Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1808

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
BK-25/617 tot en met BK-25/619
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a Wet LBArt. 32bb Wet LBArt. 10a Wet LB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslagen loonheffingen wegens juiste berekening pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding RSU’s en LTI’s

Belanghebbende betwistte de naheffingsaanslagen loonheffingen over 2017, 2018 en 2019, waarin de Inspecteur de waarde van aan werknemer toegekende Restricted Stock Units (RSU’s), onderverdeeld in MSU’s en LTI’s, had betrokken voor de berekening van de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding. Belanghebbende stelde dat de RSU’s onvoorwaardelijk waren geworden bij de uitdiensttreding in 2016 en dat de waarde toen belast had moeten worden.

Het Hof oordeelde dat uit de MSU- en LTI-overeenkomsten volgt dat de rechten op aandelen en geldbetalingen pas onvoorwaardelijk (gevest) worden op de share vesting date, die na de uitdiensttreding ligt. De waarde van de RSU’s was op het moment van uitdiensttreding nog onzeker vanwege afhankelijkheid van variabelen zoals de Total Shareholder Return (TSR). Daarom was het juiste genietingstijdstip het moment van vesting en levering in 2017-2019.

De aangehaalde jurisprudentie over aandelenoptierechten was niet van toepassing omdat RSU’s geen aandelenoptierechten zijn. Het Hof bevestigde dat de Inspecteur terecht de waarde van de aandelen en betalingen in de jaren 2017 tot en met 2019 tot de grondslag heeft gerekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de waarde van RSU’s en LTI’s moet worden belast in de jaren van vesting en levering, niet bij uitdiensttreding, en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/617 tot en met BK-25/619

Uitspraak van 27 mei 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S. Spauwen)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 juli 2025, nummers SGR 24/8234, SGR 24/8237 en SGR 24/8239.

Procesverloop

1.1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 564.125 (de naheffingsaanslag 2017). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 83.070 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2017).
1.1.2.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 367.641 (de naheffingsaanslag 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 39.431 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2018).
1.1.3.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 49.279 (de naheffingsaanslag 2019). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 3.314 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2019).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2017, 2018 en 2019 bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 ongegrond verklaard en de beschikkingen belastingrente 2017, 2018 en 2019 verminderd met respectievelijk € 2.194, € 1.430 en € 192.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan is € 365 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is € 579 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft de Inspecteur een pleitnota ingediend. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
[A] was in dienst bij belanghebbende als [functie] .
2.2.
Per 31 mei 2016 is de dienstbetrekking tussen [A] en belanghebbende beëindigd en is [A] met pensioen gegaan. De voorwaarden waaronder de beëindiging heeft plaatsgevonden zijn per 30 maart 2016 in een vaststellingsovereenkomst vastgelegd (de vaststellingsovereenkomst).
2.3.
Aan [A] zijn in de jaren 2017, 2018 en 2019 aandelengerelateerde beloningen/betalingen toegekomen als gevolg van aan [A] in de jaren 2013 tot en met 2015 toegekende Restricted Stock Units (RSU’s). De RSU’s zijn onder te verdelen in market-leveraged stock units (MSU’s) en performance long-term incentive units (LTI’s).
2.4.
Aan [A] zijn op 28 februari 2013, 27 februari 2014 en 26 februari 2015 voorwaardelijk MSU’s toegekend. De MSU’s vertegenwoordigen een recht om in de toekomst aandelen van belanghebbende te ontvangen en hebben een looptijdregeling van maximaal vier jaren (de performance periode). De hoeveelheid daadwerkelijk toe kennen aandelen is (onder meer) afhankelijk van de uitkomst van de Total Shareholder Return (TSR) van belanghebbende. De MSU’s zijn onderverdeeld in vier tranches, waarbij elke tranche is gekoppeld aan een specifiek deel van de performance periode, zijnde een kalenderjaar (de tranche performance periode). De datum (de share vesting date) waarop een onvoorwaardelijk recht op levering van aandelen wordt verkregen (vesting van een tranche), is (onder meer) de datum waarop de TSR wordt vastgesteld, welke vaststelling plaatsvindt in het kalenderjaar dat volgt op de performance periode van de desbetreffende tranche. Derhalve is het uitgangspunt dat ieder jaar een tranche, zijnde 25% van de (voorwaardelijk toegekende) MSU’s, wordt gevest als aan de voorwaarden wordt voldaan. De daadwerkelijke levering van de aandelen vindt plaats zo snel als mogelijk na de share vesting date. In het geval van beëindiging van de dienstbetrekking als gevolg van pensioen worden de toegekende voorwaardelijke MSU’s pro rata herrekend.
2.5.
