ECLI:NL:GHDHA:2026:177

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
22-003739-23 tussenarrest
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof wijst afdoeningsvoorstel af wegens disproportionele straf en beveelt heropening onderzoek in hasjzaak

In hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter is de verdachte veroordeeld voor het opzettelijk vervoeren van ongeveer 98 kilogram hasjiesj. De advocaat-generaal en de verdediging hadden een afdoeningsvoorstel gedaan, waarin zij een strafregeling overeenkwamen die het hof moest beoordelen.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte vrijwillig en bewust heeft ingestemd met het voorstel, maar oordeelt dat de voorgestelde straffen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het feit. Het hof baseert dit onder meer op landelijke oriëntatiepunten die voor het aanwezig hebben van 25 tot 250 kilo softdrugs een gevangenisstraf van twaalf maanden als uitgangspunt hanteren.

De argumenten van de advocaat-generaal en verdediging, zoals tijdsbesparing en ouderdom van de zaak, overtuigen het hof niet. Ook eerdere veroordelingen van de verdachte wegen mee. Het hof concludeert dat het afdoeningsvoorstel onvoldoende onderbouwd is en wijkt ervan af.

Daarom beveelt het hof de heropening van het onderzoek, waarbij de verdachte opnieuw in de gelegenheid wordt gesteld zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. De zaak wordt geschorst en op een later tijdstip voortgezet.

Uitkomst: Het hof wijst het afdoeningsvoorstel af en beveelt heropening van het onderzoek met schorsing en hervatting op een nader te bepalen zitting.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003739-23
Parketnummer: 09-217516-23
Datum uitspraak: 6 februari 2026
TEGENSPRAAK
Tussenarrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 november 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist tot teruggave aan de verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 28 augustus 2023 te Zoetermeer en/of te 's-Gravenhage en/of te [lacatie] , gemeente Zeist, althans (elders) in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 98 kilogram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld overeenkomstig het hierna te bespreken afdoeningsvoorstel.

