Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[verzoeker] ,
[naam] Vastgoed B.V .,
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
3.Feitelijke achtergrond
on hold’gezet zolang er tussen partijen nog gesproken wordt.
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Verzoek in hoger beroep
grief 1). [verzoeker] en [naam] voeren aan dat de situatie die in de periode tussen 1997 en 2004 is ontstaan ten onrechte niet of onjuist in de splitsingsakte is opgenomen. Volgens hen zijn er in het overleg met de voormalige verhuurder afspraken gemaakt en verwachtingen gewekt die meebrengen dat de destijds door [verzoeker] voor zijn praktijk aangebrachte wijzigingen aan of in het gebouw akkoord waren. In dat verband wijzen [verzoeker] en [naam] erop dat [verzoeker] de ruimte boven de goederenlift al vanaf 1997 in gebruik heeft voor zijn praktijk en dat er geen andere eigenaren zijn die die ruimte kunnen of willen gebruiken (
grieven 2 en 3). Zij menen dat de verzoeken om een vervangende machtiging te verlenen, moeten worden beoordeeld binnen het kader van de redelijkheid en billijkheid. Zij merken daarbij op dat de oproep die de rechtbank in rov. 4.5 van het vonnis heeft gedaan om wijziging van de splitsingsakte te vorderen voor hen geen begaanbare weg is, nu zij in de VvE geen meerderheid hebben. Daarom hebben zij in navolging van de oproep die de rechtbank in rov. 4.45 van het vonnis heeft gedaan, aan de VvE voorstellen gedaan om tijdelijke afwijkingen van de splitsingsakte toe te staan, zoals in het Wortelboerarrest. Met die voorstellen is het mogelijk om de praktijkvoering voort te zetten zonder dat dat tot wijziging van de splitsingsakte hoeft te leiden. De VvE heeft deze voorstellen echter zonder redelijke grond afgewezen en zonder ruimte te bieden voor overleg (
grieven 4 tot en met 7). Het verzoek betreft een andere rechtsvraag en een ander beoordelingskader, dan de vraag die ter beoordeling voorlag bij de rechtbank, zodat van een verkapt hoger beroep volgens hen geen sprake is (
grief 8). Het enkele beroep van de VvE op de splitsingsakte is geen op redelijke gronden gestoelde weigering, nog daargelaten dat de VvE met twee maten meet omdat tegen andere appartementsrechteigenaars met soortgelijk afwijkend gebruik ten opzichte van de splitsingsakte niet wordt opgetreden (
grief 9).
- Het gedurende het bestaan van de praktijk mogen gebruiken van de [adres 6] als bedrijfsruimte,
- Het gedurende het bestaan van de praktijk mogen gebruiken van de [adres 4] als bedrijfsruimte, althans voor zover het hof meent dat het ondergeschikte bedrijfsmatige dubbelgebruik naast wonen van het appartement [adres 4] betekent dat er (alsnog) wordt gehandeld in strijd met de woon-bestemming;
- Primair: het gedurende het bestaan van de praktijk mogen gebruiken van de gemeenschappelijke ruimte boven de goederen lift voor de technische installaties (afzuigmotor, centrale stofzuigeren een CV-ketel) met inachtneming van wet- en regelgeving, regelmatige keuringen en een passende verzekering.
- Subsidiair: het gedurende het bestaan van de praktijk mogen gebruiken van de gemeenschappelijke ruimte boven de goederenlift voor het hebben en houden van leidingen ten behoeve van de technische installaties van [verzoeker] in de naastgelegen bergingen van [verzoeker] , welke leidingen via de gemeenschappelijke liftruimte lopen naar de praktijkruimten van [verzoeker] met inachtneming van wet- en regelgeving, regelmatige keuringen en een passende verzekering;
- Het gedurende het bestaan van de praktijk toestaan van de bestaande verbouwingen en doorbraken binnen en tussen de appartementen van [verzoeker] op de eerste verdieping [adres 3] en B en [adres 5] , inclusief het realiseren van een interne verbouwing van en een nieuwe verbinding tussen [adres 6] en [adres 3] op dezelfde wijze als binnen de overige appartementen reeds is gerealiseerd, met inachtneming van wet- en regelgeving en passende verzekering;
- Te verklaren voor recht dat het [verzoeker] is toegestaan om gedurende het bestaan van zijn praktijk de doorbraak tussen het appartement van [verzoeker] op de eerste verdieping aan de [adres] [adres 2] en het appartement van [verzoeker] op de begane grond aan de [adres 5] , te hebben en te houden, met inachtneming van wet- en regelgeving en passende verzekering;
- Het gedurende het bestaan van de praktijk in gebruik laten van de glazen toegangsdeuren als privégedeelte behorende bij het appartementsrecht [adres 3] en [adres 2] met het recht van onderhoud en vervanging;
- Te verklaren voor recht dat de glazen toegangsdeuren als privégedeelte behoren bij het appartementsrecht [adres 3] en [adres 2] met het recht van onderhoud en vervanging.
6.Beoordeling in hoger beroep
Inzet van het hoger beroep
‘on hold’is gezet, ongedaan worden
Het gebruik van de [adres 6] en B als bedrijfsruimte
woningenop de eerste verdieping van het gebouw met bijbehorende berging in de kelder. Zonder nadere toelichting, die [naam] en [verzoeker] niet hebben gegeven, valt niet in te zien op grond waarvan de in de ondersplitsing gegeven woonbestemming niet had mogen afwijken van een eventuele dubbelbestemming voor het gebouw in de hoofdsplitsing.
Het gebruik van de gemeenschappelijke ruimte boven de goederenlift
door [verzoeker]niet meer wordt gevoerd” (pleitnota in hoger beroep onder 30), maar die optie is nimmer aan de VvE ter besluitvorming voorgelegd. Daar komt bij dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft aangegeven dat hij voor onbepaalde tijd, ook tot na zijn pensionering, aan de praktijk verbonden wil blijven. Het risico voor de VvE dat het niet bij een kortdurend afwijkend gebruik zal blijven wordt overigens, uitgaande van de ‘tijdelijkheid’ zoals geformuleerd in het petitum, versterkt door het feit dat niet [verzoeker] , maar [naam] de eigenaar is van beide appartementsrechten en [verzoeker] als directeur/eigenaar van [naam] ervoor kan kiezen om zijn (praktijk)belang in die vennootschap op enig moment aan een ander over te doen of de (aandelen in de) vennootschap over te dragen. Deze onzekerheid brengt naar het oordeel van het hof temeer mee dat niet kan worden volgehouden dat de VvE geen redelijke grond heeft om voor de vijf genoemde gevallen haar toestemming te weigeren.
7.Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank [plaats] van 1 mei 2024;
- veroordeelt [verzoeker] en [naam] hoofdelijk in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de VvE begroot op € 3.567,-;
- bepaalt dat als [verzoeker] en [naam] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [verzoeker] en [naam] de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
- verklaart deze beschikking ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevraagd.