst erop dat niet alle gevorderde hulpmiddelen noodzakelijk lijken en dat de appellant de stelplicht en bewijslast draagt. De procedure wordt aangehouden en partijen worden opgeroepen zich goed voor te bereiden en relevante stukken in te brengen.

Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan voor nadere inlichtingen en gelast een mondelinge behandeling met het oog op een mogelijke schikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.346.592/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 10732087 RL EXPL 23-16271
Arrest van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. W. Wallinga, kantoorhoudend in Groningen,
tegen
Gemeente Den Haag(het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Den Haag),
zetelend in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.C.W. de Sauvage Nolting, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en de Gemeente.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] heeft in 1998 als motorrijdende ambulancemedewerker in dienst van de Gemeente een dienstongeval gehad waardoor hij volledig arbeidsongeschikt is geraakt. Hij is vervolgens in 2004 eervol ontslagen. De Gemeente heeft hem een aanvullende uitkering toegekend en heeft aan hem daarnaast nog andere kosten vergoed. Partijen hebben in januari 2023 een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) gesloten. Hierin is vastgelegd dat de Gemeente coulance halve aan [appellant] tot 1 januari 2023 een bepaald bedrag als vergoeding voor hulpmiddelen zal verstrekken.
1.2
Het huidige geschil gaat over de vraag of [appellant] over de periode hierná nog aanspraak heeft op enige vergoeding voor hulpmiddelen. [appellant] vindt van wél en baseert zich hierbij op de brief van de Gemeente van 18 mei 2004, waarin de Gemeente een toezegging daartoe zou hebben gedaan.
1.3
De kantonrechter in de rechtbank heeft de daartoe strekkende vordering van [appellant] afgewezen. Daarnaast heeft de kantonrechter (in reconventie) op vordering van de Gemeente voor recht verklaard dat [appellant] geen aanspraak meer heeft op enige vergoeding van noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging conform artikel 7.7 ARG (oud) vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.
1.4
[appellant] heeft de zaak in volle omvang aan het hof voorgelegd. Het hof heeft nadere inlichtingen nodig. Daarom gelast het hof een meervoudige mondelinge behandeling, waarbij het hof ook zal proberen om een schikking te bereiken.
Procesverloop in hoger beroep
1.5
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 2 mei 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 6 maart 2024;
  • de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van de Gemeente, met bijlagen;
  • de akte van [appellant] ter nadere uiteenzetting na memorie van antwoord;
  • de antwoordakte van de Gemeente.

2.Feitelijke achtergrond

2.1
[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1955, is van 1 september 1978 tot 1 april 2004 in dienst geweest van de Gemeente. Op de rechtsverhouding tussen partijen was onder meer de toenmalige Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (hierna: ARG, oud) van toepassing
2.2
Artikel 7.5 ARG (oud) luidt:
“1. Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WAO- uitkering wordt bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst een aanvullende uitkering verleend.2. (….)Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid.”
2.3
Artikel 7.7 ARG (oud) luidt:

l. Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.2. Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven
2.4
[appellant] is op 22 juli 1998 als ambulanceverpleegkundige in dienst van de Gemeente betrokken geraakt bij een verkeersongeval met een derde waardoor hij volledig arbeidsongeschikt is geworden. Dit ongeval is aangemerkt als een dienstongeval. Hij is per 1 april 2004 eervol uit de dienst ontslagen.
2.5
Op 10 mei 2004 heeft tussen [appellant] en medewerkers van de Gemeente ( [naam 1] en [naam 2] ) een gesprek plaatsgevonden. Bij brief van 18 mei 2004 heeft [naam 3] , destijds Hoofd Personeel en Organisatie bij de Gemeente, aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:
“(…)Aangezien wij uw uitkering bij een gelijkblijvende arbeidsongeschiktheidssituatie tot aan uw pensioengerechtigde leeftijd aanvullen tot een niveau van 95% van uw laatstgenoten salaris, is het van belang dat u ons informeert over elke wijziging van uw arbeidsongeschiktheidsaanspraken.(…)Zoals al eerder aangegeven, ontvangt u vanaf 1 april jl. iedere maand onkostenvergoedingen voor de premieverhoging ziektekostenverzekering, voor het eigen risico wat u aan fysiotherapie besteedt, en voor de kosten van het abonnement voor de sportschool. Afgesproken is dat u één keer per jaar (per l april) én bij wijzigingen van de bedragen bewijsstukken zal overleggen.(...)Voor toekomstige kosten voortvloeiende uit het dienstongeval geldt het volgende. Indien uw eigen verzekering of de AWBZ[hof: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, een wet voor langdurige en intensieve zorg, opgeheven in 2015 en vervangen door onder meer de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)]
deze kosten niet vergoedt, kunt u uw declaratie bij ons indienen. Wij zullen deze declaratie beoordelen (uiteraard in overleg met onze medisch adviseur) en beslissen of tot betaling zal worden overgegaan.(…)Tenslotte heeft u een berekening eigen bijdrage Wvg[hof: Wet voorziening gehandicapten (thans Wmo)]
overlegd in verband met de aanvraag voor een scootmobiel. Indien deze aanvraag wordt toegewezen, kunt u de voor u geldende eigen bijdrage van€ 3.369,42 bij de dienst declareren. Ik verzoek u in dat geval de benodigde stukken te overleggen.(…)”
2.6
De Gemeente heeft aan [appellant] bij besluit van 14 september 2004 op grond van artikel 7.5 van de ARG (oud) een aanvullende uitkering toegekend (kort gezegd tot 95% van het laatstverdiende salaris). Het recht hierop is geëindigd bij het bereiken van de AOW-leeftijd door [appellant] op 9 november 2021.
2.7
De Gemeente heeft in 2021 bij [appellant] , die inmiddels in Duitsland woonde, navraag gedaan over mogelijke voorzieningen in Duitsland. Bij e-mail van 26 november 2021 heeft de Gemeente aan de gemachtigde van [appellant] laten weten:
“Bedankt voor uw bericht en de nadere informatie.Op basis hiervan stellen wij vast dat uw cliënt niet voor vergoeding van medisch noodzakelijke hulpmiddelen op grond van zijn verzekering dan wel een andere regeling in Duitsland in aanmerking komt.Dit betekent dat wij een medisch adviseur zullen inschakelen die een oordeel kan geven over de vraag welke hulpmiddelen ten gevolge van het ongeval medisch noodzakelijk zijn en dus voor vergoeding op grond van artikel 7:7 van Pro de ARG (oud) in aanmerking komen. (…)”
2.8
Partijen hebben in januari 2023 een VSO gesloten. Hierin is onder meer opgenomen:
“Vergoeding:1.1 Voormalig werkgever zal aan voormalig werknemer uit coulance een vergoedingsbedrag uitkeren ter hoogte van € 22.000,- netto, (…)1.2 Het vergoedingsbedrag bestaat uit de volgende onderdelen:- de aanschaf van hulpmiddelen in het verleden betreffende een opvouwbare scootmobiel en twee sta-op stoelen voor € 3.000,- netto;- vervanging van de bestaande douche-föhninstallatie inclusief montage WC VAmat voor € 3.760,- netto;- een elektrische rolstoel voor € 11.286,- netto;- een sta-op massage stoel voor € 2.000,- netto;- een trippelstoel voor € 1.275,- netto;- een bed papegaai voor € 262,- netto.Het bedrag is afgerond naar € 22.000,-netto.
(…)
3.4
Deze overeenkomst vormt de volledige weergave van alle tussen partijen gemaakte afspraken met betrekking tot het vergoeden van hulpmiddelen als gevolg van het ongeval dat heeft geleid tot de arbeidsongeschiktheid van voormalig werknemer tot aan 1 januari 2023.”
2.9
Bij e-mail van 31 mei 2023 heeft de gemachtigde van [appellant] bij de Gemeente een
verzoek ingediend tot vergoeding van negen verschillende hulpmiddelen dan wel diensten, te weten:
1. Rolstoel aangepaste auto, VW Multivan (€ 100.000)
2. Elektrische 3-Wielfiets (€ 5.550)
3. WC-douche-föhn installatie 1e etage (€ 3.760)
4. Badlift (€ 250)
5. Traplift/huislift (€ 5.000 - € 7.000)
6. Rolstoel voor 1e etage (€ 500)
7. Tweepersoons Hooglaag bed Batavia Boxsprings (€ 8.000)
8. Huishoudelijke hulp 10 uur per week (€ 20,00pu)
9. Tuinman 8 uur per week (€ 50,00).
2.1
De Gemeente heeft bij e-mail van 6 juni 2023 dit verzoek afgewezen. In deze mail staat onder meer het volgende:
“Van aansprakelijkheid conform artikel 7:611 BW Pro is geen sprake. (...) Wel is ten aanzien van uw client arbeidsongeschiktheid in en door de dienst vastgesteld (...). Deze vaststelling (...) is geen 'algemene erkenning van aansprakelijkheid’, hetgeen ook niet is geregeld in de oude rechtspositieregeling dan wel de huidige cao. De vaststelling van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst heeft tot gevolg dat een aantal bepalingen in de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Den Haag (oud) (...) van toepassing zijn. In het kader van de eerder afgesloten VSO hebben wij coulancehalve de discussie of de verschillende hulpmiddelen daadwerkelijk gezien kunnen worden als noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige verzorging losgelaten. (...)”

