Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1588

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
BK-24/1016
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:109 AwbArt. 2, lid 1, onderdeel a, Bpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging wegingsfactor 0,25 bij kostenvergoeding bezwaren dwangbevelkosten

Belanghebbende maakte bezwaar tegen beschikkingen dwangbevelkosten die waren opgelegd wegens niet tijdige betaling van aanslagen lokale heffingen. De Invorderingsambtenaar verklaarde de bezwaren gegrond en kende een kostenvergoeding toe met een wegingsfactor van 0,25, wat de rechtbank bevestigde. Belanghebbende stelde hoger beroep in en voerde aan dat de wegingsfactor onterecht laag was en dat niet alle relevante stukken waren overgelegd.

Het hof oordeelde dat de stukken die belanghebbende miste niet relevant waren voor het geschilpunt, omdat de beschikkingen dwangbevelkosten reeds waren vernietigd. De toepassing van de wegingsfactor 0,25 werd als terecht beoordeeld, omdat het bezwaar eenvoudig was en weinig inspanning vereiste. Uitgebreide bezwaarschriften en andere juridische procedures waren niet relevant voor de beoordeling van de kostenvergoeding.

Daarnaast werd het beroep op betalingsonmacht inzake het griffierecht toegewezen vanwege specifieke omstandigheden, ondanks dat het toetsingskader aanvankelijk onjuist was toegepast. Het hoger beroep werd verder ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de rechtbankuitspraak dat de wegingsfactor 0,25 terecht is toegepast en wijst het beroep op betalingsonmacht griffierecht toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/1016

Uitspraak van 23 april 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: A.F. van Hecke)
en
de invorderingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, de Invorderingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 december 2024, nummers SGR 23/5519 en SGR 23/5520.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende zijn bij afzonderlijke beschikkingen dwangbevelkosten in rekening gebracht vanwege het niet tijdig betalen van aanslagen met aanslagnummers […] en […] (de beschikkingen dwangbevelkosten).
1.2.
Bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar heeft de Invorderingsambtenaar belanghebbendes bezwaren tegen de beschikkingen dwangbevelkosten gegrond verklaard en de beschikkingen dwangbevelkosten vernietigd. Tevens heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende voor elk van de bezwaren een kostenvergoeding toegekend van € 74.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van de beroepen is één keer € 50 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht inzake griffierecht gedaan. Dit beroep op betalingsonmacht is door de griffier voorlopig toegewezen. Belanghebbende heeft op 28 februari 2025, 3 juni 2025, en 26 juni 2026 nadere stukken ingediend. De Invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft op 10 maart 2026 een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Aan belanghebbende zijn met dagtekening 29 februari 2020 en 31 augustus 2022 aanslagen lokale heffingen opgelegd.
2.2.
Omdat belanghebbende de aanslagen niet voor het verstrijken van de betalingstermijn (volledig) heeft betaald, heeft de Invorderingsambtenaar met dagtekening 21 april 2023 aanmaningen gestuurd en daarbij voor elk van de aanmaningen € 18 aanmaningskosten in rekening gebracht. De aanmaningen vermelden dat de op de aanslagen verschuldigde bedragen vóór 5 mei 2023 betaald moeten zijn.
2.3.
Op 25 april 2023 heeft belanghebbende een beroep gedaan op kwijtschelding van de aanslagen. Naar aanleiding van het beroep op kwijtschelding heeft de Invorderingsambtenaar uitstel van betaling verleend voor de aanslagen.
2.4.
Omdat belanghebbende de op de aanslagen verschuldigde bedragen niet vóór 5 mei 2023 heeft betaald, heeft de Invorderingsambtenaar met dagtekening 20 mei 2023 dwangbevelen uitgevaardigd. Ter zake van het dwangbevel voor betaling van de aanslag met nummer […] is € 146 dwangbevelkosten in rekening gebracht en ter zake van het dwangbevel voor betaling van de aanslag met nummer […] € 90.
2.5.
De Invorderingsambtenaar heeft de door belanghebbende tegen de beschikkingen dwangbevelkosten gemaakte bezwaren gegrond verklaard, omdat uitstel was verleend voor de betaling van de aanslagen. Tevens heeft hij per bezwaar een kostenvergoeding toegekend van € 74 (een punt voor het bezwaarschrift met een waarde van € 296 en wegingsfactor 0,25).

