Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1564

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
200.343.926/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a lid 3 SvArt. 94a lid 4 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Anderbeslag op woning niet rechtsgeldig wegens ontbreken verhaalsfrustratie

Deze civiele zaak betreft het hoger beroep van de Staat tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag over anderbeslag op de helft van een woning die geïntimeerde samen met haar partner bezat. Het beslag was gelegd in het kader van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van haar partner, die strafrechtelijk was veroordeeld.

De rechtbank oordeelde dat niet was voldaan aan de wettelijke eisen voor anderbeslag, met name het vereiste van verhaalsfrustratie en het wetenschapvereiste, en bepaalde dat de verkoopopbrengst van de woning aan geïntimeerde moest worden uitgekeerd. De Staat kwam hiertegen in hoger beroep.

Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank. Het stelt vast dat de woning openlijk en met geleend geld werd gekocht en gefinancierd, en dat de gedeelde eigendom met geïntimeerde niet duidt op een kennelijk doel om verhaal te frustreren. Ook was er geen aanwijzing dat geïntimeerde wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de woning mede op haar naam was gezet om verhaal te bemoeilijken.

De overige grieven van de Staat worden verworpen en het hof veroordeelt de Staat in de proceskosten van het hoger beroep. Het depotbedrag dat onder de notaris berust, moet aan geïntimeerde worden uitgekeerd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het anderbeslag onrechtmatig is en bepaalt dat de verkoopopbrengst aan geïntimeerde moet worden uitgekeerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.343.926/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/643952 / HA ZA 23-214
Arrest van 26 mei 2026
in de zaak van
De Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelend in Den Haag,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. G.C. Nieuwland, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats 1] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen, kantoorhoudend in Utrecht.
Het hof noemt partijen hierna de Staat en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak betreft zogenaamd anderbeslag op de helft van de woning die [geïntimeerde] samen met haar partner had gekocht. Het beslag was gelegd met het oog op ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel toen haar partner strafrechtelijk werd vervolgd. Toen [geïntimeerde] en haar partner de woning wilden verkopen, zat het beslag in de weg. Volgens [geïntimeerde] was het anderbeslag onrechtmatig, volgens het CJIB (de Staat) niet. Om de woning te kunnen verkopen hebben zij een overeenkomst gesloten waardoor de verkoopopbrengst onder de notaris bleef. Die keert de opbrengst uit aan [geïntimeerde] of aan de Staat, afhankelijk van de vraag of wel of niet is voldaan aan de eisen die de wet aan anderbeslag stelt (in artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering).
1.2
De rechtbank oordeelde dat niet aan de eisen voor anderbeslag was voldaan, zodat de notaris de verkoopopbrengst aan [geïntimeerde] moet uitkeren. Het hof bekrachtigt dat, omdat niet is voldaan aan de eis van verhaalsfrustratie.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 19 juli 2024, waarmee de Staat in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2024;
  • de memorie van grieven van de Staat, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , waarmee zij ook incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van de Staat;
  • de akte van [geïntimeerde] met bijlage A;
  • de bijlagen I t/m VI die [geïntimeerde] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 16 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[geïntimeerde] is sinds 1984 de partner van de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ). Zij hebben een gezamenlijke bankrekening bij de ING-bank.
3.2
[betrokkene] was vanaf februari 1997 tot februari 2001 gedetineerd wegens handel in verdovende middelen. In verband hiermee kreeg hij een ontnemingsmaatregel van ƒ 600.000,- opgelegd. Hij heeft dit bedrag betaald.
