Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1566

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
22-002159-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 48 SrArt. 49 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid poging ontploffing met gemeen gevaar voor goederen

De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, maar het hof vernietigde dit vonnis en veroordeelde hem voor medeplichtigheid aan poging tot het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij een woning, waarbij gemeen gevaar voor goederen bestond.

De verdachte had via Snapchat berichten en telefonische gesprekken instructies en actuele informatie doorgegeven aan mededaders die een explosief bij een woning plaatsten met het doel dit tot ontploffing te brengen. Het explosief bevatte een grote hoeveelheid flitspoeder, wat tot aanzienlijke schade had kunnen leiden, maar de ontploffing is niet voltooid.

Het hof hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd, motivatie en betrokken ouders, en legde een jeugddetentie van 100 dagen op, waarvan 26 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en coaching.

De vorderingen van vijf benadeelde partijen tot immateriële schadevergoeding werden niet-ontvankelijk verklaard omdat het hof onvoldoende bewijs zag voor het vereiste opzet of concreet psychisch letsel. De vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Het arrest werd gewezen door het hof Den Haag op 30 april 2026, waarbij één lid niet kon medeondertekenen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 dagen jeugddetentie, deels voorwaardelijk, voor medeplichtigheid aan poging tot ontploffing met gemeen gevaar voor goederen.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002159-25
Parketnummer: 09-400517-24
Datum uitspraak: 30 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:
Hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Curaçao en/of te Alphen aan den Rijn, in ieder geval in het Koninkrijk der Nederlanden,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in/bij een woning gelegen aan [adres 2] ,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of aangrenzende woning(en) en/of zich in die woning en/of aangrenzende woning(en) bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor lichamelijk letsel voor een of meer zich in deze woning en/of aangrenzende woning(en) bevindend(e) perso(o)n(en) en/of een of meer perso(o)n(en) die zich in de directe omgeving/nabijheid van die woning bevonden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was,
- (via Snapchat) één of meer berichten en/of audio messages heeft verzonden naar zijn mededader(s) en/of telefonische gesprekken heeft gevoerd met zijn mededader(s) met instructies en/of aansturing(en) en/of actuele informatie, met betrekking tot de locatie van de woning aan [adres 2] en met betrekking tot het teweegbrengen van een ontploffing bij voornoemde woning
waarbij/waarna (vervolgens) door zijn mededader(s) een tas bij de voordeur van voornoemde woning is geplaatst met een explosief, althans ontvlambaar en/of ontplofbaar en/of brandbaar voorwerp en/of vloeistof en/of door zijn mededader(s) is getracht het voorwerp in de betreffende tas middels een draad en/of aansteker tot ontploffing te brengen, althans in aanraking te brengen met open vuur.
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:
[mededader 1] en/of [mededader 2] en/of een of meer andere dader(s) op of omstreeks 10 oktober 2024 te Curaçao en/of te Alphen aan den Rijn, in ieder geval in het Koninkrijk der Nederlanden, ter uitvoering van het door die eerdergenoemde dader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in/bij een woning gelegen aan [adres 2] ,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of aangrenzende woning(en) en/of zich in die woning en/of aangrenzende woning(en) bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor lichamelijk letsel voor een of meer zich in deze woning en/of aangrenzende woning(en) bevindend(e) perso(o)n(en) en/of een of meer perso(o)n(en) die zich in de directe omgeving/nabijheid van die woning bevonden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was,
een tas bij de voordeur van voornoemde woning heeft / hebben geplaatst, inhoudende en/of een explosief althans een ontvlambaar en/of ontplofbaar en/of brandbaar voorwerp en/of vloeistof, en/of de betreffende tas middels een draad en/of aansteker tot ontploffing heeft / hebben getracht te brengen, althans in aanraking te brengen met open vuur,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 10 oktober 2024 te Curaçao en/of te Alphen aan den Rijn, in ieder geval in het Koninkrijk der Nederlanden, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
- (via Snapchat) één of meer berichten en/of audio messages te verzenden naar en/of telefonische gesprekken te voeren met genoemde [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of een of meer andere dader(s), inhoudende het geven van informatie en/of instructies en/of aansturing(en), met betrekking tot de locatie van de woning aan [adres 2] , en met betrekking tot de wijze van het teweegbrengen van een ontploffing bij voornoemde woning.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 26 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en onder oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, meewerken aan ambulante behandeling en meewerken aan een coaching traject.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
