Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
- de dagvaarding van 2 mei 2024, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 6 maart 2024;
- de memorie van grieven van [appellant] , met bijlagen;
- de memorie van antwoord van de Gemeente, met bijlagen;
- de akte van [appellant] ter nadere uiteenzetting na memorie van antwoord;
- de antwoordakte van de Gemeente.
2.Feitelijke achtergrond
“1. Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WAO- uitkering wordt bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst een aanvullende uitkering verleend.2. (….)Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid.”
“
l. Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.2. Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven
“(…)Aangezien wij uw uitkering bij een gelijkblijvende arbeidsongeschiktheidssituatie tot aan uw pensioengerechtigde leeftijd aanvullen tot een niveau van 95% van uw laatstgenoten salaris, is het van belang dat u ons informeert over elke wijziging van uw arbeidsongeschiktheidsaanspraken.(…)Zoals al eerder aangegeven, ontvangt u vanaf 1 april jl. iedere maand onkostenvergoedingen voor de premieverhoging ziektekostenverzekering, voor het eigen risico wat u aan fysiotherapie besteedt, en voor de kosten van het abonnement voor de sportschool. Afgesproken is dat u één keer per jaar (per l april) én bij wijzigingen van de bedragen bewijsstukken zal overleggen.(...)Voor toekomstige kosten voortvloeiende uit het dienstongeval geldt het volgende. Indien uw eigen verzekering of de AWBZ[hof: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, een wet voor langdurige en intensieve zorg, opgeheven in 2015 en vervangen door onder meer de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)]
deze kosten niet vergoedt, kunt u uw declaratie bij ons indienen. Wij zullen deze declaratie beoordelen (uiteraard in overleg met onze medisch adviseur) en beslissen of tot betaling zal worden overgegaan.(…)Tenslotte heeft u een berekening eigen bijdrage Wvg[hof: Wet voorziening gehandicapten (thans Wmo)]
overlegd in verband met de aanvraag voor een scootmobiel. Indien deze aanvraag wordt toegewezen, kunt u de voor u geldende eigen bijdrage van€ 3.369,42 bij de dienst declareren. Ik verzoek u in dat geval de benodigde stukken te overleggen.(…)”
“Bedankt voor uw bericht en de nadere informatie.Op basis hiervan stellen wij vast dat uw cliënt niet voor vergoeding van medisch noodzakelijke hulpmiddelen op grond van zijn verzekering dan wel een andere regeling in Duitsland in aanmerking komt.Dit betekent dat wij een medisch adviseur zullen inschakelen die een oordeel kan geven over de vraag welke hulpmiddelen ten gevolge van het ongeval medisch noodzakelijk zijn en dus voor vergoeding op grond van artikel 7:7 van Pro de ARG (oud) in aanmerking komen. (…)”
“Vergoeding:1.1 Voormalig werkgever zal aan voormalig werknemer uit coulance een vergoedingsbedrag uitkeren ter hoogte van € 22.000,- netto, (…)1.2 Het vergoedingsbedrag bestaat uit de volgende onderdelen:- de aanschaf van hulpmiddelen in het verleden betreffende een opvouwbare scootmobiel en twee sta-op stoelen voor € 3.000,- netto;- vervanging van de bestaande douche-föhninstallatie inclusief montage WC VAmat voor € 3.760,- netto;- een elektrische rolstoel voor € 11.286,- netto;- een sta-op massage stoel voor € 2.000,- netto;- een trippelstoel voor € 1.275,- netto;- een bed papegaai voor € 262,- netto.Het bedrag is afgerond naar € 22.000,-netto.
(…)
3.4
Deze overeenkomst vormt de volledige weergave van alle tussen partijen gemaakte afspraken met betrekking tot het vergoeden van hulpmiddelen als gevolg van het ongeval dat heeft geleid tot de arbeidsongeschiktheid van voormalig werknemer tot aan 1 januari 2023.”
verzoek ingediend tot vergoeding van negen verschillende hulpmiddelen dan wel diensten, te weten:
1. Rolstoel aangepaste auto, VW Multivan (€ 100.000)
2. Elektrische 3-Wielfiets (€ 5.550)
3. WC-douche-föhn installatie 1e etage (€ 3.760)
4. Badlift (€ 250)
5. Traplift/huislift (€ 5.000 - € 7.000)
6. Rolstoel voor 1e etage (€ 500)
7. Tweepersoons Hooglaag bed Batavia Boxsprings (€ 8.000)
8. Huishoudelijke hulp 10 uur per week (€ 20,00pu)
9. Tuinman 8 uur per week (€ 50,00).
“Van aansprakelijkheid conform artikel 7:611 BW Pro is geen sprake. (...) Wel is ten aanzien van uw client arbeidsongeschiktheid in en door de dienst vastgesteld (...). Deze vaststelling (...) is geen 'algemene erkenning van aansprakelijkheid’, hetgeen ook niet is geregeld in de oude rechtspositieregeling dan wel de huidige cao. De vaststelling van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst heeft tot gevolg dat een aantal bepalingen in de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Den Haag (oud) (...) van toepassing zijn. In het kader van de eerder afgesloten VSO hebben wij coulancehalve de discussie of de verschillende hulpmiddelen daadwerkelijk gezien kunnen worden als noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige verzorging losgelaten. (...)”