Met betrekking tot de MSU’s die (voorwaardelijk) zijn toegekend staat in de bij elke toekenning gelijkluidende “Market-leveraged stock unit agreement” (de MSU-overeenkomst), voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:
“Article 2 - TERMS OF AWARD
Section 2.1 MSU Award
(a) As of the date of this Agreement, the Company grants to Employee an Award of 3554 MSUs (the “MSU Award”), representing a right to receive shares of Common Stock in the future in an amount based upon the Total Shareholder Return (as defined below) at the end of each performance period described in Section 2.2, subject to the terms and conditions set forth in this Agreement and the Plan. The MSU Award shall be held on the books and records of the Company (or its designee) for Employee’s MSU account, but shall not represent an equity interest in the Company until such time as actual shares of Common Stock are issued to Employee under this Agreement. The MSU Award shall be earned, vested and paid as set forth in this Agreement. No portion of the MSU Award may be sold, transferred, assigned, pledged or otherwise encumbered by Employee until the MSU Award is earned and the shares are issued.
(…)
Section 2.2 Performance Period
(a) The MSUs shall be ratably divided into four tranches (each, a “Tranche”) and each Tranche shall be associated with a specific performance period which shall commence on January 1 of the year of grant and end on December 31 of that year (First Tranche), the following year (Second Tranche), the next following year (Third Tranche) and the next following year (Fourth Tranche) (each such period, a “Performance Period” and the last day of such period, a “Performance Period End Date”).
(b) Each Tranche of the MSUs is unvested as of the date hereof and, unless earlier forfeited pursuant to the terms of this Agreement, shall be eligible to become vested on the Share Vesting Date with respect to such Tranche. For purposes of this Agreement, “Share Vesting Date” shall mean, with respect to each Tranche, the earlier of (i) the date of the Committee’s certification of the Total Shareholder Return (which shall occur within 60 days after the end of the January following such Tranche’s Performance Period) (the “Certification Date”), or (ii) the date of Termination of Service (A) due to death or Disability or (B) by the Company (or any surviving or successor corporation or parent or subsidiary thereof) without Cause upon or within 24 months following a Change in Control; provided that, notwithstanding the foregoing, in the event any Termination of Service occurs after the Performance Period End Date, but before the Certification Date, with respect to any Tranche, the Share Vesting Date for such Tranche shall be the Certification Date for such Tranche.
Section 2.3 Termination of Employment
Subject to Section 2.4
(…)
(d) If Employee’s employment with the Company or its Subsidiaries terminates as a result of Retirement,
(i) a portion of the MSUs with respect to all Performance Periods ending on or after the date of Termination of Service will remain outstanding and eligible to become vested on and after the date of Termination of Service based on a prorated time-based formula for each applicable Tranche which, with respect to each such Tranche, shall equal (A) the total number of full months between the first day of the Performance Period and the end of month in which the Termination of Service occurs divided by the total number of full months in such Tranche’s Performance Period, multiplied by (B) the number of MSUs of such Tranche; and
(ii) all MSUs that do not otherwise remain outstanding pursuant to Section 2.3(a) or 2.3(d)(i) shall be automatically and immediately forfeited by Employee for no consideration as of Employee’s Termination of Service.
For the avoidance of doubt, any MSUs that remain outstanding pursuant to this Section 2.3(d) will be eligible to vest thereafter based on Total Shareholder Return as set forth in Section 3.2(b).
Section 3.1 Issuance of Common Stock
Subject to Section 3.3 below, the Company shall issue the number of shares of Common Stock set forth in Section 3.2 via electronic transfer to Employee’s brokerage account (less any shares traded to cover, or associated with net settlement of, withholding taxes) as soon as practical following the Share Vesting Date, but in no event later than sixty (60) days after the applicable Share Vesting Date; (…)
Section 3.2 Vesting / Number of Shares
(…)
(b) In the event of any Share Vesting Date (other than as described in Section 3.2(a)) (including, without limitation, any Share Vesting Date with respect to MSUs described in Section 2.3(a)):
(i) if the Total Shareholder Return for the applicable Tranche’s Performance Period is equal to or greater than 0.70, then (A) the MSUs of such Tranche, unless previously forfeited, shall become vested and (B) subject to Section 3.3, the number of shares of Common Stock that shall be issued following such Share Vesting Date will equal the product of (x) the number of vested MSUs of the applicable Tranche and (y) the lesser of (I) such Total Shareholder Return and (II) two (2).
(ii) if the Total Shareholder Return for the applicable Tranche’s Performance Period is less than 0.70, then no MSUs of such Tranche shall become vested and such MSUs shall be automatically and immediately forfeited by Employee for no consideration as of such Share Vesting Date.
(c) For purposes of this Agreement, “Total Shareholder Return” shall equal, with respect to a Performance Period, (i) the sum of (A) the average closing share price of Common Stock for all trading days of the January following the respective Performance Period End Date and (B) the aggregate amount of all dividends paid (on a per share basis) during such Performance Period, divided by (ii) the average closing share price of Common Stock for all trading days in January of the year of grant.”
