Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1755

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
22-003202-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens opzettelijk vervoeren van 100 kilo MDMA met vormverzuim in opsporing

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot 3 jaar en 8 maanden gevangenisstraf wegens het opzettelijk vervoeren van ongeveer 100 kilo MDMA en witwassen van €1.185. In hoger beroep heeft het hof het witwassen niet bewezen geacht vanwege onvoldoende onderzoek naar de herkomst van het geld.

Tijdens het onderzoek was het productieteam van het programma “de Wijkagent” aanwezig bij een politiebriefing, waarbij privacygevoelige informatie over de verdachte werd gedeeld zonder dat dit werd geverbaliseerd. Dit leverde een onherstelbaar vormverzuim op, maar het hof oordeelde dat de verdachte hierdoor geen nadeel had ondervonden, zodat strafvermindering niet gerechtvaardigd was.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het vervoeren van MDMA had begaan en veroordeelde hem tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 9 maanden voorwaardelijk. Het in beslag genomen geldbedrag werd aan de verdachte teruggegeven, terwijl de bestelbus verbeurd werd verklaard omdat deze werd gebruikt bij het plegen van het feit.

De strafmotivering hield rekening met de schadelijke effecten van harddrugs, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn positieve levenswending. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf voor het vervoeren van 100 kilo MDMA, vrijgesproken van witwassen en vormverzuim vastgesteld zonder strafvermindering.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003202-24
Parketnummer: 09-176696-24
Datum uitspraak: 15 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 september 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 8 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent het beslag zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 29 mei 2024 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer (bruto) 100 kilogram,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
2.
hij op of omstreeks 29 mei 2024, te 's-Gravenhage, althans in Nederland
(een) voorwerp(en) en/of een geldbedrag van 1.185 euro,
voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,
en/of van die/dat voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk
- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 7 maanden. Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag en de bestelbus.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Tijdens de aanhouding van de verdachte heeft de verbalisant in de bus onder een klepje boven het stuur diverse bankbiljetten van onder andere 50, 20 en 5 euro aangetroffen. Dat geld betrof in totaal een bedrag van € 1.185,00 en is door de verbalisant in beslag genomen.
Op grond daarvan is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
De verdachte heeft bij zijn verhoor door de politie op 29 mei 2024 geen verklaring gegeven
met betrekking tot de herkomst van het aangetroffen geldbedrag. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat het geld, dat is aangetroffen in zijn bus, is gegenereerd uit eigen inkomsten van één van zijn bedrijven. De verdachte heeft verklaard dat de betaling voor het werk dat hij verricht voor een woningbouwvereniging niet altijd via facturen gaat, maar ook contant. Volgens de verdachte was het geld in zijn bus bestemd om spullen te kopen die hij nodig had voor zijn werk. Ter terechtzitting in hoger beroep is de verdachte bij die verklaring gebleven.
Het hof is van oordeel dat de verdachte daarmee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk verklaring heeft gegeven dat het geldbedrag van € 1.185,00 niet van misdrijf afkomstig is en dat het Openbaar Ministerie nader onderzoek naar die verklaring had kunnen verrichten.
Echter, nu een nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het Openbaar Ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde geldbedrag van € 1.185,00 uit enig misdrijf afkomstig is.
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde geldbedrag van € 1.185,00 heeft witgewassen, zodat de verdachte van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd, behoort te worden vrijgesproken.