3.3
Op 1 februari 2007 kochten [geïntimeerde] en [betrokkene] samen voor € 325.000,- een woning aan [woonplaats 2] (hierna: de woning). Zij werden ieder voor de helft eigenaar van die woning en ze zijn er met hun kinderen gaan wonen. Om de koopprijs van de woning te betalen sloten zij een hypothecaire lening van € 356.000,- af. Dit was een aflossingsvrije hypotheek waarvoor (aanvankelijk) ongeveer € 1.425,- per maand van hun gezamenlijke bankrekening werd afgeschreven.
3.4
Daarna is tegen [betrokkene] een strafrechtelijk onderzoek gestart wegens verdenking van handel in verdovende middelen, deelname aan een criminele organisatie en witwassen. Ook kwam er een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO), dat zich richtte op het voordeel dat [betrokkene] tussen 1 januari 2007 en februari 2009 had verkregen. [geïntimeerde] werd niet strafrechtelijk vervolgd.
3.5
Tijdens het SFO is onder meer vastgelegd dat [betrokkene] op het moment van het aangaan van de hypothecaire lening voor de woning slechts een fictief dienstverband had en zelf zijn eigen salaris betaalde via verschillende buitenlandse rechtspersonen.
Volgens zijn aangiften inkomstenbelasting voor 2007 en 2008 was zijn salaris toen ongeveer € 60.000,- per jaar en dat van [geïntimeerde] ongeveer € 5.000,- per jaar.
3.6
Met het oog op ontneming van het door [betrokkene] wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de Staat gedurende het SFO beslag gelegd op verschillende voorwerpen van [betrokkene] , waaronder op zijn aandeel in de woning. Daarnaast is op 16 juni 2010 op het onverdeelde aandeel van [geïntimeerde] in de woning conservatoir anderbeslag gelegd als bedoeld in het toen geldende artikel 94a lid 3 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), nu artikel 94a lid 4 Sv.
3.7
[betrokkene] werd bij vonnis van 22 april 2011 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar wegens handelen in strijd met de Opiumwet, leiding geven aan een criminele organisatie en witwassen (in de periode van oktober 2006 tot februari 2009). In dit vonnis is vastgesteld dat het salaris dat [betrokkene] vanaf 1 oktober 2006 ontving en op basis waarvan de hypothecaire geldlening voor de woning werd verkregen, feitelijk door hemzelf werd betaald via een gekunstelde constructie “waarbij geldbedragen werden gestort en overgeboekt door middel van buitenlandse vennootschappen”. In het vonnis staat dat de geldbedragen waarmee de (zogenaamde) salarisbetalingen aan [betrokkene] werden gedaan, van misdrijf afkomstig waren.
3.8
In 2015 heeft de rechtbank [betrokkene] veroordeeld om € 1.276.982,43 aan de Staat te betalen, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In hoger beroep heeft het hof (meervoudige kamer voor strafzaken) op 29 januari 2021 de betalingsverplichting verminderd tot € 1.113.334,69. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) is belast met de tenuitvoerlegging van de opgelegde ontnemingsmaatregel.
3.9
Eind 2022 hebben [geïntimeerde] en [betrokkene] de woning verkocht.
3.1
Door het beslag konden [geïntimeerde] en [betrokkene] de woning niet vrij verkopen en leveren. Om de verkoop en levering van de woning door te kunnen laten gaan heeft het CJIB met [geïntimeerde] en de betrokken notaris in december 2022 een zogenoemde “depotovereenkomst” gesloten (deze is op 13 december 2022 namens het CJIB ondertekend en op 15 december 2022 door [geïntimeerde] en de notaris). In die depotovereenkomst spraken zij onder meer af:
De notaris houdt € 119.242,78, zijnde de aan [geïntimeerde] toekomende netto verkoopopbrengst van de woning, onder zich voor het CJIB en [geïntimeerde] , wegens een verschil van mening tussen het CJIB en [geïntimeerde] inzake de rechtsgeldigheid van het beslag.
De notaris betaalt het depotbedrag uit bij een bepaald bericht hierover van partijen of een opdracht van partijen of als de uitkering volgt uit een rechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan of uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.
Als er na vier maanden geen opdracht of bericht is en ook geen gerechtelijke procedure is aangespannen over de rechtsgeldigheid van het beslag, mag de notaris het depotbedrag uitkeren aan het CJIB.