2.6.
Aan [A] zijn op 27 februari 2014 en 26 februari 2015 voorwaardelijk LTI’s toegekend. De LTI’s vertegenwoordigen een recht om in de toekomst geldbetalingen van belanghebbende te ontvangen en hebben een looptijdregeling van maximaal drie jaren (de performance periode). De omvang van de betalingen is (onder meer) afhankelijk van de uitkomst van de TSR van belanghebbende in de performance periode. De datum (de share vesting date) waarop een onvoorwaardelijk recht op de geldbetalingen wordt verkregen (vesting van de LTI’s), is (onder meer) de datum waarop de TSR wordt vastgesteld.
Het uit te betalen bedrag wordt bepaald op basis van het aantal geveste LTI’s vermenigvuldigd met de marktwaarde van een aandeel van belanghebbende op de datum waarop LTI’s zijn gevest. De daadwerkelijke uitbetaling vindt plaats zo snel als mogelijk na de share vesting date. In het geval van beëindiging van de dienstbetrekking als gevolg van (vervroegd) pensioen worden de toegekende voorwaardelijke LTI’s pro rata herrekend.
2.7.
Met betrekking tot de LTI’s die (voorwaardelijk) zijn toegekend staat in de, bij elke toekenning gelijkluidende, “Performance long-term incentive unit agreement” (de LTI-overeenkomst) die op 16 maart 2015 is ondertekend door belanghebbende en [A] , voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:
“2.1 Performance LTI Units
As of the date of this Agreement, the Company grants to Employee an award of 2437 Performance LTI Units, assuming that the Company’s results at the end of the performance period described in Section 2.2 produce 100% of the target performance and subject to the terms and conditions set forth in this Agreement and the Plan. The Performance LTI Units shall be held on the books and records of the Company (or its designee) for Employee’s account. The Performance LTI Units shall be earned, vested and paid as set forth in this Agreement.
2.2
Performance Period
(a) No portion of the Performance LTI Units may be sold, transferred, assigned, pledged or otherwise encumbered by Employee until the Performance LTI Units are earned and settled. Employee must be employed by the Company from the date of this Agreement until the date that the Performance LTI Units are earned and vested, except as provided in Sections 2.3 through 2.5. The “Performance Period” shall begin on the first day of the fiscal year in which these Performance LTI Units were granted and end on the last day of the fiscal year in which the second anniversary of the date of such grant occurs (resulting in a three-year Performance Period). Except as provided in Sections 2.3 and 2.4, after the end of the Performance Period, the specific amount of payment to be issued to Employee under the Performance LTI Units shall be determined based on the Company’s results during the Performance Period compared against the performance goals (“Goals”) approved by the Committee (as modified by any adjustment items approved by the Committee); provided that, notwithstanding anything to the contrary in the Plan or the Goals, if the Total Shareholder Return (as defined below), as determined by the Committee in its sole discretion, is less than 1.00, any payment based on the Goals related to total shareholder return, whether absolute or relative to peer companies, shall in no event exceed the amount achieved based on 100% of target performance. The Goals will be communicated, directly or indirectly, to Employee as soon as reasonably practical following their approval by the Committee. For purposes of this Agreement, “Total Shareholder Return” shall equal (i) the sum of (A) the average closing share price of Common Stock for all trading days of the January following the last day of the Performance Period and (B) the aggregate amount of all dividends paid (on a per share basis) during the Performance Period, divided by (ii) the average closing share price of Common Stock for all trading days in January of the year of grant.
(…)
(c) Subject to Sections 2.3 through 2.5 of this Agreement, if the Performance LTI Units have not been earned by the time of Employee’s Termination of Service, they shall be forfeited by Employee.
(…)
2.5
Retirement
Performance LTI Units granted to employees whose employment with the Company is terminated as a result of Retirement may be earned and vested after the end of the Performance Period based on the Company’s actual performance as determined in Section 2.2(a) on a prorated time-based formula starting with the beginning of the Performance Period through the end of the month in which there is Termination of Service, divided by the total number of months in the Performance Period.
(…)
3.1
Settlement of the Performance LTI Units
(…)
(b) The Company shall make a cash payment to Employee in an amount equal to the product of (i) the aggregate number of vested Performance LTI Units and (ii) the Fair Market Value of a share of the Company’s common stock as of the date of vesting (less withholding taxes) as soon as practical following the vesting of the same, but in no event later than two and one-half (2.5) months after the calendar year in which the Performance LTI Units vest; (…)”
2.8.
Op 24 februari 2017, 22 februari 2018 en 28 februari 2019 zijn aan [A] aandelen geleverd en betalingen gedaan op basis van de MSU-overeenkomsten en LTI-overeenkomsten. Ter zake van die aandelen en betalingen zijn de volgende bedragen verloond:
24 februari 2017
22 februari 2018
26 februari 2019
Aantal aandelen MSU’s
3.818
2.065
691
Aantal LTI’s
5.647
3.068
Totaal
9.465
5.133
691
Waarde aandelen MSU’s
€ 290.592,82
€ 197.202,41
€ 65.706,02
Waarde betalingen LTI’s
€ 429.801,08
€ 292.986,44
Totaal
€ 720.393,90
€ 490.188,85
€ 65.706,02
2.9.