3.Procedure bij de kantonrechter in de rechtbank
primair:een verklaring voor recht dat de Gemeente gehouden is de kosten van hulpmiddelen, ondersteunende diensten en overige kosten [hof: genoemd in overweging 2.9 van dit arrest] die [appellant] in verband met zijn lichamelijke beperkingen als gevolg van zijn dienstongeval nodig heeft (die niet door zijn verzekeraar of vanuit de AWBZ worden vergoed) te vergoeden en de Gemeente te veroordelen om deze bedragen aan hem betaalbaar te stellen. Het gaat om hetgeen [appellant] , tevergeefs, heeft verzocht in zijn brief van 31 mei 2023 (zie hiervoor, 2.9).
subsidiair:benoeming van een deskundige die de aanvraag voor vervanging van en aanschaf van nieuwe hulpmiddelen beoordeelt op grond van het besluit van 18 mei 2004, althans op grond van artikel 7.7 en 7.24 (oud) ARG en de Gemeente veroordeelt om het door deze deskundige becijferde bedrag aan kosten van (vervanging en vernieuwing) van hulpmiddelen, ondersteunende diensten en overige kosten die [appellant] in verband met zijn lichamelijke beperkingen als gevolg van het dienstongeval nodig heeft (die niet door de verzekeraar van [appellant] of vanuit de AWBZ worden vergoed) aan [appellant] te vergoeden;
primair en subsidiair:
veroordeling van de Gemeente tot betaling van een bedrag van € 925,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
4.Vorderingen en grieven in hoger beroep
5.Beoordeling, in hoger beroep
De brief van 18 mei 2004
zonder enig voorbehoud in tijdaan [appellant] de mogelijkheid geboden om toekomstige kosten, voortvloeiende uit het dienstongeval, te declareren bij de Gemeente. Deze brief bevat dus ten aanzien van toekomstige kosten een open einde. Een aanwijzing voor dit open einde is ook te vinden in de in de brief genoemde uitzondering van mogelijke vergoeding via de eigen verzekering of de AWBZ, welke voorziening juist niet stopt bij het bereiken van de pensioenleeftijd maar doorloopt.
tot de pensioengerechtigde leeftijd.Hoe dan ook heeft [appellant] redelijkerwijs mogen begrijpen dat de Gemeente zijn kosten die voortvloeien uit het dienstongeval ook na zijn AOW-leeftijd zou blijven vergoeden.
concreet en onderbouwdtoe te lichten of en in hoeverre hij thans op grond van zijn verzekering, de Wlz en/of de Wmo dan wel anderszins, bijvoorbeeld op grond van vergelijkbare Duitse regelingen, al dan niet aanspraak kan maken op vergoeding van de betreffende kosten.
[appellant]acht het hof dringend gewenst. Alhoewel het hof zich ervan bewust is dat reizen voor [appellant] niet eenvoudig is, verwacht het hof dat [appellant] (als eisende partij) al het mogelijke zal doen om in persoon te verschijnen (het PvJ is toegankelijk voor rolstoelen).
de Gemeente(als meest gerede partij) om de volledige tekst van de toenmalige ARG (oud) tijdig (digitaal) aan het hof en de wederpartij toe te zenden.
6.Beslissing
de Gemeente deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is om een schikking aan te gaan, samen met hun raadslieden, voor doeleinden (en overeenkomstig de aanwijzingen genoemd in overwegingen 5.10 e.v.), te verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof (voor onderstaande raadsheren) in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag, en wel op
maandag 5 oktober 2026 om 13.30 uur (met uitloop tot uiterlijk 16.00 uur);
- bepaalt dat uitstel van deze mondelinge behandeling eenmaal zal worden verleend, indien daarom, onder opgave van verhinderdata van beide partijen (in de periode half september tot half december 2026) ,
- verzoekt de Gemeente om de volledige tekst van de toenmalige ARG (oud)
uiterlijk twee weken vóór de mondelinge behandelingaan de griffie handel en aan de wederpartij te zenden;
en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.