Verschuldigde of ontvangen rente zal af gaan van of bij het depotbedrag komen.
De kosten in het kader van de depotovereenkomst komen voor rekening van de partij (CJIB of [geïntimeerde] ) aan wie de notaris het depotbedrag uiteindelijk niet uitkeert.
3.11
Het aandeel van [betrokkene] in de verkoopopbrengst van de woning is aan het CJIB betaald in mindering op de ontnemingsvordering.
3.12
Er kwam geen opdracht of bericht als bedoeld in de depotovereenkomst. [geïntimeerde] heeft binnen vier maanden deze procedure over de rechtsgeldigheid van het beslag aangespannen.
3.13
Op 24 december 2024 heeft de rechtbank Den Haag, afdeling Strafrecht, op verzoek van [betrokkene] de aan hem opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel verminderd. De rechter stelde toen de resterende verplichting vast op € 20.000,-. Naar aanleiding hiervan kwamen partijen overeen dat de notaris een deel uit het depot aan [geïntimeerde] mag overmaken, namelijk het deel boven € 22.500 (het restant van € 20.000,- en een reserve voor kosten) plus de rente daarover. De notaris heeft dat gedaan.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
Op 2 maart 2023 heeft [geïntimeerde] de Staat gedagvaard en gevorderd (kort gezegd) dat de rechtbank:
voor recht verklaart dat het in 2010 gelegde anderbeslag onwettig, zo niet onrechtmatig is en
bepaalt dat het beslag moet worden opgeheven, waarbij de verkoop en levering van de woning zonder tussenkomst van de depotovereenkomst had kunnen worden gepasseerd en
bepaalt dat het depotbedrag volledig toekomt aan [geïntimeerde] en dat de Staat alle kosten draagt en
de Staat in de proceskosten veroordeelt.
4.2
[geïntimeerde] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de Staat bij het leggen van het anderbeslag niet heeft voldaan aan de eisen van artikel 94a lid 3 Sv (oud) en ook niet aan die van het huidige artikel 94a lid 4 Sv. En als wel aan die eisen zou zijn voldaan, geldt volgens [geïntimeerde] dat de Staat zich maar op een deel van het depotbedrag kan verhalen.
4.3
De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4.4
Bij vonnis van 15 mei 2024 heeft de rechtbank [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering sub I. Daartoe overwoog zij dat [geïntimeerde] op de voet van artikel 552a Sv een klaagschrift had kunnen indienen over de inbeslagneming, zodat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang voor haar openstond die de gang naar de burgerlijke rechter afsluit.
Opheffing van beslag achtte de rechtbank niet meer aan de orde omdat het beslag al is geëindigd toen partijen de depotovereenkomst hadden gesloten.
De rechtbank bepaalde dat het depotbedrag volledig toekomt aan [geïntimeerde] terwijl de kosten in verband met de depotovereenkomst voor rekening van de Staat komen. Gezien de depotovereenkomst beoordeelde de rechtbank of was voldaan aan de eisen die artikel 94a lid 4 Sv aan conservatoir anderbeslag stelt, in het bijzonder of de woning voor de (onverdeelde) helft op naam van [geïntimeerde] was gesteld met het kennelijke doel uitwinning van de woning door de Staat (het CJIB) te frustreren (het vereiste van verhaalsfrustratie) en of [geïntimeerde] dat wist of redelijkerwijs kon vermoeden (het wetenschapsvereiste). De rechtbank concludeerde dat niet aan die vereisten was voldaan.
De rechtbank heeft de Staat als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij in de geliquideerde proceskosten veroordeeld.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
De Staat is in hoger beroep gekomen. Hij vordert dat het hof het vonnis vernietigt, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst en haar in de proceskosten veroordeelt. Zijn grieven tegen het vonnis richten zich tegen het oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van verhaalsfrustratie (grief 1), dat niet is voldaan aan het wetenschapsvereiste (grief 2) en dat de Staat de proceskosten moet betalen (grief 3).
5.2
[geïntimeerde] heeft de grieven van de Staat bestreden. Zij eist in incidenteel hoger beroep verbetering van de gronden. Zij grieft tegen de toepassing van artikel 94a Sv en wil dat een toetsing plaatsvindt aan artikel 94a Sv (oud) zoals dat luidde ten tijde van het leggen van het conservatoir beslag in 2010. De Staat heeft deze grief bestreden.