Belanghebbende heeft ter zake van de beëindiging van de dienstbetrekking van [A] op 1 december 2021 een aangifte loonheffingen (de aangifte) ingediend voor de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding in de zin van artikel 32bb van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Als excessief deel van de vergoeding is een bedrag van € 1.592.585 opgegeven en het te betalen bedrag is berekend op € 1.194.438.
2.10.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van de ingediende aangifte met dagtekening 22 december 2021 de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 opgelegd, waarbij de Inspecteur is uitgegaan van de volgende loongegevens:
2014
2015
2016
2017
2018
2019
In Nederland belast
loon
€ 832.900
€ 1.309.465
€ 1.180.938
€ 800.521
€ 490.189
€ 65.706
Correctie voor opties
(€ 295.719)
(€ 230.195)
Totaal
€ 832.900
€ 1.013.745
€ 950.743
€ 800.521
€ 490.189
€ 65.706
Bij het opleggen van de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 is de Inspecteur voorts uitgegaan van de volgende gegevens voor de berekening van de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding in de zin van artikel 32bb Wet LB (pseudo-eindheffing):
2017
2018
2019
Loon 2016 Factor A
€ 1.751.264
€ 2.241.453
€ 2.307.159
Pro rata vergelijkingsloon (2014)
€ 347.042
€ 347.042
€ 347.042
€ 1.404.222
€ 1.894.410
€`1.960.116
Loon 2015 Factor B
€ 1.013.745
€ 1.013.745
€ 1.013.745
Vergelijkingsloon (2014)
€ 832.900
€ 832.900
€ 832.900
€ 180.845
€ 180.845
€ 180.845
Vertrekvergoeding
€ 1.585.067
€ 2.075.255
€ 2.140.961
Vergelijkingsloon (2014)
€ 832.900
€ 832.900
€ 832.900
Excessief deel
€ 752.167
€ 1.242.355
€ 1.308.061
Af: reeds belast
€ 752.167
€ 1.242.355
€ 490.188
€ 65.706
Pseudo-eindheffing 75%
€ 564.125
€ 367.641
€ 49.279
2.11.
Tegen de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2017, 2018 en 2019 heeft belanghebbende op 1 februari 2022 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2023 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de naheffingsaanslagen 2016, 2018 en 2019 ongegrond verklaard en de beschikkingen belastingrente 2017, 2018 en 2019 verminderd met respectievelijk € 2.194, € 1.430 en € 192 vanwege schending van het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“11. Op grond van artikel 32bb, zesde lid, van de Wet LB zijn voordelen uit aandelenoptierechten die zijn toegekend voor jaar t-1 uitgezonderd van de grondslag voor de pseudo-eindheffing. Voor de toepassing van voormeld artikel hoeft geen onderscheid te worden gemaakt tussen voorwaardelijk en onvoorwaardelijk toegekende aandelenoptierechten.[3]
Jaar van heffing
12. De rechtbank stelt voorop dat eiseres in dit geval de uit de RSU’s genoten aandelen en bonussen in de jaren 2017 tot en met 2019 heeft verloond. Eiseres heeft zich evenwel later op het standpunt gesteld dat deze voordelen niet in 2017 tot en met 2019 zijn genoten, maar al in 2016. Zij heeft daarbij verwezen naar de VSO. Volgens haar is in de VSO afgesproken dat eiseres de eis dat [de heer [A] ] ten tijde van de levering van de aandelen nog in dienstbetrekking zou zijn, heeft laten vallen, zodat het recht op de levering van aandelen onvoorwaardelijk is geworden op 31 mei 2016. De verwijzing naar de VSO kan eiseres niet baten, omdat in de VSO namelijk helemaal niets over de RSU’s (MSU’s en/of LTl’s) is opgenomen. Door eiseres is geen ander bewijs van haar (latere) standpunt ingebracht. Hoewel verweerder in de bezwaarfase aan eiseres nog om (andere) documenten heeft verzocht, waaruit zou kunnen blijken hoe zij bij het einde van de dienstbetrekking van [de heer [A] ] met de RSU’s is omgegaan, heeft eiseres te kennen gegeven dat dergelijke documenten niet beschikbaar zijn.
13. Nu er geen andere documentatie voorhanden is, moet - naar verweerder terecht heeft gesteld - voor de bepaling van het fiscaal genietingsmoment gekeken worden naar hetgeen in de desbetreffende MSU’s en LTl’s is bepaald.
