Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1844

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
200.336.943/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over bewijs van onvoorwaardelijke beloningsvergoeding bij financiering Delft Village

Appellanten hebben geïntimeerde benaderd voor financiering van het project Delft Village, waarbij een vergoeding van €100.000 per persoon werd geclaimd. Het geschil betrof de vraag of deze vergoeding onvoorwaardelijk was toegezegd.

Na een tussenarrest en getuigenverhoren heeft het hof de bewijswaardering verricht. Getuigenverklaringen waren tegenstrijdig en onvoldoende overtuigend om de onvoorwaardelijke beloningsafspraak vast te stellen. Appellanten konden niet overtuigend aantonen dat de vergoeding niet afhankelijk was gesteld van een positief projectresultaat.

Het hof oordeelde dat de verklaringen van de getuigen die de voorwaarde van winstgevendheid noemden, niet zonder meer ongeloofwaardig konden worden geacht, terwijl de verklaringen van appellanten onvoldoende bewijs boden. Hierdoor faalde het bewijs en werd het hoger beroep afgewezen.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Den Haag en veroordeelde appellanten in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een onvoorwaardelijke beloningsvergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.336.943/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/635149 / HA ZA 22-780
Arrest van 9 juni 2026
in de zaak van

1.[appellant] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

2. [appellant 2] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

3. [appellant 3] ,

wonende in [woonplaats 2] ,
appellanten,
advocaat: mr. T.M. van Dijk, kantoorhoudende in ‘s-Gravenhage,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. H.J. Roozekrans, kantoorhoudende in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] , [appellant 2] , [appellant 3] en [geïntimeerde] . De drie appellanten gezamenlijk zullen [appellant] c.s. worden genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1
[appellant] c.s. hebben [geïntimeerde] benaderd om een door hen bedacht plan – de ontwikkeling van ‘Delft Village’ met huizen gemodelleerd naar de bekende ‘KLM-huisjes’ – te financieren. [geïntimeerde] heeft zich daartoe bereid verklaard. Tijdens de samenwerking is tussen partijen een geschil ontstaan over de aan [appellant] c.s. toekomende vergoeding. Bij tussenarrest van 12 augustus 2025 heeft het hof een bewijsopdracht gegeven aan [appellant] c.s. , waarna getuigen zijn gehoord.
1.2
In dit arrest komt het hof tot een bewijswaardering; het hof acht [appellant] c.s. niet geslaagd in het leveren van het aan hen opgedragen bewijs.

2.Het verdere procesverloop in hoger beroep

2.1
In deze zaak heeft het hof op 12 augustus 2025 een tussenarrest (hierna: het tussenarrest) gewezen. Het procesverloop tot aan het tussenarrest is weergegeven in het tussenarrest.
2.2
Ter uitvoering van het tussenarrest heeft een getuigenverhoor plaatsgehad op 28 november 2025. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. [appellant] c.s. hebben daarna een memorie na enquête ingediend. [geïntimeerde] heeft vervolgens nog een memorie van antwoord na enquête ingediend.