6.Beoordeling in hoger beroep

Wettelijke regeling voor anderbeslag

6.1
Al voordat de woning in 2007 werd aangekocht, konden onder bepaalde voorwaarden voorwerpen in beslag worden genomen die toebehoren aan een ander dan aan degene aan wie wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen. Dit is het zogenoemde anderbeslag, dat geregeld was in artikel 94a lid 3 (oud) Sv en nu geregeld is in artikel 94a lid 4 Sv. Zowel onder het oude artikel 94a lid 3 (oud) Sv als onder artikel 94a lid 4 Sv zoals dat nu geldt, was één van de voorwaarden voor anderbeslag dat er aanwijzingen zijn dat die ander wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat de voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van die voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen.
Dit kennelijke doel is het doel van de zogenoemde ‘verhaalsfrustratie’.
6.2
De Staat heeft in 2010 anderbeslag gelegd op het aandeel van [geïntimeerde] in de woning. Dit beslag is eind 2022 opgeheven nadat het CJIB en [geïntimeerde] de depotovereenkomst sloten waarmee zij het normaliter aan [geïntimeerde] toekomende deel van de netto woningverkoop-opbrengst onder berusting van de notaris lieten. De vraag aan wie deze opbrengst toekomt (dus aan wie de notaris deze opbrengst kan uitkeren), hebben partijen afhankelijk gemaakt van de rechtsgeldigheid van het anderbeslag.
Daarom moet het hof, net als de rechtbank, beoordelen of aan alle eisen voor anderbeslag was voldaan. Het hof oordeelt dat dit niet zo is, vanwege het volgende.
Geen wetenschap of redelijk vermoeden van verhaalsfrustratie
6.3
In de onderhavige zaak is naar het oordeel van het hof niet voldaan aan de voorwaarde dat er aanwijzingen zijn dat de woning voor de helft aan [geïntimeerde] is gaan toebehoren met het kennelijke doel van verhaalsfrustratie. Daartoe overweegt het hof het volgende.
6.4
[betrokkene] en [geïntimeerde] kochten de woning in een periode waarin [betrokkene] (naar in deze zaak gelet op de stellingen van partijen moet worden aangenomen) meerdere waardevolle voorwerpen (roerend en onroerend) in Nederland aan het zicht had onttrokken of aan het onttrekken was. Bijvoorbeeld kocht hij een boot en appartementen in het buitenland, liet hij geld via meerdere buitenlandse vennootschappen lopen, gebruikte hij buitenlandse bankrekeningen en bewaarde hij cash geld in een kluis.
De (gelden voor de) woning werden echter juist
nietaan het zicht onttrokken. De woning kocht [betrokkene] openlijk samen met [geïntimeerde] in Nederland waarna de akte van levering is ingeschreven in de openbare registers. De aankoop financierde hij
nietmet geld van de buitenlandse bankrekeningen of vennootschappen, maar die financierde hij volledig en openlijk samen met [geïntimeerde] met een hypothecaire lening van een bekende, bestaande, Nederlandse bank. Vervolgens werden ook alle betalingen voor deze hypothecaire lening vanaf de gezamenlijke Nederlandse bankrekening gedaan. Dit was de bankrekening waarop (ook) de werkgever van [geïntimeerde] haar salaris kon storten. De woning en de bankrekening waaruit deze gefinancierd werd waren dus – anders dan veel andere voorwerpen van [betrokkene] – openlijk voor verhaal door schuldeisers beschikbaar.
6.5
Voorts had [betrokkene] zijn gezinsleven in de woning. Vanaf de aankoop woonde hij er met [geïntimeerde] en hun twee kinderen. Bij gezinsbewoning is het normaal gebruik om de woning op naam van
beidepartners te zetten. Dat gebeurt dan niet om verhaal te frustreren, maar om in geval van calamiteiten rond één partner (zoals ernstige ziekte, vertrek, etc.) het gezinsleven zo veel als mogelijk voort te kunnen zetten. De gedeelde eigendom vormt dus op zichzelf geen aanwijzing voor verhaalsfrustratie.
Dat [betrokkene] (in elk geval vóór zijn veroordeling) veel méér dan [geïntimeerde] aan de hypotheek van hun woning betaalde, vormt daarvoor ook geen aanwijzing (ook niet samen met de eigendomsdeling). Immers, wanneer twee samenwoners geen gelijk inkomen hebben (zoals [betrokkene] en [geïntimeerde] ), is het gebruikelijk om niet in dezelfde mate aan de kosten voor de huishouding en woning te betalen, ook als de woning voor een gelijk deel eigendom van beide partners is. Deze ongelijke betaling is niet vanwege verhaalsfrustratie (en vormt daarvoor dus op zichzelf geen aanwijzing), maar omdat het vanuit financiële (on)macht praktisch is dat de meestverdienende partner financieel het meest bijdraagt.
6.6