(…)
16. De rechtbank maakt uit het vorenstaande op dat de MSU’s een recht vertegenwoordigen om in de toekomst aandelen van eiseres te mogen ontvangen. De daadwerkelijke levering van de aandelen is afhankelijk van het aandeelhoudersrendement dat wordt bepaald volgens de Total Shareholder Return (TSR) van eiseres. De MSU’s hebben een looptijd van maximaal vier jaren, de zogenoemde Performance Period. De MSU’s worden onderverdeeld in vier tranches die elk betrekking hebben op een Performance Period. De startdatum van elke Performance Period is 1 januari van het jaar van toekenning van de MSU’s. Het einde van de Performance Period verschilt per tranche. Bij pensionering worden de voorwaardelijke rechten herrekend. De rechten die zijn toe te rekenen aan de periode waarin [de heer [A] ] in dienst was bij eiseres, komen voor vesting (levering) in aanmerking. De overige voorwaardelijk toegekende rechten komen te vervallen. Op het moment van het einde van de dienstbetrekking kan de hoeveelheid te leveren aandelen in 2017 tot en met 2019 en de hoogte van de betalingen nog niet worden bepaald.
17. De rechtbank maakt verder uit de LTI Awards op dat bij de LTI’s een Performance Period van drie jaar geldt. De startdatum van elke Performance Period is 1 januari van het jaar van toekenning van de LTI’s. De Performance Period eindigt op de laatste dag van het jaar waarin de toekenning van de LTI’s 24 maanden eerder heeft plaatsgevonden. Het werkelijk aantal te vesten LTI’s wordt na afloop van de Performance Period bepaald en is afhankelijk van vooraf geformuleerde resultaatdoelstellingen (onder andere ook de TSR) van eiseres. De geveste LTI’s worden in geld uitbetaald (aantal geveste units x waarde aandeel op vesting datum).
18. Gelet op de inhoud van voormelde MSU en LTI Awards kon op 31 mei 2016 nog niet worden vastgesteld hoeveel aandelen zouden worden gevest of hoeveel geld zou worden uitbetaald. De rechten waren toen dus nog onvoldoende bepaald. Verweerder is dan ook van het juiste genietingsmoment uitgegaan, door aan te sluiten bij het jaar waarin de aandelen en de uitbetalingen uit de RSU’s (daadwerkelijk) zijn gevest (geleverd), respectievelijk gedaan, te weten in 2017, 2018 en 2019. Dit sluit bovendien aan bij de door eiseres voor die jaren gedane verloning van die aandelen en de uitbetalingen.
19. Eiseres heeft voor haar standpunt dat de voordelen moeten worden geacht te zijn genoten in 2016 nog verwezen naar jurisprudentie inzake het genietingsmoment, de bepaalbaarheid en al dan niet loskomen van de dienstbetrekking van toegekende aandelenoptierechten.[4] Voormelde jurisprudentie heeft echter betrekking op aandelenoptierechten en is, naar verweerder terecht heeft gesteld, in dit geval dus niet van toepassing. Immers, niet in geschil is dat de RSU’s geen aandelenoptierechten zijn. Alsdan is artikel 10a van de Wet LB in dit geval niet van toepassing maar dient voor het genietingsmoment bij artikel 13a, eerste lid, van de Wet LB te worden aangesloten.
(…)
Conclusie
22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
(…)
[3] Vgl. Hoge Raad 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2897.
[4] Hoge Raad 19 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX5949, Hoge Raad 10 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8439, gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 juni 2003,
ECLI:NL:GHSHE:2003:AH9718, Hoge Raad 30 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2812, Hoge Raad
1 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC4952 en Hoge Raad 18 maart 1998, ECLI:NL:1998:ZC6992.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag 2017 en de beschikking belastingrente 2017 naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Met betrekking tot de naheffingsaanslagen 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2018 en 2019 is in geschil of deze terecht zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil in welk jaar de waarde van de aan [A] geleverde aandelen in het kader van de aan hem verstrekte MSU’s en de geldbetalingen in het kader van de aan [A] verstrekte LTI’s in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de pseudo-eindheffing in de zin van artikel 32bb Wet LB.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de naheffingsaanslag 2017 tot een bedrag van € 60.096 en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente 2017, alsmede tot vernietiging van de naheffingsaanslagen 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2018 en 2019. Voorts verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep en om een vergoeding van de betaalde griffierechten.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Relevante wettelijke bepalingen
5.1.
In de Wet LB zijn, voor zover in hoger beroep van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 13a
1. Loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het:
a. betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel
b. vorderbaar en tevens inbaar wordt.
(…)
Artikel 32bb
1. In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een inhoudingsplichtige aan een werknemer toegekende vertrekvergoeding als bedoeld in het vierde lid voor zover die vergoeding meer bedraagt dan het toetsloon, bedoeld in het derde lid, van de werknemer, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 75%.
