Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1585

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
BK-24/832 tot en met BK-24/835
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht ondanks afwijzing betalingsonmacht

Belanghebbende tekende verzet aan tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht. Het Hof had eerder het beroep op betalingsonmacht afgewezen omdat niet was voldaan aan de criteria, waaronder het ontbreken van recente bewijsstukken over het inkomen en vermogen in de relevante periode.

Belanghebbende had meerdere malen een beroep op betalingsonmacht gedaan, maar kon niet aannemelijk maken dat haar netto-inkomen lager was dan 95% van de bijstandsnorm in de referentieperiode tussen 11 september en 9 oktober 2024. Ook ontbraken bewijsstukken over het vermogen. Het Hof concludeerde dat belanghebbende in verzuim was gebleven door het griffierecht niet te voldoen.

De overige door belanghebbende aangevoerde omstandigheden waren onvoldoende om het verzuim te weerleggen. Het Hof verklaarde het verzet ongegrond en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en het niet aannemelijk maken van betalingsonmacht.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-24/832 tot en met BK-24/835

Uitspraak van 23 april 2026

op het verzet van [X] te [Z] , belanghebbende, tegen de onder 1.1 vermelde uitspraak.

Uitspraak en verzet

1.1.
Belanghebbende heeft verzet aangetekend tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling van de enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 5 december 2024 (de uitspraak), waarbij het hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 4 juli 2024, nummers SGR 23/2775 tot en met SGR 23/2778, niet-ontvankelijk is verklaard omdat belanghebbende het griffierecht niet heeft betaald.
1.2.
Het verzetschrift is ter griffie van het Hof ontvangen op 15 januari 2025.
1.3.
De mondelinge behandeling van het verzet heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof op 17 maart 2026. Het verzet is gelijktijdig behandeld met het verzet in de zaken met nummers BK-24/836 tot en met BK-24/838. Belanghebbende en haar gemachtigde zijn verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een nader stuk overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Op 11 september 2024 is een nota griffierecht op naam van belanghebbende verzonden naar het adres van de gemachtigde van belanghebbende. De uiterste betaaldatum was 9 oktober 2024.
2.2.
Bij brief van 18 september 2024 heeft belanghebbende een beroep op betalingsonmacht voor voldoening van het griffierecht gedaan. Belanghebbende heeft het verzoek op betalingsonmacht onderbouwd met onder meer haar aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2023, een voor het jaar 2023 geldende jaaropgave van de Sociale Verzekeringsbank en recente overzichten van verschillende bank- en spaarrekeningen.
2.3.
Bij brief van 7 oktober 2024 heeft het Hof belanghebbendes beroep op betalingsonmacht afgewezen omdat niet aan de criteria voor betalingsonmacht is voldaan. In de brief is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“U heeft namens [belanghebbende] , belanghebbende, een beroep op betalingsonmacht inzake griffierecht gedaan.
Naar aanleiding van de door u verstrekte gegevens ben ik van mening dat belanghebbende niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet. U heeft geen recente specificaties van haar inkomsten ingediend en van de door u vermelde beslaglegging op de AOW-uitkering is geen bewijs bijgevoegd. Ook bewijsstukken betreffende door haar zoons aan belanghebbende verstrekte geldleningen ontbreken.
Daarom wijs ik het beroep op betalingsonmacht inzake griffierecht af.
U ontvangt een nieuwe nota voor het betalen van het verschuldigde griffierecht. U wordt verzocht het griffierecht binnen de op de nota gestelde betalingstermijn te betalen. Het niet of niet op tijd betalen van het griffierecht kan ertoe leiden dat het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart. Dat betekent dat het hoger beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.”
2.4.
De betalingsherinnering ter zake van de eerder verzonden nota griffierecht is op 16 oktober 2024 per aangetekende post verzonden aan het voornoemde adres van de gemachtigde van belanghebbende. In deze nota is, onder meer, het volgende vermeld:
“Het in deze zaak gedane beroep op betalingsonmacht inzake griffierecht is afgewezen, daarom krijgt u hierbij nogmaals een nota. Het nog te betalen bedrag is € 138,00.
(…)
Er wordt u geen betalingsherinnering meer gestuurd.
(…)
Als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven, kan het (hoger) beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, dat wil zeggen dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen.”
Deze nota griffierecht is blijkens door de griffier bij PostNL ingewonnen en aan het dossier toegevoegde informatie op 17 oktober 2024 op het voormelde adres bezorgd. De uiterste betaaldatum was 13 november 2024.
2.5.
Bij brief met bijlage, door het Hof ontvangen op 24 oktober 2024, heeft de gemachtigde van belanghebbende geprotesteerd tegen de afwijzing van het beroep op betalingsonmacht voor betaling van het griffierecht en verzocht om heroverweging. Aan de brief is een bericht van de Sociale Verzekeringsbank als bijlage gehecht met daarin de mededeling dat gedeeltelijk beslag wordt gelegd op de AOW-uitkering van belanghebbende, resulterend in een netto AOW-uitkering van € 1.225,21 met ingang van de maand juni van het jaar 2024.
2.6.
Bij aangetekende brief van 25 oktober 2024 heeft de griffier belanghebbendes herhaalde beroep op betalingsonmacht afgewezen. In de brief is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“U heeft nogmaals namens [belanghebbende] een beroep op betalingsonmacht inzake griffierecht gedaan en daarbij slechts een bewijs van het beslag op haar AOW-uitkering gevoegd. Omdat u het beroep op het bestaan van betalingsonmacht niet heeft onderbouwd met andere (recente) bewijsstukken, wijs ik het beroep op betalingsonmacht weer af.
U wordt verzocht het griffierecht binnen de op de recent naar u gezonden aangetekende nota gestelde betalingstermijn te betalen. Het niet of niet op tijd betalen van het griffierecht kan ertoe leiden dat het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart. Dat betekent dat het hoger beroep niet inhoudelijk wordt behandeld.
Een volgend beroep op betalingsonmacht in de onderhavige zaken wordt niet in behandeling
genomen.”
2.7.
Het Hof heeft op 5 december 2024 na vereenvoudigde behandeling uitspraak gedaan en het hoger beroep niet ontvankelijk verklaard omdat belanghebbende het griffierecht niet heeft betaald. Belanghebbende heeft verzet aangetekend tegen de uitspraak.
2.8.
Belanghebbende heeft op 26 juni 2025 en 10 maart 2026 nadere stukken ingediend. Aan de nadere stukken van 10 maart 2026 zijn brieven gehecht die betrekking hebben op belanghebbendes zorgverzekering en Toeslagen. Voorts is een begroting van de kosten van een behandeling bij de tandarts bijgevoegd.
2.9.
Uit de administratie blijkt dat het verschuldigde griffierecht ter zake van de indiening van het hoger beroep niet is voldaan.

