ECLI:NL:GHDHA:2026:166

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
200.348.458/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:119 BWArtikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over onrechtmatige advisering effectenlease door niet-vergunde tussenpersoon

Deze zaak betreft een effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en [geïntimeerde], waarbij via de tussenpersoon SpaarAdvies persoonlijk beleggingsadvies werd gegeven zonder de vereiste vergunning. [geïntimeerde] vorderde dat Dexia onrechtmatig handelde en schadevergoeding moest betalen. Dexia stelde dat zij niet wist van het vergunningplichtige advies en voerde tegenvorderingen in.

De kantonrechter oordeelde dat Dexia onrechtmatig handelde door het accepteren van [geïntimeerde] als cliënt terwijl zij behoorde te weten dat SpaarAdvies zonder vergunning persoonlijk adviseerde. Dexia werd veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten, en haar vorderingen werden afgewezen.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis bekrachtigd. Het hof stelde vast dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling deed, dat Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn, en dat Dexia onvoldoende gemotiveerd betwistte dat zij wetenschap had van het vergunningplichtige advies. Dexia werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep en de wettelijke rente.

De uitspraak bevestigt dat aanbieders van effectenleaseproducten aansprakelijk zijn voor onrechtmatige advisering door tussenpersonen zonder vergunning, ook als zij niet subjectief op de hoogte waren, en dat eigen schuld van de afnemer in dit kader niet tot vermindering van de vergoedingsplicht leidt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat Dexia onrechtmatig handelde door effectenlease te verkopen via een niet-vergunde tussenpersoon en veroordeelt Dexia tot schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.348.458/01
Zaaknummer rechtbank: : 10642209 EL 23-6
Arrest van 10 februari 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 15 augustus 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: het bestreden vonnis).