2. Dit artikel is niet van toepassing ingeval het toetsloon van de werknemer niet meer bedraagt dan [
Hof:wettekst 2016:] € 538.000 [
Hof: wettekst 2017: € 540.000; wettekst 2018: € 544.000; wettekst 2019: € 551.000].
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het toetsloon van een werknemer verstaan:
a. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen vóór of met het begin van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het loon dat de werknemer in dat tweede voorafgaande kalenderjaar heeft genoten van de inhoudingsplichtige;
(…)
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een door een inhoudingsplichtige aan een werknemer toegekende vertrekvergoeding verstaan de som van het positieve verschil tussen A en het vergelijkingsloon en het positieve verschil tussen B en het vergelijkingsloon, waarbij wordt verstaan onder:
A: het van de inhoudingsplichtige genoten loon in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd alsmede het na dat kalenderjaar van de inhoudingsplichtige genoten loon;
B: het van de inhoudingsplichtige genoten loon in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
Vergelijkingsloon:
a. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen vóór of met het begin van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal dagen dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;
(…)
6. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat de som van de verschillen, bedoeld in het vierde lid, verband houdt met loon dat de werknemer heeft genoten ter zake van de uitoefening of vervreemding van een aandelenoptierecht als bedoeld in artikel 10a, dat onvoorwaardelijk is toegekend of geworden in een eerder jaar dan het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking met die werknemer is beëindigd.
7. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een vertrekvergoeding beschouwd te zijn toegekend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is beëindigd, of, voor zover de vertrekvergoeding pas daarna als loon wordt genoten, op dat latere tijdstip. Ingeval een vertrekvergoeding ingevolge de eerste volzin wordt beschouwd te zijn toegekend op meer dan een tijdstip, wordt de berekening ingevolge het vierde lid op elk tijdstip toegepast onder verrekening van hetgeen eerder is berekend.
(…)”
5.2.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de waarde van de RSU’s ten onrechte tot de grondslag van de berekening van de excessieve vertrekvergoeding in de jaren 2017 tot en met 2019 is gerekend. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat zij de (voorwaardelijk toegekende) RSU’s beschouwt als loon in de vorm van een recht op aandelen dan wel geldbetalingen. Naar de mening van belanghebbende is het genietingstijdstip in de Wet LB voor loon in de vorm van een recht het moment waarop het recht onvoorwaardelijk is geworden en zij heeft daarbij verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 19 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX5949, 21 december, ECLI:NL:HR:1998:ZC3956, 18 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC6992 en naar Kamerstukken II 1997/98, 25 721, nr. 5, p. 4 (aanpassing heffing ter zake van aandelenoptierechten). Dat is – naar belanghebbende stelt – in dit geval het moment waarop de dienstbetrekking van [A] is beëindigd, zijnde 31 mei 2016. De RSU’s zijn dan immers onvoorwaardelijk geworden en de waarde ervan voldoende bepaalbaar en ze dienen daarom niet in 2017 tot en met 2019 tot de grondslag van de berekening van de excessieve vertrekvergoeding in de zin van artikel 32bb Wet LB te worden gerekend, maar in 2016, aldus nog steeds belanghebbende.
5.2.2.
Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst belanghebbende naar het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8439 en stelt zij dat na beëindiging van de dienstbetrekking rechten (de RSU’s) resteren die louter aan een tijdsbepaling onderhevig zijn en daarmee onvoorwaardelijk zijn geworden. Dat de RSU’s afhankelijk zijn van onder meer de TSR en pas in 2017, 2018 en 2019 vesten en worden geleverd doet daaraan volgens belanghebbende niet af. De RSU’s hebben na uitdiensttreding de loonsfeer verlaten. Belanghebbende stelt verder onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC4952, dat de RSU’s op 31 mei 2016 ook inhoudelijk volledig zijn bepaald. De waarde van de RSU’s dient daarom in 2016 als genoten loon in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de pseudo-eindheffing, aldus belanghebbende.
5.3.1.
De Inspecteur betwist de stelling van de belanghebbende dat de RSU’s op 31 mei 2016 onvoorwaardelijk zijn geworden. Uit de MSU- en LTI-overeenkomsten volgt namelijk dat vesting van de nog openstaande RSU’s plaatsvindt op de share vesting date, welke datum voor alle nog openstaande tranches dan wel performance perioden na 31 mei 2016 zijn gelegen. Bovendien bestaat een mogelijkheid dat in het geheel geen aandelen aan [A] worden toegekend of uitbetalingen plaatsvinden, aangezien dit afhankelijk is van de hoogte van de TSR of de resultaatdoelstellingen van belanghebbende. Op het moment van het einde van de dienstbetrekking kan daarom nog niet worden bepaald of en hoeveel aandelen zullen worden geleverd en of en hoe hoog de geldbetalingen zullen zijn, zodat de op 24 februari 2017, 22 februari 2018 en 28 februari 2019 verkregen voordelen niet als genoten loon in 2016 kunnen worden aangemerkt.