3.Procedure bij de kantonrechter in de rechtbank

3.1
[appellant] heeft de Gemeente gedagvaard en heeft (samengevat) en uitvoerbaar bij voorraad (in conventie) gevorderd:
primair:een verklaring voor recht dat de Gemeente gehouden is de kosten van hulpmiddelen, ondersteunende diensten en overige kosten [hof: genoemd in overweging 2.9 van dit arrest] die [appellant] in verband met zijn lichamelijke beperkingen als gevolg van zijn dienstongeval nodig heeft (die niet door zijn verzekeraar of vanuit de AWBZ worden vergoed) te vergoeden en de Gemeente te veroordelen om deze bedragen aan hem betaalbaar te stellen. Het gaat om hetgeen [appellant] , tevergeefs, heeft verzocht in zijn brief van 31 mei 2023 (zie hiervoor, 2.9).
subsidiair:benoeming van een deskundige die de aanvraag voor vervanging van en aanschaf van nieuwe hulpmiddelen beoordeelt op grond van het besluit van 18 mei 2004, althans op grond van artikel 7.7 en 7.24 (oud) ARG en de Gemeente veroordeelt om het door deze deskundige becijferde bedrag aan kosten van (vervanging en vernieuwing) van hulpmiddelen, ondersteunende diensten en overige kosten die [appellant] in verband met zijn lichamelijke beperkingen als gevolg van het dienstongeval nodig heeft (die niet door de verzekeraar van [appellant] of vanuit de AWBZ worden vergoed) aan [appellant] te vergoeden;
primair en subsidiair:
veroordeling van de Gemeente tot betaling van een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3.2
Aan zijn vordering heeft [appellant] het volgende ten grondslag gelegd. De Gemeente is gehouden de kosten van hulpmiddelen, ondersteunende diensten, en overige kosten die [appellant] in verband met zijn lichamelijke beperkingen nodig heeft als gevolg van het dienstongeval te vergoeden. Dit volgt uit de brief van 18 mei 2004, die [appellant] als een besluit dan wel een onvoorwaardelijke zelfstandige toezegging aanmerkt. Volgens [appellant] is het besluit van 18 mei 2004 een nadere uitwerking van art. 7.7 ARG (oud). Partijen hebben volgens [appellant] meer willen regelen dan wat in art. 7.7 ARG (oud) staat. Subsidiair stelt [appellant] voor dat een deskundige wordt benoemd die de aanvraag voor vervanging van en aanschaf van nieuwe hulpmiddelen beoordeelt op grond van de brief van 18 mei 2004, dan wel op grond van artikel 7.7 en 7.24 ARG (oud).
3.3
De Gemeente heeft (in reconventie) gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [appellant] geen aanspraak meer heeft op vergoeding van noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging conform artikel 7.7 van de ARG (oud), vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.
3.4
De Gemeente heeft hieraan ten grondslag gelegd dat artikel 7.7 ARG (oud) betrekking heeft op voorzieningen die van toepassing zijn wanneer een (oud) ambtenaar arbeidsongeschikt is in en door de dienst. Arbeidsongeschiktheid betekent dat iemand door ziekte niet in staat is om beroepsarbeid te verrichten. Vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd behoeft een (oud)ambtenaar geen beroepsarbeid meer te verrichten. Hierdoor is de aanvullende uitkering waarop [appellant] recht had op grond van artikel 7.5 ARG (oud) ook gestopt bij het bereiken van deze leeftijd.
3.5
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Volgens de kantonrechter was er geen aanleiding om een ruimere uitleg te geven aan de brief van 18 mei 2004 dan aan het bepaalde in artikel 7.7 ARG (oud), nog los van het feit dat deze brief niet de status heeft van een beschikking of besluit. De kantonrechter heeft daarom buiten beschouwing gelaten dat niet duidelijk is of [appellant] , die in Duitsland woont, daar aanspraak kan maken op regelingen vergelijkbaar met de AWBZ, de Wvg of de Wmo. Indien [appellant] in Nederland was blijven wonen zou hij mogelijk recht hebben gehad op vergoeding van hulpmiddelen op grond van deze regelingen.
3.6
De kantonrechter is van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat de kosten die hij thans claimt (kosten gemaakt na het sluiten van de VSO) betrekking hebben op geneeskundige behandeling of verzorging, zoals bedoeld in art. 7.7 ARG (oud). Na het bereiken van de AOW-leeftijd kan [appellant] in ieder geval geen aanspraak meer maken op vergoedingen op grond van artikel 7.7 ARG (oud) omdat hij vanaf die leeftijd geen beroepsarbeid meer hoeft te verrichten. Daarom wordt de reconventionele vordering van de Gemeente toegewezen, aldus nog steeds de kantonrechter.