Standpunt belanghebbende

3. In geschil is of het hoger beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Beoordeling van het verzet

4.1.
Van de indiener van een hogerberoepschrift wordt een griffierecht geheven. De termijn voor de betaling van het griffierecht bedraagt vier weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van verzending van de nota griffierecht. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, indien het verschuldigde griffierecht niet binnen de daartoe gestelde termijn is bijgeschreven op de bankrekening die op de nota is vermeld of anderszins is betaald, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.2.
Met dagtekening 11 september 2024 is aan belanghebbende een nota griffierecht verzonden met als uiterste betaaldatum 9 oktober 2024. Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan. Het Hof heeft belanghebbendes beroep op betalingsonmacht afgewezen omdat niet aan de criteria voor betalingsonmacht is voldaan en op 16 oktober 2024 een nieuwe nota griffierecht aan belanghebbende verzonden met als uiterste betaaldatum 13 november 2024. Belanghebbende heeft als reactie op de nota griffierecht wederom een beroep op betalingsonmacht gedaan. Ook dat beroep op betalingsonmacht is door het Hof afgewezen waarbij belanghebbende nogmaals is gewezen op de eerder medegedeelde uiterste betaaldatum van 13 november 2024. Uit de administratie van het Hof blijkt dat het verschuldigde griffierecht niet is voldaan.
4.3.
Belanghebbende stelt het griffierecht niet te hebben betaald omdat zij in betalingsonmacht verkeert. Een beroep op betalingsonmacht wordt gehonoreerd als de vereiste actuele gegevens en bewijsstukken en eventuele nadere informatie binnen de daartoe gestelde termijn zijn ontvangen en op grond daarvan aannemelijk is dat sprake is van betalingsonmacht doordat (i) het netto-inkomen waarover de rechtzoekende maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan (vanaf 1 januari 2021) 95 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, ongeacht de gezinssamenstelling van de rechtzoekende, en verder (ii) dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Hierbij dienen het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende. Het gaat hier om het inkomen en vermogen in de periode tussen het moment dat de griffier de rechtzoekende voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en het einde van de voor de betaling ervan gestelde termijn. (HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651). In deze zaak gaat het dan om de periode tussen 11 september 2024 en 9 oktober 2024
4.4.
Belanghebbende heeft niet de vereiste actuele gegevens, bewijsstukken en eventuele nadere informatie aan het Hof verstrekt aan de hand waarvan het Hof kan beoordelen en op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat het netto-inkomen waarover zij beschikte in de onder 4.3 genoemde referentieperiode minder bedraagt dan 95 procent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm. De onder 2.5 bedoelde brief van de Sociale Verzekeringsbank met daarin de mededeling dat gedeeltelijk beslag is gelegd op de AOW-uitkering en die door belanghebbende als bewijsstuk ten aanzien van haar netto-maandinkomen is ingediend, ziet niet op de referentieperiode. De overige door belanghebbende ingediende stukken kunnen niet als bewijs dienen voor haar standpunt, reeds omdat de stukken evenmin zien op de te beoordelen referentieperiode of omdat deze geen betrekking hebben op het inkomen van belanghebbende. Aangezien belanghebbende niet aan het eerste criterium voldoet wordt aan de beoordeling van het tweede criterium (dat ziet op het vermogen van belanghebbende in de referentieperiode) niet toegekomen.
4.5.
Gelet op het voorgaande is de slotsom dat belanghebbende in de referentieperiode niet voldoet aan het inkomenscriterium, zodat haar beroep op betalingsonmacht niet wordt gehonoreerd. Vaststaat dat het verschuldigde griffierecht niet is voldaan. De door belanghebbende overige daartoe aangevoerde omstandigheden zijn niet van dien aard dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Belanghebbende is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard haar hoger beroep.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, M.J.M. van der Weijden, en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout T.A. de Hek
De beslissing is op 23 april 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kan belanghebbende binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.