5.3.2.
Daarnaast is de Inspecteur van mening dat de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie (zie 5.2.1. en 5.2.2), welke jurisprudentie betrekking heeft op aandelenoptierechten, niet van toepassing is in de onderhavige zaak. De RSU’s kwalificeren namelijk niet als aandelenoptierechten en om die reden dient voor het bepalen van het genietingstijdstip van de levering van de aandelen dan wel geldbetalingen te worden aangesloten bij het genietingsmoment van artikel 13a, lid 1, Wet LB.
5.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de RSU’s niet als aandelenoptierechten in de zin van artikel 10a Wet LB kwalificeren. Hierdoor is de bepaling, die het genietingstijdstip van de voordelen uit aandelenoptierechten regelt, niet van toepassing op de onderhavige RSU’s. Wel kwalificeren de toegekende RSU’s, zoals belanghebbende stelt, als loon in de vorm van een recht (op aandelen dan wel geldbetalingen). Zo staat in section 2.1, onderdeel a, van de MSU-overeenkomst dat de MSU’s een recht vertegenwoordigen om in de toekomst aandelen in belanghebbende te ontvangen nadat de MSU’s onvoorwaardelijk zijn geworden (gevest) en heeft belanghebbende ingevolge artikel 3.1, onderdeel b, van de LTI-overeenkomst recht op geldbetalingen nadat de LTI’s onvoorwaardelijk zijn geworden (gevest).
5.5.
Hoewel de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie betrekking heeft op (aandelen)optierechten, is het Hof van oordeel dat de desbetreffende jurisprudentie nog steeds van belang kan zijn voor andere rechten op loon, zoals de onderhavige RSU’s. Dat betekent dat voor de vraag wat in de Wet LB het genietingstijdstip is van de voordelen uit de RSU’s, onder meer relevant is wanneer de RSU’s onvoorwaardelijk zijn geworden. Het Hof dient derhalve allereerst te beoordelen of de (openstaande tranches van) de RSU’s onvoorwaardelijk zijn geworden op het moment van uitdiensttreding van [A] op 31 mei 2016.
5.6.
Het Hof merkt op dat in de vaststellingsovereenkomst niets is vastgesteld over de afwikkeling van de MSU’s dan wel de LTI’s bij de uitdiensttreding van [A] op 31 mei 2016. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de inhoud van de MSU- en LTI-overeenkomsten dan bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag op welk moment de toegekende RSU’s onvoorwaardelijk zijn geworden (gevest).
5.7.1.
Uit de MSU-overeenkomsten volgt dat van de aan [A] toegekende MSU’s gedurende de (totale) performance periode van vier jaren na afloop van elk jaar een tranche van 25% zal worden gevest op basis van een performance periode van één kalenderjaar. Op grond van section 2.3, onderdeel d, onder ii, van de MSU-overeenkomst (zie 2.5) wordt bij de beëindiging van een dienstverband als gevolg van pensionering, het aantal MSU’s dat in aanmerking komt om te worden gevest op of na de datum van beëindiging van het dienstverband, herrekend voor elke tranche. Het aantal (mogelijk) te vesten MSU’s wordt voor elke tranche dus opnieuw bepaald, waarbij (slechts) de MSU’s die zijn toe te rekenen aan de periode waarin [A] in dienst was bij belanghebbende, op grond van voornoemd artikel voor vesting in aanmerking komen. Ingevolge section 2.2, onderdeel b, van de MSU-overeenkomst worden de (nog openstaande tranches) MSU’s gevest op de share vesting date, welke datum uiterlijk 60 dagen na het einde van de maand januari volgend op het kalenderjaar van een tranche is gelegen. Dat betekent dat de share vesting date voor alle reeds lopende tranches op het moment van de uitdiensttreding, na 31 mei 2016 zijn gelegen. Op grond van het voorgaande stelt het Hof vast dat op de datum van uitdiensttreding (31 mei 2016) nog niet alle aan [A] toegekende MSU’s zijn gevest.
5.7.2.
Uit de MSU-overeenkomst volgt voorts dat de hoeveelheid daadwerkelijk toe kennen aandelen afhankelijk is van de TSR van belanghebbende voor de tranche performance periode en dat in het geval de TSR lager is dan een bepaalde factor, de openstaande MSU’s (definitief) komen te vervallen (volgens section 3.2, onderdeel b, onder i en ii, van de MSU-overeenkomst, zie 2.5). Verder volgt uit de MSU-overeenkomst dat de TSR afhankelijk is van meerdere op het moment van uitdiensttreding nog onzekere variabelen, namelijk de gemiddelde aandelenslotkoers over alle handelsdagen in de maand januari na het einde van een tranche en het totale bedrag van alle dividenden (per aandeel) die gedurende de tranche performance periode zijn uitgekeerd (zie section 3.2, onderdeel c, van de MSU-overeenkomst). Het voorgaande betekent dat de TSR voor de toekomstige tranche performance periodes op het moment van uitdiensttreding nog niet bekend was op 31 mei 2016.