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Invorderingsambtenaar als verweerder:
“6. Voor zover eiseres stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft overgelegd, volgt de rechtbank haar daarin niet. Eiseres heeft onvoldoende geconcretiseerd welke op de zaak betrekking hebbende stukken nog zouden ontbreken.
7. Voor wegingsfactor 0,25 kan aanleiding bestaan in zaken met een zeer gering belang en met een zeer eenvoudig te beslechten geschil.[1] Het gaat dan om zaken die slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandverlener behoeven.
8. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in onderhavige zaken aan de voorwaarden voor toepassing van wegingsfactor 0,25 gedaan. De inspanning van de gemachtigde heeft zich in de bezwaarfase kunnen beperken tot vermelding van de nog openstaande kwijtscheldingsverzoeken. Dit betreft een eenvoudige werkzaamheid van korte duur. Dat de gemachtigde in deze zaken een veelheid aan andere geschillen heeft betrokken en een context heeft geschetst die meerdere decennia teruggaat, was voor de afwikkeling van de bezwaren tegen de dwangbevelen 1 en 2 niet noodzakelijk. Voor haar stelling dat de oplegging van de dwangbevelen niet het gevolg is van een misslag, maar onderdeel vormt van een verdienmodel van de gemeente, is door eiseres geen enkel bewijs geleverd.
9. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om uit te gaan van een hogere wegingsfactor dan 0,25 en dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
(…)
Proceskosten
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
[1] Zie Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechsthoven 2024, als bijlage opgenomen bij de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 1 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2158.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil of de Invorderingsambtenaar artikel 8:42 Awb Pro heeft geschonden en of een hogere wegingsfactor ter zake van de toegekende kostenvergoedingen dient te worden toegepast. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Invorderingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar voor zover die zien op de veroordeling in de kosten en toekenning van een kostenvergoeding in elk van de bezwaarprocedures met toepassing van een wegingsfactor 1,5.
4.3.
De Invorderingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Verzoek betalingsonmacht griffierecht
5.1.
De griffier heeft het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht ter zake van het in hoger beroep verschuldigde griffierecht bij brief van 7 februari 2025 voorlopig toegewezen. Daarbij is de griffier uitgegaan van een onjuist toetsingskader. Bij toepassing van het juiste toetsingskader zou het beroep op betalingsonmacht moeten worden afgewezen. Het Hof heeft belanghebbende eerst ter zitting op de hoogte gesteld van de toepassing van het verkeerde toetsingskader en het gevolg daarvan voor het beroep op betalingsonmacht. Belanghebbende heeft daardoor niet meer de gelegenheid gehad met nadere stukken te onderbouwen dat zij wel terecht een beroep op betalingsonmacht heeft gedaan. Schorsing van het onderzoek ter zitting om belanghebbende daar alsnog de gelegenheid toe te bieden acht het Hof om redenen van proceseconomie niet gewenst. Onder deze specifieke omstandigheden acht het Hof het gerechtvaardigd dat het beroep op betalingsonmacht wordt toegewezen.
Schending van artikel 8:42 Awb Pro
5.2.
Belanghebbende stelt dat de Invorderingsambtenaar artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden door niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende doelt daarbij op stukken waaruit zou blijken dat de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland bewust onrechtmatig incassomaatregelen neemt. Het Hof volgt belanghebbende niet in deze stelling. In de onderhavige zaak is niet de onrechtmatigheid van de beschikkingen dwangbevelkosten in geschil. Die beschikkingen zijn bij uitspraken op bezwaar immers vernietigd (zie 1.2). Stukken waaruit zou blijken dat de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland bewust onrechtmatig incassomaatregelen neemt, wat er van die stelling ook zij, behoren daarom niet tot de op deze zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 Awb Pro. Dat de Invorderingsambtenaar stukken die van belang zijn voor de beslechting van het in deze zaak aan de orde zijnde geschilpunt, de wegingsfactor die is toegepast voor de bepaling van de kostenvergoeding in de bezwaarfase, niet in het geding heeft gebracht, is gesteld noch gebleken.
De wegingsfactor
5.3.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Invorderingsambtenaar ten onrechte wegingsfactor 0,25 heeft toegepast bij de vaststelling van de kostenvergoedingen ter zake van de gegrondverklaring van de bezwaren tegen de beschikkingen dwangbevelkosten. Volgens belanghebbende moet de wegingsfactor 1,5 zijn. Zij voert daartoe aan dat de beschikkingen dwangbevelkosten een herhaling zijn van eerdere beschikkingen dwangbevelkosten voor dezelfde aanslagen en dat het gebruik van nummers door de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland het zeer bewerkelijk maakt om te achterhalen op welke aanslagen de beschikkingen dwangbevelkosten betrekking hebben.
5.4.
In artikel 7:15, lid 2, Awb is bepaald dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, op verzoek van de belanghebbende worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop de vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld (artikel 7:15, lid 4, Awb). In artikel 1, aanhef en onderdeel a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is bepaald dat de in artikel 7:15, lid 2, Awb bedoelde kosten betrekking kunnen hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel a, Bpb is bepaald dat het bedrag van de kosten wordt vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Bpb opgenomen tarief. Uit onderdeel A5 van de bijlage bij het Bpb volgt dat voor het indienen van een bezwaarschrift één punt wordt toegekend. Uit onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb volgt dat voor een zaak met een “zeer licht” gewicht wegingsfactor 0,25 wordt toegepast.
5.5.
Het Hof is van oordeel dat de Invorderingsambtenaar terecht wegingsfactor 0,25 heeft toegepast. De beschikkingen dwangbevelkosten bevatten de naam van belanghebbende en de aanslagnummers waarop de dwangbevelen betrekking hebben. Het was voor belanghebbende dan ook zeer eenvoudig geweest om onder vermelding van die aanslagnummers bezwaren in te dienen tegen de beschikkingen dwangbevelkosten met als enige grond van bezwaar dat voor deze aanslagen uitstel van betaling is verleend. Een dergelijk eenvoudig bezwaarschrift rechtvaardigt de kwalificatie “zeer licht” als bedoeld in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb. Daar komt bij dat de bezwaarschriften tegen beide beschikkingen dwangbevelkosten met uitzondering van het aanslagnummer en het bedrag van de dwangbevelkosten identiek konden zijn. De eenvoud van de zaak blijkt ook uit het feit dat de Invorderingsambtenaar de bezwaren zonder nadere vragen gegrond heeft verklaard. Het gewicht van de zaak wordt niet anders doordat belanghebbende zeer uitvoerige bezwaarschriften heeft opgesteld waarin wordt verwezen naar tal van andere juridische procedures. Evenmin wordt het gewicht van de zaak beïnvloed door het niet vermelden van een burgerservicenummer op de dwangbevelen, waardoor het indienen van de bezwaren volgens belanghebbende meer tijd heeft gekost. Deze omstandigheden doen niet af aan de constatering dat het aantekenen van bezwaar tegen de beschikkingen dwangbevelkosten op de grond dat uitstel van betaling was verleend voor de aanslagen eenvoudige werkzaamheden zijn.
Slotsom
5.6.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, T.A. de Hek en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.