Heropening van het onderzoek

Het afdoeningsvoorstel
In deze zaak hebben de advocaat-generaal en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een getekende overeenkomst gedateerd 8 januari 2026 die zij op 20 januari 2026 aan het hof hebben doen toekomen. In de overeenkomst doen de advocaat-generaal en de verdediging aan het hof een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de strafzaak. Dit afdoeningsvoorstel houdt het volgende in:
in deze zaak kan een bewezenverklaring volgen van het tenlastegelegde, zijnde het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
het Openbaar Ministerie eist voor het tenlastegelegde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest (31 dagen [1] ), een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar en een onvoorwaardelijke taakstraf van 100 uur en stelt zich op het standpunt dat de beslissing die de politierechter heeft genomen omtrent het beslagen goed in stand dient te blijven;
3. de verdediging doet afstand van reeds ingediende onderzoekswensen en zal geen nadere en/of nieuwe onderzoekswensen indienen.
In de overeenkomst is verder opgenomen een voorwaardelijk verzoek van de verdediging en de advocaat-generaal tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting indien het hof het afdoeningsvoorstel zou afwijzen in de volgende gevallen:
  • indien het hof tot een andere bewezenverklaring zou komen, maar uitsluitend voor zover hierdoor de aard van het delict wezenlijk verandert;
  • indien het hof ten aanzien van de strafmaat ten nadele van verdachte zou wensen te beslissen;
  • indien het hof ten aanzien van de strafmaat ten voordele van verdachte zou wensen te beslissen en daarbij zou afwijken van een bepaalde bandbreedte.
Mag het hof acht slaan op het afdoeningsvoorstel?
De Hoge Raad heeft in het arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, overwogen dat de rechter alleen acht kan slaan op een door het Openbaar Ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten. Het hof overweegt hieromtrent in de onderhavige zaak als volgt.
De verdachte was samen met zijn raadsman aanwezig op de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2026. Op die terechtzitting is het afdoeningsvoorstel besproken met de verdachte. Op basis van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdere verdedigingsrechten. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het acht kan slaan op het afdoeningsvoorstel.
Kader voor de beoordeling van een zaak waarin een afdoeningsvoorstel voorligt
Bij de beoordeling van deze zaak zijn voor het hof leidend geweest de uitgangspunten verwoord door de Hoge Raad in voormeld arrest van 27 september 2022. Deze komen op het volgende neer.
Hoewel een wettelijke regeling van procesafspraken op dit moment ontbreekt, verzet het stelsel van strafvordering zich er niet tegen dat het Openbaar Ministerie en de verdediging een gezamenlijk standpunt innemen over de beoogde afdoening van een strafzaak. De totstandkoming van procesafspraken doet echter geen afbreuk aan de zelfstandige positie van het hof. Het hof behoudt zijn eigen verantwoordelijkheid dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling – in het bijzonder artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – en de eisen van een eerlijk proces.
Op grond van artikel 348 en Pro 350 Sv beslist het hof op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de in die bepalingen genoemde vraagpunten. Aan de verplichting die op het hof rust om te beslissen op de in artikel 348 en Pro 350 Sv genoemde vraagpunten, wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat een afdoeningsvoorstel wordt gedaan. Wel moet het hof dat voorstel betrekken bij de beantwoording van de genoemde vraagpunten, maar het hof is niet verplicht om overeenkomstig het voorstel te beslissen.
Waar het gaat om de beantwoording van de eerste vraag van artikel 350 Sv Pro brengt de eigen zelfstandige verantwoordelijkheid van het hof met zich dat het zelf – ongeacht wat het afdoeningsvoorstel daarover inhoudt – dient na te gaan of het hof het aan de verdachte tenlastegelegde feit bewezen acht.
Waar het gaat om de beantwoording van de vierde vraag van artikel 350 Sv Pro heeft het hof een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid om te komen tot een strafoplegging die het passend en geboden acht. Het hof heeft hierbij een grote vrijheid, zowel in de keuze van de op te leggen straf als de waardering van de factoren die het daarbij betrekt. Het afdoeningsvoorstel is een relevante factor die het hof moet betrekken bij de keuze van de op te leggen straf. Indien het hof van oordeel is dat wat het afdoeningsvoorstel over de strafoplegging inhoudt, niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting, zal het hof beslissingen (moeten) nemen die afwijken van het afdoeningsvoorstel.
Beoordeling van het afdoeningsvoorstel in deze zaak