5.8.
Met betrekking tot de LTI’s geldt dat deze bij de beëindiging van een dienstverband als gevolg van pensionering, na aan het einde van een performance periode kunnen worden gevest, afhankelijk van de daadwerkelijke resultaten van belanghebbende. Net als bij de MSU’s worden de LTI’s daarbij herrekend, zodat het aantal LTI’s dat is toe te rekenen aan de periode waarin [A] in dienst was bij belanghebbende voor vesting in aanmerking komt (artikel 2.5 van de LTI-overeenkomst, zie 2.7). Dat betekent dat (een deel van de) LTI’s kunnen worden gevest na 31 mei 2016 met betrekking tot de op die datum nog lopende performance periodes. Voorts geldt dat de hoogte van de geldbetalingen afhankelijk is van het totaal aantal geveste LTI’s en de marktwaarde van een aandeel in het kapitaal van belanghebbende op het moment dat de LTI’s worden gevest (artikel 3.1, onderdeel b, van de LTI-overeenkomst).
5.9.
Uit het voorgaande volgt dat op 31 mei 2016 niet alle (na herrekening) nog resterende (tranches van) MSU’s dan wel LTI’s zijn gevest, aangezien op 31 mei 2016 niet alle tranche performance periodes respectievelijk performance periodes waren voltooid. Daarnaast geldt dat het aantal daadwerkelijk te leveren aandelen afhankelijk is van de TSR van belanghebbende, die weer afhankelijk is van diverse variabelen die met betrekking tot de nog resterende (tranches van) RSU’s op 31 mei 2016 nog niet vaststonden. Afhankelijk van de hoogte van de TSR, is het ook mogelijk dat openstaande MSU’s in het geheel komen te vervallen en dat [A] dus geen aandelen geleverd krijgt met betrekking tot die openstaande MSU’s. Ten aanzien van de LTI’s geldt dat, naast het aantal (mogelijk) te vesten LTI’s, ook de omvang van de uiteindelijke geldbetalingen op de datum van uitdiensttreding nog niet bepaalbaar was, aangezien de relevante performance periodes nog niet waren afgerond en daardoor niet bekend was of de resultaatdoelstellingen aan het einde van de performance periode waren gehaald. Evenmin kon op 31 mei 2016 de marktwaarde van een aandeel in het kapitaal van belanghebbende worden bepaald, gelet op de omstandigheid dat het moment van vesten van de LTI’s van de (nog lopende) performance periodes ook na 31 mei 2016 is gelegen (zie 5.8).
5.10.
Anders dan belanghebbende stelt, beschikte [A] op 31 mei 2016 dus niet over rechten die louter onderhevig waren aan een tijdsbepaling en voorts waren de RSU’s niet inhoudelijk volledig bepaald. Dat [A] na zijn uitdiensttreding geen invloed meer kon uitoefenen op de TSR, doet hier - anders dan belanghebbende betoogt - niet aan af.
5.11.
Overigens merkt het Hof op dat belanghebbende de waarde van de RSU’s reeds als (regulier) loon uit dienstbetrekking in aanmerking heeft genomen in de jaren 2017 tot en met 2019. Het is het Hof dan niet duidelijk waarom voor de berekening van de pseudo-eindheffing in de zin van artikel 32bb van een ander genietingsmoment zou moeten worden uitgegaan.
5.12.
Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat [A] op 31 mei 2016 geen onvoorwaardelijk recht op de levering van aandelen dan wel voldoening van geldbedragen heeft verkregen. Gelet op hetgeen in artikel 13a, lid 1, Wet LB is bepaald en hoe dat in de rechtspraak van de Hoge Raad is uitgelegd, moet het moment waarop de RSU’s zijn gevest worden aangemerkt als het genietingstijdstip. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende bevestigd dat de daadwerkelijke levering van aandelen en uitbetaling van geld op of rond het moment van vesten heeft plaatsgevonden, hetgeen tot de conclusie leidt dat de desbetreffende voordelen door [A] zijn genoten in de jaren 2017 tot en met 2019. De Inspecteur heeft de waarde van de aandelen en de geldbetalingen derhalve terecht tot de grondslag in voornoemde jaren gerekend voor de berekening van de pseudo-eindheffing in de zin van artikel 32bb Wet LB. Tussen partijen is alsdan de berekening van de naheffingsaanslagen niet in geschil. Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag 2017 naar het juiste bedrag is berekend en de naheffingsaanslagen 2018 en 2019 terecht zijn opgelegd.
Belastingrente
5.13.
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Slotsom
5.14.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Er bestaat geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, C. Maas en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.
De griffier, de voorzitter,
X. Evers T.A. de Hek
De beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.