3.De verdere beoordeling in hoger beroep

3.1
In het tussenarrest heeft het hof [appellant] c.s. toegelaten tot het leveren van (nader) bewijs van hun stelling dat op 30 oktober 2015, respectievelijk 2 november 2015, een beloningsafspraak tussen partijen is overeengekomen, die inhoudt dat [geïntimeerde] aan [appellant] c.s. per persoon (onvoorwaardelijk) een bedrag van € 100.000,00, te vermeerderen met btw, zal betalen.
3.2
Ter uitvoering van deze bewijsopdracht zijn (op verzoek van [appellant] c.s. ) achtereenvolgens de volgende getuigen gehoord:
1. [naam 4]
2. [naam 5]
3. [appellant 3]
3.3
Voor de inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen verwijst het hof naar het desbetreffende proces-verbaal.
3.4
Het hof acht [appellant] c.s. niet geslaagd in het leveren van het aan hen opgedragen bewijs en licht dat als volgt toe.
3.5
[naam 4] en [naam 5] hebben beiden verklaard dat tijdens het gesprek [appellant] c.s. met [geïntimeerde] op 30 oktober 2015 door [geïntimeerde] is voorgesteld/besproken dat bij een positief projectresultaat van 600k er 300k beschikbaar zou zijn voor [appellant] c.s.
3.6
[appellant 3] heeft verklaard dat [appellant] c.s. door [geïntimeerde] ‘een ton’ is aangeboden, zonder dat daarbij de voorwaarde van een positief projectresultaat is gesteld. [appellant] ging daar in eerste instantie niet mee akkoord. [appellant 3] heeft op de maandag na het gesprek [geïntimeerde] gebeld en gezegd dat zij alle drie akkoord gingen met het voorstel. Vervolgens werd een conceptovereenkomst ontvangen van [naam 6] , waarin de voorwaarde van 600k winst was toegevoegd. [appellant 3] heeft daarop [naam 6] gebeld en gezegd dat dit niet de afspraak was.
3.7
Vastgesteld wordt dat de verklaringen van [naam 4] en [naam 5] enerzijds en van [appellant 3] niet met elkaar zijn te rijmen. Wie naar waarheid heeft verklaard valt niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen.
3.8
[appellant] c.s. hebben naar voren gebracht dat [naam 4] en [naam 5] niet kunnen worden geloofd omdat zij geen onafhankelijke getuigen zijn. Juist is dat zowel [naam 4] als [naam 5] zakelijk aan [geïntimeerde] gelieerd is. Daar staat tegenover dat [appellant 3] ook geen onafhankelijke getuige is, maar partij in dit geschil.
3.9
Verder hebben [appellant] c.s. onder meer erop gewezen dat het niet voor de hand ligt dat destijds door [geïntimeerde] als voorwaarde – voor een vergoeding – is gesteld dat het project 600k winst zou moeten maken, omdat:
  • de rekenmodellen uitgingen van een kostenneutrale realisatie (geen winst);
  • [naam 6] op 22 oktober 2015 (acht dagen voor de bespreking) heeft aangegeven dat het heel aannemelijk is dat het project niet winstgevend zou zijn;
  • [naam 6] dat ook onder ede heeft herhaald;
  • [geïntimeerde] ook zelf daarvan is uitgegaan; en
  • het bedrag van 100k al was aangeboden als een mogelijke korting op een te kopen appartement (niet winstafhankelijk), terwijl [geïntimeerde] zelf de hele tijd de nadruk legde op het ideële karakter van het project.
3.1
Deze omstandigheden kunnen slechts in geringe mate gewicht in de schaal leggen voor [appellant] c.s. Redengevend daarvoor is dat [appellant] c.s. [geïntimeerde] hebben benaderd als een financier zonder winstoogmerk, om iets te doen voor de stad. In zoverre is ook op voorhand niet ongeloofwaardig te achten dat [geïntimeerde] als eis aan [appellant] c.s. heeft gesteld dat hij aan hen pas een vergoeding zou hoeven te betalen, indien het project winst zou maken. Dat het wellicht op voorhand duidelijk was dat die kans daarop (zeer) klein was, doet daar onvoldoende aan af. Immers, voor zowel [appellant] c.s. als [geïntimeerde] ging het in de eerste plaats erom het project Delft Village te (kunnen) realiseren.
3.11
Verder wordt opgemerkt dat weliswaar uit de e-mail van [naam 6] van 22 oktober 2015 volgt dat [geïntimeerde] [appellant] c.s. kort voor de bespreking van 30 oktober 2015 een korting van 100k per persoon (dus in totaal 300k) bij aanschaf van een appartement in Delft Village heeft aangeboden, maar daarbij is – naar [geïntimeerde] heeft aangevoerd en door [appellant] c.s. niet (voldoende) is weersproken – als voorwaarde genoemd dat gedurende de geschatte looptijd van zes jaar van het project, door [appellant] c.s. een
feezou worden gegenereerd van € 50.000,- per jaar (dus ook in totaal 300k). Gelet daarop kan uit het aanbod van ‘de 100k korting op een appartement’, ook niet een heldere aanwijzing worden afgeleid dat voorafgaande aan de bespreking van 30 oktober 2015 een voorstel voor een