Het hof is van oordeel dat – in geval van een bewezenverklaring zoals in het afdoeningsvoorstel is vervat – de voorgestelde straffen niet in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de zaak. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Tenlastegelegd is – kort gezegd – het vervoeren van 98 kilo hasj op 28 augustus 2023. De voorgestelde straffen wijken in aanzienlijke mate af van de straffen die gewoonlijk worden opgelegd voor een dergelijk strafbaar feit. Ter illustratie kan gewezen worden op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin voor het aanwezig hebben (hetgeen een lichter verwijt is dan het vervoeren) van 25 tot 250 kilo softdrugs als uitgangspunt geldt een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. Het beginsel van rechtsgelijkheid vergt dat als in voorkomend geval in zo’n verregaande mate wordt afgeweken van de straffen die gewoonlijk worden opgelegd, daarvoor een goede onderbouwing bestaat. De argumenten die in dat kader door de advocaat-generaal en de verdediging zijn aangedragen (in de overeenkomst en ter terechtzitting in hoger beroep), overtuigen het hof echter niet.
De advocaat-generaal en de verdediging hebben erop gewezen dat de verdachte door met het afdoeningsvoorstel in te stemmen, heeft meegewerkt aan een voortvarende afdoening van de zaak. Dat vermag het hof evenwel niet in te zien. De zaak stond reeds gepland voor inhoudelijke behandeling voordat de overeenkomst werd gesloten. Voorts is van zijdens de verdediging ingediende onderzoekwensen geen sprake – in zoverre is punt 3 van het afdoeningsvoorstel dan ook onjuist. Desgevraagd heeft de raadsman ter zitting te kennen gegeven dat zijn enige onderzoekswens, ingeval het afdoeningsvoorstel niet zou worden gevolgd, het doen opvragen van een reclasseringsadvies zou zijn. Zo het hof dat verzoek al zou toewijzen, zou daarmee geringe tijd zijn gemoeid. Dat het afdoeningsvoorstel heeft geleid tot tijdsbesparing bij de voorbereiding van de zaak en bij de behandeling ter terechtzitting, zoals de advocaat-generaal heeft betoogd, volgt het hof evenmin. Bij een zeer omvangrijk en complex dossier zou daarvan mogelijk sprake kunnen zijn geweest, maar het betreft hier een overzichtelijke zaak met een politiedossier van 100 pagina’s. Voor de inhoudelijke behandeling (zonder afdoeningsvoorstel) waren 45 minuten voorzien.
Voorts hebben de advocaat-generaal en de verdediging gewezen op de ouderdom van de zaak. Het vonnis waarvan beroep dateert echter van 24 november 2023. Uitgaande van een redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar, zou die thans overschreden zijn met ongeveer tweeënhalve maand. Niet in rede ligt daaraan als rechtsgevolg een aanzienlijke strafkorting te verbinden.
Tot slot hebben de advocaat-generaal en de verdediging erop gewezen dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit “geen soortgelijke documentatie had en dat hier momenteel nog nimmer sprake van is”. Dat is echter deels onjuist: uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte in 2004 is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens onder meer overtreding van de Opiumwet en in 2014 in België wegens “vervaardiging of productie van verdovende middelen die niet louter voor persoonlijk gebruik zijn bestemd” tot een gevangenisstraf van vier jaar waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren.
Voor het overige geeft de overeenkomst slechts blijk van algemeenheden die niet op deze zaak zijn toegesneden en die deels onjuist zijn, zoals dat “gelet op de Haagse voorraad aan strafzaken (…) voorzienbaar [is] dat deze zaak niet afzienbare tijd afgerond zal worden”.
Ook hetgeen het hof overigens op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken, geeft naar voorshands oordeel geen aanleiding tot een dermate grote afwijking van de straffen die gewoonlijk worden opgelegd voor een dergelijk strafbaar feit.
Het voorgaande maakt dat het hof het afdoeningsvoorstel niet volgt.
Slotsom
Nu het hof het afdoeningsvoorstel niet volgt, brengen de eisen van een behoorlijke procesorde en een eerlijk proces mee dat het onderzoek dient te worden heropend. Het onderzoek zal worden geschorst en hervat op een nader te bepalen terechtzitting. Alsdan wordt de verdachte in de gelegenheid gesteld desgewenst hem toekomende verdedigingsrechten uit te oefenen. Op de nader te bepalen terechtzitting worden de advocaat-generaal en de raadsman in de gelegenheid gesteld nader het woord te voeren.

BESLISSING

Het hof:
Heropent en schorst het onderzoek en beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen terechtzitting van dit hof.
Beveelt de oproeping van de verdachte en de raadsman van verdachte tegen het tijdstip van een nader te bepalen terechtzitting.
Stelt de stukken daartoe in handen van de advocaat-generaal bij dit hof.
Dit arrest is gewezen door mr. B.W. Mulder, als voorzitter, en mr. F.W. van Lottum en mr. N.M. Boersma, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.A. Besteman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 februari 2026.

Voetnoten

1.In de overeenkomst is 28 dagen vermeld. Ter terechtzitting hebben de advocaat-generaal en de raadsman desgevraagd medegedeeld dat dit 31 dagen moet zijn.