Vormverzuim ex artikel 359a Wetboek van strafvordering

Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van strafvordering (Sv). Op de [streamingdienst] is een uitzending van het programma [naam programma] uitgezonden, waarin de zaak tegen de verdachte en zijn medeverdachte onderwerp bleek te zijn. De raadsman stelt zich op het standpunt dat er tijdens de briefing uitgezonden in het programma gegevens van de verdachte aan het camerateam zijn verstrekt en dat hier niet volledig waarheidsgetrouw over is geverbaliseerd. De integriteit van en het vertrouwen in de opsporing zijn daardoor geschaad. De raadsman stelt zich op het standpunt dat dit onherstelbare vormverzuim een matigend effect dient te hebben op de strafmaat.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Enige strafkorting is volgens haar wel op zijn plaats nu de privacy van de verdachte enigermate is geschonden.
Het oordeel van het hof
Bij de beantwoording van de vraag of in onderhavige zaak sprake is van onherstelbare vormverzuimen en of daaraan rechtsgevolgen dienen te worden verbonden, stelt het hof het volgende vast.
Ingevolge artikel 359a, eerste lid, Sv kan het hof, indien blijkt dat vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en waarvan de gevolgen niet uit de wet blijken, bepalen dat de straf wordt verminderd, het aldus verkregen bewijsmateriaal buiten beschouwing wordt gelaten of het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk wordt verklaard. Ingevolge artikel 359a, tweede lid, Sv houdt het hof bij die beslissing rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daarmee wordt veroorzaakt.
De rechter heeft maar zeer beperkt ruimte voor een inhoudelijke toetsing van de vervolgingsbeslissing (HR 29 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1633). Niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens een onherstelbare schending van de persoonlijke levenssfeer is in deze zaak niet aan de orde. Ook is niet gebleken dat door de schending van de Wet Persoonsgegevens bewijsmateriaal is verzameld, zodat bewijsuitsluiting evenmin aan de orde is. Strafvermindering is wel een mogelijk rechtsgevolg indien er voldoende ernstige verzuimen zijn als bedoeld in artikel 359a Sv en dat is niet beperkt tot uitsluitend die gevallen waarin deze verzuimen hebben geleid tot benadeling van de verdachte in zijn strafzaak: ook ander voldoende ernstig nadeel van de verdachte kan grond bieden voor compensatie in de vorm van strafvermindering, aldus de Hoge Raad in het arrest van 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092. Vereist is dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim, gerechtvaardigd is.
Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. In de woning van de medeverdachte heeft een doorzoeking plaatsgevonden. Voorafgaand aan die doorzoeking was er een politiebriefing, waarbij ook het productieteam van het programma “ [naam programma] ” dat wordt uitgezonden op [streamingdienst] , aanwezig was. Tijdens de briefing die zag op de inhoudelijke bespreking van de doorzoeking bij de medeverdachte thuis, zijn persoonlijke gegevens besproken met betrekking tot de verdachte en diens medeverdachte, waarbij onder andere de naam van de verdachte is genoemd.
Hierdoor zijn er tijdens de briefing gegevens van de verdachte aan het camerateam en eventuele andere medewerkers van het productieteam verstrekt, waardoor in strijd met de Wet Persoonsgegevens informatie is verstrekt aan een derde.
Verder is door de politie en/of het Openbaar Ministerie niet geverbaliseerd dat er een uitzending werd gemaakt, waarbij een briefing is opgenomen waarbij voorgaande is besproken.
Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim nu – zoals hiervoor is overwogen – gedurende het voorbereidend onderzoek een cameraploeg is toegelaten tot de briefing wat is gefilmd ten behoeve van uitzending op de nationale televisie, waarbij de naam van de verdachte is genoemd ten overstaan van het camerateam. Het hof gaat er dan ook van uit dat daarmee het ambtsgeheim en de privacy van de verdachte is geschonden.
Ook is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim in die zin dat de politie en/of het Openbaar Ministerie heeft nagelaten te verbaliseren dat er een uitzending werd gemaakt, waarbij een briefing is opgenomen.
Nu echter niet gesteld noch gebleken is dat de verdachte enig nadeel heeft ondervonden van het verstrekken van zijn naam in de briefing en/of het niet verbaliseren van de uitzending door de politie en/of Openbaar Ministerie, ziet het hof niet in dat strafvermindering, in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim, gerechtvaardigd is. Het hof verwerpt dan ook het verweer van de verdediging op dit punt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks29 mei 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,opzettelijk heeft
geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/ofvervoerd
, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,ongeveer
(bruto)100 kilogram
, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende MDMA
, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van ongeveer 100 kilo MDMA. Het is algemeen bekend dat harddrugs, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast is het gebruik ervan, onder andere door de daarmee gepaard gaande criminaliteit, bezwarend voor de samenleving. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de drugscriminaliteit en het in gevaar brengen van de gezondheid van de gebruikers. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van Opiumwetfeiten. Voorts heeft het hof rekening gehouden met artikel 63 Wetboek Pro van strafrecht.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte uitgebreid verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden en daarbij onder meer verklaard dat hij een afbetalingsregeling heeft voor zijn schulden, zijn werk deels heeft kunnen oppakken en daarnaast mantelzorger is voor zijn vader en hij mede de zorg draagt voor zijn zoontje. Er loopt verder een procedure bij Menzis voor het verkrijgen van een PGB (persoonsgebonden budget).
Naar het zich laat aanzien heeft de verdachte zijn leven een positieve wending gegeven en heeft hij zich voorgenomen om niet wederom met politie en justitie in aanraking te komen.
Het hof is –alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur - waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest - een passende en geboden reactie vormt.

De inbeslaggenomen voorwerpen

Onder de verdachte is een geldbedrag ter hoogte van € 1.185,00 in beslag genomen (onder 1 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen).
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het geldbedrag verbeurd zal worden verklaard.
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde is de door de advocaat-generaal gestelde grondslag van de gevorderde verbeurdverklaring komen te vervallen. Het hof zal daarom besluiten tot teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen geldbedrag.
Het hof zal het op de beslaglijst onder 2 genoemde voertuig verbeurd verklaren. Het voertuig is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze aan de verdachte toebehoort en met behulp van het voertuig het onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
21 (eenentwintig) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
een autobus, [automerk] , [kenteken] .
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van € 1.185,00.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Knobbout, als voorzitter, mr. H.C. Wiersinga en
mr. M.E.L. Hendriks, leden, in bijzijn van de griffier L.R.A. Besteman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 mei 2026.
Mr. L.R.A. Besteman is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.