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met producties;
  • de akte uitlaten producties van Dexia;
  • de antwoordakte van [geïntimeerde].
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over een effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] via een tussenpersoon (SpaarAdvies). Aan de orde is de vraag of [geïntimeerde] is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
3.2.
[geïntimeerde] heeft, verkort weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [geïntimeerde] en/of toerekenbaar tekort is geschoten, dat [geïntimeerde] als gevolg daarvan schade heeft geleden en Dexia gehouden is die schade aan [geïntimeerde] te vergoeden. Verder heeft [geïntimeerde] gevorderd dat Dexia wordt veroordeeld om al hetgeen [geïntimeerde] aan Dexia onder de overeenkomst heeft betaald, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, alles vermeerderd met de wettelijke rente daarover, aan [geïntimeerde] te voldoen. Dexia heeft een tegenvordering ingesteld en, verkort weergegeven, gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Ook heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeelt om aan Dexia een bedrag van € 514,25 te betalen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
3.3.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia onrechtmatig tegenover [geïntimeerde] heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [geïntimeerde] niet alleen als klant aanbracht maar [geïntimeerde] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. Eveneens heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is. Daarnaast heeft de kantonrechter Dexia veroordeeld om de schade aan [geïntimeerde] te betalen zoals weergegeven in rov. 4.13 van het bestreden vonnis en Dexia veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter heeft de vorderingen van Dexia afgewezen.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder 2 (‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot het alsnog toewijzen van haar vordering en het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde].
4.3.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
Juridisch kader
4.4.
Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [geïntimeerde] SpaarAdvies als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [1]
Advisering
4.5.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [2]
4.6.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop SpaarAdvies in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “De feitelijke gang van zaken” in het eerste processtuk van [geïntimeerde] in eerste aanleg. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. [geïntimeerde] heeft naar aanleiding van aanbevelingen van zijn vrienden contact opgenomen met SpaarAdvies. Hierna is een afspraak gemaakt met een financieel adviseur van SpaarAdvies voor een adviesgesprek bij [geïntimeerde] thuis. Tijdens dit gesprek heeft de medewerker van de tussenpersoon geïnformeerd naar de financiële situatie en financiële wensen van [geïntimeerde]. Daarbij zijn het dienstverband, inkomen en de woonsituatie van [geïntimeerde] ter sprake gekomen. Ook is ter sprake gekomen welke financiële ruimte [geïntimeerde] had en is met de medewerker een plaatje gemaakt van de inkomsten en uitgaven van [geïntimeerde]. Er is besproken dat [geïntimeerde] de wens had om vermogen op te bouwen voor zijn pensioen, omdat [geïntimeerde] eerder wilde stoppen met werken. Naar aanleiding hiervan heeft de medewerker van de tussenpersoon [geïntimeerde] geadviseerd om een specifiek effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. De medewerker van SpaarAdvies heeft daarbij rekenvoorbeelden met positieve koersontwikkelingen laten zien. Dit product was volgens de medewerker van SpaarAdvies geschikt voor de situatie van [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft op het advies van de medewerker van SpaarAdvies vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Nadat [geïntimeerde] de overeenkomst thuis ter ondertekening ontving, heeft hij deze ondertekend en heeft de medewerker van SpaarAdvies deze bij Dexia bezorgd, aldus [geïntimeerde].
4.7.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door de tussenpersoon aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Dexia betoogt dat uit de algemene – en overigens ook onjuiste – stellingen van [geïntimeerde] en de overgelegde producties niet volgt dat SpaarAdvies vergunningplichtig advies heeft uitgebracht aan [geïntimeerde]. Dexia wijst op de verlopen tijdsduur en op het feit dat afnemer al geruime tijd juridische bijstand genoot voordat hij voor het eerst de stelling heeft ingenomen dat er geadviseerd is.. Dexia meent dat deze omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing vormen voor de onjuistheid van de stellingen van [geïntimeerde]. Dexia stelt verder vast dat [geïntimeerde] niet stelt met wie hij heeft gesproken en dat [geïntimeerde] klaarblijkelijk de naam en het geslacht van de persoon niet kent. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn stellingen, omdat hij tegelijkertijd wel allerlei details over de inhoud van het gesprek kan reproduceren. Dexia stelt dat het onjuist is dat tussenpersonen altijd een gepersonaliseerde aanbeveling deden, omdat dat er inmiddels overvloedig bewijs is dat zij veelvuldig een geheel andere werkwijze hanteerden die niet is aan te merken als het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van de tussenpersoon bij [geïntimeerde] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [geïntimeerde] voor waar worden gehouden. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.
4.8.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.
4.9.
Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële afnemers), terwijl het juist op de weg van Dexia heeft gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen niet slechts zelden in algemene zin de afnemers pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de STE/AFM erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico. In de verhouding met [geïntimeerde] komt ook voor haar risico dat zij – naar eigen zeggen – pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) wist dat de inhoud van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon van doorslaggevende betekenis zouden zijn.
4.10.
Naar het oordeel van het hof moet de door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) de tussenpersoon heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde], (ii) [geïntimeerde] het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon de effectenleaseproducten aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde], en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Dat [geïntimeerde] de naam en het geslacht van de medewerker van de tussenpersoon niet heeft genoemd in de processtukken, maakt dat niet anders. Naar het oordeel van het hof bieden de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die bevestigen dat SpaarAdvies met [geïntimeerde] de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd.
4.11.
Omdat Dexia de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, zal het hof haar niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Zij heeft onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid.
4.12.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
Wetenschap Dexia
4.13.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten, financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde].
4.14.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat SpaarAdvies aan de eisen van artikel 41 Nadere Pro Regeling toezicht effectenverkeer 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door SpaarAdvies werd geadviseerd. Dexia heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de werkelijke werkwijze van SpaarAdvies afweek. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat SpaarAdvies [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
4.15.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Verklaring voor recht
4.16.
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief IV op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht heeft afgewezen. Omdat de voorgaande grieven niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.
Conclusie
4.17.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter de door [geïntimeerde] gevorderde verklaringen voor recht terecht heeft toegewezen en Dexia terecht heeft veroordeeld om de schade van [geïntimeerde] te vergoeden.
4.18.
Partijen zijn nu, met verwijzing naar rov. 4.13 van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen.
Slotsom en proceskosten
4.19.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
4.20.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
5.2.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 349,00 aan griffierecht en op € 1.935,00 (1,5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
5.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, J.W. Frieling en P. Volker, en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).