4.Vorderingen en grieven in hoger beroep

4.1
[appellant] vordert hetzelfde als bij de kantonrechter.
4.2
De grieven van [appellant] bevatten klachten (1 en 3) over de te beperkte uitleg van de brief van 18 mei 2004, (2) het miskennen van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, (4) de onjuistheid van het oordeel dat [appellant] na het bereiken van de AOW-leeftijd geen recht meer heeft op vergoeding van hulpmiddelen, (5) de afwijzing van de vorderingen van [appellant] , (6) de toewijzing van de vordering van de Gemeente en (7) de veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

5.Beoordeling, in hoger beroep

5.1
De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In de kern bevatten ze klachten over het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] na 1 januari 2023 (tot welke datum in de VSO afspraken zijn gemaakt) geen aanspraak meer heeft op vergoeding door de Gemeente van noodzakelijke kosten, voortvloeiend uit het dienstongeval op 22 juli 1998. Volgens [appellant] miskent de kantonrechter hiermee de zelfstandige en ruimere toezeggingen in de brief van 18 mei 2004, welke toezeggingen niet volledig overlappen met artikel 7.7 ARG (oud). In de brief wordt de vergoeding niet gekoppeld aan de AOW gerechtigde leeftijd. De brief van 18 mei 2004 kan worden gezien als een invulling van de discretionaire bevoegdheid van lid 2 van artikel 7.7 ARG (oud), aldus nog steeds [appellant] .
5.2
De Gemeente betwist dat zij in de brief bindende toezeggingen heeft gedaan over een ruimere vergoedingsregeling dan die van artikel 7.7 ARG (oud). In de brief zijn slechts procedurele toezeggingen gedaan over een mogelijkheid om toekomstige kosten te declareren waarna de Gemeente zich verplicht die declaraties te beoordelen (met behulp van een deskundige). Anders dan [appellant] stelt, is de brief bovendien geen beschikking in de zin van de Awb, terwijl geen sprake is van juridisch bindende toezeggingen. Zo over het voorgaande anders zou worden geoordeeld, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om de Gemeente hieraan te houden, gelet op de aangeboden en geaccepteerde oplossing en het belang van een doelmatige besteding van publieke gelden. Daarnaast blijft de Gemeente bij haar standpunt dat de vergoedingsplicht op grond van artikel 7.7 ARG (oud) vervalt wanneer de (gewezen) ambtenaar de AOW-leeftijd bereikt.
Artikel 7.7 ARG (oud)
5.3
Het hof is voorshands van oordeel dat de vergoedingsplicht van artikel 7.7 ARG (oud) niet automatisch eindigt bij het bereiken van de AOW-leeftijd. Anders dan expliciet is vermeld in artikel 7.5 ARG (oud) omtrent het einde van de suppletieplicht, namelijk bij het stoppen van de WAO-uitkering (in dit geval wegens het bereiken van de AOW-leeftijd), ontbreekt bij artikel 7.7 ARG (oud) een verwijzing naar het einde van deze vergoedingsplicht. Bovendien ligt beëindiging ervan op die leeftijd niet voor de hand. Arbeidsongeschiktheid heeft immers niet alleen gevolgen voor het vermogen om beroepsarbeid te verrichten, maar ook voor het dagelijks kunnen functioneren. De met dit laatste verband houdende noodzakelijke kosten voor geneeskundige behandeling of verzorging verdwijnen niet louter door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
5.4
Voordat het hof echter over dit aspect definitief zal oordelen, wenst het hof eerst kennis te nemen van de volledige tekst van de toepasselijke ARG (oud). Het hof zal de Gemeente als meest gerede partij vragen om deze tekst in het geding te brengen.