[mededader 1] en
/of[mededader 2] en
/ofeen of meer andere dader(s) op
of omstreeks10 oktober 2024
te Curaçao en/ofte Alphen aan den Rijn, in ieder geval in het Koninkrijk der Nederlanden, ter uitvoering van het door die eerdergenoemde dader
(s
)voorgenomen misdrijf om opzettelijk
brand te stichten en/ofeen ontploffing teweeg te brengen in/bij een woning gelegen aan [adres 2] ,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of aangrenzende woning(en) en/of zich in die woning en/of aangrenzende woning(en) bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen
en/of levensgevaar en/of gevaar voor lichamelijk letsel voor een of meer zich in deze woning en/of aangrenzende woning(en) bevindend(e) perso(o)n(en) en/of een of meer perso(o)n(en) die zich in de directe omgeving/nabijheid van die woning bevonden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een anderte duchten was,
een tas bij de voordeur van voornoemde woning
heeft /hebben geplaatst, inhoudende
en/ofeen explosief althans een ontvlambaar en/of ontplofbaar en/of brandbaar voorwerp
en/of vloeistof, en
/ofde betreffende tas middels een draad en
/ofaansteker tot ontploffing
heeft /hebben getracht te brengen,
althans in aanraking te brengen met open vuur,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
bij en/oftot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op
of omstreeks10 oktober 2024 te Curaçao
en/of te Alphen aan den Rijn, in ieder geval in het Koninkrijk der Nederlanden,opzettelijk behulpzaam is geweest en
/ofopzettelijk
gelegenheid, middelen en/ofinlichtingen heeft verschaft, door:
-
(via Snapchat) één of meerberichten en/of audio messages te verzenden naar en/of telefonische gesprekken te voeren met genoemde [mededader 1] en
/of[mededader 2]
en/of een of meer andere dader(s), inhoudende het geven van informatie en/of instructies en/of aansturing(en), met betrekking tot de locatie van de woning aan [adres 2] , en met betrekking tot
de wijze vanhet teweegbrengen van een ontploffing bij voornoemde woning.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplichtigheid aan poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte is medeplichtig aan een poging tot het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. De verdachte heeft aan de jongens die het explosief bij een woning hebben geplaatst met het doel dit tot ontploffing te brengen, doorgegeven wat zij moesten doen en waar zij moesten zijn. Er is geprobeerd het explosief tot ontploffing te brengen, hetgeen niet is gelukt. Het explosief bevatte een grote hoeveelheid flitspoeder, wat tot grote schade had kunnen leiden.
Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft kennelijk tot doel personen te bedreigen en te intimideren. Naast het grote en serieuze gevaar dat van dergelijke ontploffingen uitgaat en de gevolgen die het heeft voor de direct betrokkenen, veroorzaken dergelijke ontploffingen ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en in het bijzonder voor bewoners en omwonenden van de woning waar een explosief wordt neergelegd.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de zich in het dossier bevindende rapportages betreffende de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 10 juni 2025 volgt dat er risicofactoren worden gezien in de domeinen drugsgebruik, geestelijke gezondheid en houding. Een beschermende factor is dat de ouders van de verdachte zeer betrokken zijn en hij open naar hen is. Daarnaast wil de verdachte een vak leren en is hij gemotiveerd om te werken.
De verdachte, zijn ouders en zijn raadsvrouw hebben ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdachte op dit moment een baan heeft, weer bezig is met een opleiding en dat het goed met hem gaat. Zij hebben verder aangegeven dat zij het eens zijn met de Raad dat het voor de verdachte van belang is om een coach te krijgen. Binnenkort moet de verdachte zich melden voor een strafzaak die in [ander EU-land] tegen hem loopt. Het hof acht het gelet daarop van belang om (onder meer) coaching en begeleiding door de jeugdreclassering als bijzondere voorwaarden te koppelen aan een voorwaardelijke straf. Omdat onduidelijk is wanneer de verdachte weer terugkomt uit [ander EU-land] en of op dat moment coaching nog altijd nodig en passend is voor de verdachte, zal het hof bepalen dat de jeugdreclassering eventueel mag bepalen dat de coaching niet (meer) nodig is.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke jeugddetentie – waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest – van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt. Daarnaast ziet het hof aanleiding na te melden bijzondere voorwaarden te verbinden aan het voorwaardelijk strafdeel ter voorkoming van strafbare feiten.