In een en ander ligt geen aanwijzing voor verhaalsfrustratie en ook niet dat [geïntimeerde] wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat er met de financiering en het deels op haar naam zetten van de woning verhaalsfrustratie plaatsvond. Hiermee zegt het hof dus niets over de wetenschap die [geïntimeerde] had of had moeten hebben over de handel en wandel van haar partner, maar uitsluitend iets over de vraag of de woning mede op haar naam werd gezet om het verhaal door schuldeisers te frustreren.
6.7
Er zijn geen andere omstandigheden gesteld (bijvoorbeeld uit telefoontaps) met aanwijzingen dat er met de woning verhaalsfrustratie plaatsvond.
Dat [betrokkene] , alleen of samen met [geïntimeerde] [1] , de schijn wilde ophouden dat de gezinswoning op basis van een legaal salaris werd betaald, terwijl de woning in werkelijkheid alleen door criminaliteit binnen bereik van het gezin was gekomen, is geen aanwijzing dat de woning voor de helft aan [geïntimeerde] was gaan toebehoren met het kennelijke doel van verhaalsfrustratie.
De Staat heeft aangevoerd dat er aanwijzingen voor verhaalsfrustratie zijn omdat [betrokkene] [geïntimeerde] “vaker inzette voor illegale opzetjes.” De Staat heeft daarbij kennelijk het oog op de gevallen waarin [geïntimeerde] een contante betaling heeft gedaan voor bepaalde vaste lasten. Ook daarvoor geldt dat, als dit juist is en als [geïntimeerde] daardoor een vermoeden moet hebben gehad van de handel en wandel van [betrokkene] , dit onverlet laat wat hiervoor over de woning is overwogen: de aankoop en financiering geschiedde in de volstrekte openbaarheid met geleend geld (en dus niet, zoals de Staat ook stelt: met crimineel geld, dat geld werd juist elders ingezet). Datzelfde geldt voor het betoog van de Staat dat er auto’s op naam van [geïntimeerde] stonden.
6.8
De conclusie is dat in elk geval aan één van de voorwaarden voor anderbeslag niet is voldaan, namelijk niet aan het vereiste dat er aanwijzingen zijn dat de woning mede aan [geïntimeerde] is gaan toebehoren met het doel om de uitwinning van de woning te bemoeilijken of te verhinderen (de verhaalsfrustratie). De eerste grief van de Staat is dus ongegrond.
6.9
Omdat daardoor al niet is voldaan aan
alleeisen die golden en gelden voor het conservatoire anderbeslag op het aandeel van [geïntimeerde] in de woning, moet de vraag over de rechtsgeldigheid van het beslag waartoe de gelden onder berusting van de notaris bleven (zie hierboven in § 3.10), worden beslecht in het voordeel van [geïntimeerde] . Het depotbedrag dat de notaris nog onder zich heeft moet de notaris daarom aan [geïntimeerde] uitkeren. De rechtbank heeft dit terecht beslist.
Overige grieven
6.1
Bij die stand van zaken behoeft de tweede grief van de Staat geen bespreking, omdat deze grief niet tot een andere uitkomst kan leiden.
6.11
Ook het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde] behoeft geen bespreking. Zij heeft bij haar grief geen belang omdat een beslissing over welk recht precies van toepassing is, ook niet tot een andere uitkomst kan leiden.
Conclusie en proceskosten
6.12
De conclusie is dat het hoger beroep van de Staat niet slaagt en dat [geïntimeerde] geen belang heeft bij een afzonderlijke beslissing op haar incidenteel hoger beroep. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen.
6.13
Het hof zal de Staat als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep.
6.14
Het hof begroot de proceskosten daarvan aan de zijde van [geïntimeerde] aan de hand van de hiervoor geldende liquidatie tarieven. Het hof ziet geen aanleiding om een andere wijze van kostenbegroting toe te passen. De proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] begroot het hof op € 349,- voor het griffierecht, € 2.580,- (twee punten, tarief II) voor het salaris van de advocaat en € 189,- aan nakosten, zijnde in totaal op € 3.118,-, plus eventuele verhoging van de nakosten zoals hierna vermeld in de beslissing.
6.15
Het incidenteel hoger beroep brengt (zonder eiswijziging) een verweer onder de aandacht over de vraag welk recht van toepassing is, welk verweer zo nodig ook zonder grief aan de orde zou zijn gesteld vanwege de devolutieve werking van het hoger beroep. Daarom zal het hof geen proceskostenveroordeling voor het incidenteel hoger beroep uitspreken. [2]

7.Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2024;
- veroordeelt de Staat in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.118,-;
- bepaalt dat als de Staat niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Staat de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. G. Dulek-Schermers, mr. J.J. van der Helm en mr. R.M. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.partijen twisten daarover, het hof kan in het midden laten of ook [geïntimeerde] de schijn ophield.
2.Zie voor de vaste jurisprudentie hierover: Hoge Raad 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:233.