De brief van 18 mei 2004
5.5
In het verlengde hiervan leest het hof in de brief van 18 mei 2004 (met toepassing van de Haviltexmaatstaf) méér dan alleen een declaratieafspraak. De Gemeente (in de persoon van het toenmalige Hoofd Personeel en Organisatie) heeft immers in deze brief
zonder enig voorbehoud in tijdaan [appellant] de mogelijkheid geboden om toekomstige kosten, voortvloeiende uit het dienstongeval, te declareren bij de Gemeente. Deze brief bevat dus ten aanzien van toekomstige kosten een open einde. Een aanwijzing voor dit open einde is ook te vinden in de in de brief genoemde uitzondering van mogelijke vergoeding via de eigen verzekering of de AWBZ, welke voorziening juist niet stopt bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar doorloopt.
5.6
Mocht de Gemeente wél een beperking in tijd hebben willen maken, dan had verwacht en gevergd mogen worden dat de Gemeente dit expliciet had vastgelegd in de brief. De Gemeente heeft dit immers wél gedaan bij haar toezegging in de brief om de uitkering tot 95% aan te vullen
tot de pensioengerechtigde leeftijd.Hoe dan ook heeft [appellant] redelijkerwijs mogen begrijpen dat de Gemeente zijn kosten die voortvloeien uit het dienstongeval ook na zijn AOW-leeftijd zou blijven vergoeden.
5.7
Zoals [appellant] blijkens zijn vordering erkent, moet het wel gaan om ‘noodzakelijke kosten’ die ten laste van [appellant] komen en voortvloeien uit het ongeval. [appellant] betoogt, zoals gezegd, in dit verband nog dat de brief van 18 mei 2004 een invulling vormt van de discretionaire bevoegdheid van lid 2 van artikel 7.7 ARG (oud), welk tweede lid verwijst naar het eerste lid van artikel 7.7 ARG (oud) dat gaat over deze kosten.
Tussenconclusie
5.8
Uit het voorgaande volgt dat [appellant] in beginsel ook na 2023 nog aanspraak heeft op vergoeding van noodzakelijke, te zijner laste komende, uit het ongeval voortvloeiende, kosten voor medische behandeling en verzorging, met wel de restrictie dat [appellant] alleen de kosten kan claimen die niet door zijn eigen verzekering, de AWBZ of wetten die daarvoor in de plaats zijn getreden zoals de Wlz en de Wmo dan wel anderszins, bijvoorbeeld door vergelijkbare Duitse regelingen, worden vergoed. Het is het hof onvoldoende duidelijk om welke kosten (en tot welke omvang) het gaat. Op [appellant] als eisende partij ligt de stelplicht en bij betwisting de bewijslast hiervan. Niet uitgesloten kan worden dat opnieuw medisch onderzoek moet plaatsvinden.
5.9
Afhankelijk van de uitkomsten hiervan, moet het hof alsdan nog beslissen over het verweer van de Gemeente in 3.11 en 3.12 memorie van antwoord, inhoudende dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de Gemeente aan een ruimer beoordelingskader te houden.
5.1
Het hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen en zal daarom een mondelinge behandeling gelasten om de kwestie te bespreken. Tevens zal een schikking worden beproefd.
5.11
Het hof verzoekt partijen om zich grondig op deze mondelinge behandeling voor te bereiden en om, indien gewenst, voorafgaande hieraan nadere bewijsstukken te verzamelen en in het geding te brengen.
5.12
Om partijen nader inzicht te geven in de voorlopige gedachtegang van het hof wijst het hof op het volgende:
Het hof streeft er naar om een definitieve regeling tegen finale kwijting te bereiken. Het hof is zich ervan bewust dat de toekomst onzekerheden met zich meebrengt. Daar staat tegenover dat het in het belang is van beide partijen dat aan de onzekerheid definitief een einde komt. Bovendien kan ook onzekerheid – deze werkt beide kanten uit – op een geldbedrag worden gewaardeerd.