Vorderingen van de benadeelde partijen

In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partijen gevoegd en beiden een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van (elk) € 2.000,00.
Voorts hebben [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] zich als benadeelde partijen gevoegd en allen een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van (elk) € 750,00.
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot deze in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in de vorderingen.
De vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.
De raadsman van de benadeelde partijen heeft als rechtsgrond voor de vordering naar voren gebracht dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), inhoudende dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit de jurisprudentie blijkt dat er zeer hoge eisen worden gesteld aan ‘het oogmerk’ om zodanig nadeel toe te brengen. Het moet dan niet enkel gaan om het opzet iemand anders iets ‘naars’ aan te doen, maar ook om het opzet de ander immateriële schade toe te brengen. Een dergelijk oogmerk kan in het onderhavige geval niet uit het handelen van de verdachte worden afgeleid. Het hof ziet derhalve geen mogelijkheid de gevorderde schadevergoeding op deze grond toe te wijzen.
De raadsman van de benadeelde partijen heeft voorts aangevoerd dat er sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b BW. Bij de benadeelde partijen zou sprake zijn van psychisch letsel. Naar het oordeel van het hof is in dit geval geen sprake van een zodanig ernstige normschending dat de nadelige gevolgen ook zonder onderbouwing met concrete gegevens kunnen worden aangenomen, nu het geplaatste explosief voor de woning niet tot ontploffing is gekomen. Dat betekent volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ECLI:NL:HR:2020:1955) dat de benadeelde partijen voldoende concrete gegevens dienen aan te voeren waaruit kan volgen dat naar aanleiding van het strafbare feit psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Het hof is van oordeel dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 5] op dit punt onvoldoende zijn onderbouwd. Weliswaar is invoelbaar dat de plaatsing van een explosief voor de woning met het doel dit tot ontploffing te brengen, heeft geleid tot gevoelens van angst bij de benadeelde partijen, maar dergelijke gevoelens vormen op zichzelf nog geen (zodanig) geestelijk letsel dat (dat) zonder meer als grondslag kan dienen voor immateriële schadevergoeding. De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 5] zullen derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 4] overweegt het hof als volgt. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn door de raadsman van de benadeelde partij medische stukken overgelegd, waaruit volgt dat er bij de benadeelde partij klachten zijn ontstaan na een reeks aan incidenten. Zoals door de raadsman ook is aangevoerd, is het moeilijk te onderscheiden hoeveel angst [benadeelde partij 4] is aangejaagd op deze verschillende momenten, terwijl vaststaat dat de verdachte slechts bij één van deze incidenten betrokken is geweest. Mede gelet daarop betreft de vordering van [benadeelde partij 4] naar het oordeel van het hof een complexe, civielrechtelijke vraag, en zou het behandelen hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dienen de benadeelde partijen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 48, 49, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
100 (honderd) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot
26 (zesentwintig) dagen, nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk vindt. De jeugdreclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden;
- zijn medewerking zal verlenen aan een vorm van coaching, indien en zolang en zo vaak de jeugdreclassering dat noodzakelijk vindt;
- zich gedurende de proeftijd zal inzetten voor het verkrijgen en/of behouden van een zinvolle dagbesteding, waaronder school, stage, werk en/of sport, alles in overleg met de jeugdreclassering.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van [benadeelde partij 1]
Verklaart [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat [benadeelde partij 1] de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt [benadeelde partij 1] in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van [benadeelde partij 2]
Verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat [benadeelde partij 2] de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt [benadeelde partij 2] in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van [benadeelde partij 3]
Verklaart [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat [benadeelde partij 3] de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt [benadeelde partij 3] in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van [benadeelde partij 4]
Verklaart [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat [benadeelde partij 4] de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt [benadeelde partij 4] in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Vordering van [benadeelde partij 5]
Verklaart [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat [benadeelde partij 5] de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt [benadeelde partij 5] in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Jansen, als voorzitter, en mr. L.A. Pit en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M. van Hoevelaken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 april 2026.
Mr. M.C. Bruining is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.