onvoorwaardelijkebeloningsvergoeding op tafel lag.
3.12
Een heldere aanwijzing voor wat is afgesproken kan ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat [appellant 3] direct na ontvangst van de conceptovereenkomst aan [naam 6] heeft laten weten dat de inhoud daarvan niet overeenkwam met wat was afgesproken en de conceptovereenkomst nimmer is getekend. Hieruit kan niet veel meer worden opgemaakt dat al kort na de bijeenkomst verschil van inzicht bestond over wat was afgesproken.
3.13
Aan [appellant] c.s. kan wel worden toegegeven dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] [naam 4] en [naam 5] heeft gevraagd om als toehoorders/getuigen het gesprek met [appellant] c.s. bij te wonen op 30 oktober 2015, de nodige vragen oproept, omdat noch [naam 4] , noch [naam 5] enige betrokkenheid had bij het project Delft Village. De door [geïntimeerde] gegeven verklaring dat hij in het café had vernomen dat je bij [appellant] c.s. de zaken goed moest vastleggen, neemt deze vragen over de aanwezigheid van [naam 4] en [naam 5] tijdens het gesprek op 30 oktober 2015, niet weg. Immers, [geïntimeerde] had ook ervoor kunnen kiezen het besprokene op 30 oktober 2015 vast te leggen, dan wel na afloop daarvan een gespreksverslag daarvan te maken en dat aan [appellant] c.s. te zenden. Het voortgaande geldt temeer daar de afspraak zoals die volgens [geïntimeerde] tijdens het gesprek is gemaakt en is weergegeven in de conceptovereenkomst die [naam 6] aan Eijkelenburg c.s. is gezonden, volgens [appellant] c.s. niet weergeeft wat is overeengekomen. Daarnaast draagt ook niet bij aan de overtuigingskracht van de verklaring van [naam 4] , dat hij naar eigen zeggen wel heeft genoteerd tijdens het gesprek dat is gesproken over 100k, maar dat het bedrag van 600k niet in zijn aantekeningen staat.
3.14
Hoewel al het voorgaande de nodige vragen oproept, is het toch naar het oordeel van het hof niet voldoende om – zoals [appellant] c.s. (feitelijk) bepleiten – de verklaringen van [naam 4] en [naam 5] als ongeloofwaardig/leugenachtig terzijde te stellen. Het ontbreekt aan een voldoende duidelijke aanwijzing dat [naam 4] en [naam 5] (onder ede) hebben gelogen en/of dat [geïntimeerde] bewust [naam 4] en [naam 5] het gesprek heeft laten bijwonen om hen later in strijd met de waarheid te kunnen laten verklaren over wat was afgesproken. Voor dergelijke vergaande conclusies zijn voldoende stevige aanwijzingen vereist en die ontbreken.
3.15
Ook al het overige wat [appellant] c.s. hebben aangevoerd en aan stukken hebben overgelegd is in samenhang beoordeeld met de (ook reeds eerder) afgelegde getuigenverklaringen, niet voldoende om [appellant] c.s. geslaagd te kunnen achten in het leveren van het bewijs dat zij met [geïntimeerde] de gestelde
onvoorwaardelijkebeloning zijn overeengekomen.
3.16
Gelet op al het voorgaande realiseert zich hier het risico, inherent aan de op [appellant] c.s. rustende bewijslast, dat zij niet kunnen bewijzen dat zij met [geïntimeerde] een
onvoorwaardelijkebeloning zijn overeengekomen zodat die afspraak niet is komen vast te staan en de vordering moet worden afgewezen.
3.17
Het gevolg is dat ook grief 1 faalt.
Conclusie en proceskosten
3.18
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] c.s. niet slaagt. Het hof zal [appellant] c.s. veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
3.19
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 2.053,-
salaris advocaat € 11.391,- (3 punten × tarief V (€ 3.797,-))
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 13.633,-
3.2
De nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de ‘Beslissing’ weergegeven.

4.Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van 6 september 2023 van de rechtbank Den Haag;
- veroordeelt [appellant] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 13.633,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] c.s. deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
- bepaalt dat als [appellant] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] c.s. de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] c.s. deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordelingen;
- wijs het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, F.W.J. Meijer en R.F. Groos, en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.