Hier komt bij dat, gelet op de leeftijd van [appellant] , causaliteitsvragen ingewikkelder worden. Het zal immers bij het vorderen van de jaren moeilijker worden om een onderscheid te maken tussen beperkingen die door het ongeval zijn veroorzaakt en die met de leeftijd van [appellant] samenhangen.
Niet elk hulpmiddel dat [appellant] wenselijk acht is ook noodzakelijk.
De gevorderde ‘rolstoel aangepaste Volkswagen Multivan’ van € 100.000 komt het hof buitensporig voor en lijkt op het eerste gezicht niet te voldoen aan de criteria van artikel 7.7 ARG (oud) en de brief van 18 mei 2004.
Ook de gevorderde vergoeding van huishoudelijke hulp en tuinman lijken gelet op het criterium ‘voortvloeiend uit het dienstongeval’ niet aan deze maatstaven te voldoen en kunnen bovendien in verband worden gebracht met het klimmen der jaren.
Omtrent de andere posten die [appellant] vordert, kan het hof nog geen (voorlopig) oordeel geven. Daarvoor zijn verdere inlichtingen en onderzoek nodig.
Het hof verzoekt [appellant] , met verwijzing naar overweging 5.8, om
concreet en onderbouwdtoe te lichten of en in hoeverre hij thans op grond van zijn verzekering, de Wlz en/of de Wmo dan wel anderszins, bijvoorbeeld op grond van vergelijkbare Duitse regelingen, al dan niet aanspraak kan maken op vergoeding van de betreffende kosten.
De Gemeentemoet ter comparitie aanwezig zijn in de persoon van iemand die bevoegd is om een regeling te treffen (desnoods onder voorbehoud van toestemming door het bevoegd gezag).
Ook de aanwezigheid van
[appellant]acht het hof dringend gewenst. Alhoewel het hof zich ervan bewust is dat reizen voor [appellant] niet eenvoudig is, verwacht het hof dat [appellant] (als eisende partij) al het mogelijke zal doen om in persoon te verschijnen (het PvJ is toegankelijk voor rolstoelen).
Het hof streeft er naar om de mondelinge behandeling in het najaar 2026 te houden. Voor de mondelinge behandeling zal extra tijd worden uitgetrokken. Voor details wijst het hof naar het dictum.
Tot slot verzoekt het hof
de Gemeente(als meest gerede partij) om de volledige tekst van de toenmalige ARG (oud) tijdig (digitaal) aan het hof en de wederpartij toe te zenden.
5.13
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

6.Beslissing

Het hof:
- beveelt partijen in persoon,
de Gemeente deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is om een schikking aan te gaan, samen met hun raadslieden, voor doeleinden (en overeenkomstig de aanwijzingen genoemd in overwegingen 5.10 e.v.), te verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof (voor onderstaande raadsheren) in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag, en wel op
maandag 5 oktober 2026 om 13.30 uur (met uitloop tot uiterlijk 16.00 uur);
  • bepaalt dat uitstel van deze mondelinge behandeling eenmaal zal worden verleend, indien daarom, onder opgave van verhinderdata van beide partijen (in de periode half september tot half december 2026) ,
  • verzoekt de Gemeente om de volledige tekst van de toenmalige ARG (oud)
- bepaalt dat partijen de bescheiden waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, zullen overleggen door deze
uiterlijk twee weken vóór de mondelinge behandelingaan de griffie handel en aan de wederpartij te zenden;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Th.G. Lautenbach, B.J. Lenselink en R.M. Hermans
en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.