Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 19 juli 2024, waarmee de Staat in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2024;
- de memorie van grieven van de Staat, met bijlagen;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , waarmee zij ook incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, met bijlagen;
- de memorie van antwoord in incidenteel appel van de Staat;
- de akte van [geïntimeerde] met bijlage A;
- de bijlagen I t/m VI die [geïntimeerde] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
3.Feitelijke achtergrond
4.Procedure bij de rechtbank
Opheffing van beslag achtte de rechtbank niet meer aan de orde omdat het beslag al is geëindigd toen partijen de depotovereenkomst hadden gesloten.
De rechtbank bepaalde dat het depotbedrag volledig toekomt aan [geïntimeerde] terwijl de kosten in verband met de depotovereenkomst voor rekening van de Staat komen. Gezien de depotovereenkomst beoordeelde de rechtbank of was voldaan aan de eisen die artikel 94a lid 4 Sv aan conservatoir anderbeslag stelt, in het bijzonder of de woning voor de (onverdeelde) helft op naam van [geïntimeerde] was gesteld met het kennelijke doel uitwinning van de woning door de Staat (het CJIB) te frustreren (het vereiste van verhaalsfrustratie) en of [geïntimeerde] dat wist of redelijkerwijs kon vermoeden (het wetenschapsvereiste). De rechtbank concludeerde dat niet aan die vereisten was voldaan.
De rechtbank heeft de Staat als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij in de geliquideerde proceskosten veroordeeld.
5.Vorderingen in hoger beroep
6.Beoordeling in hoger beroep
Wettelijke regeling voor anderbeslag
nietaan het zicht onttrokken. De woning kocht [betrokkene] openlijk samen met [geïntimeerde] in Nederland waarna de akte van levering is ingeschreven in de openbare registers. De aankoop financierde hij
nietmet geld van de buitenlandse bankrekeningen of vennootschappen, maar die financierde hij volledig en openlijk samen met [geïntimeerde] met een hypothecaire lening van een bekende, bestaande, Nederlandse bank. Vervolgens werden ook alle betalingen voor deze hypothecaire lening vanaf de gezamenlijke Nederlandse bankrekening gedaan. Dit was de bankrekening waarop (ook) de werkgever van [geïntimeerde] haar salaris kon storten. De woning en de bankrekening waaruit deze gefinancierd werd waren dus – anders dan veel andere voorwerpen van [betrokkene] – openlijk voor verhaal door schuldeisers beschikbaar.
beidepartners te zetten. Dat gebeurt dan niet om verhaal te frustreren, maar om in geval van calamiteiten rond één partner (zoals ernstige ziekte, vertrek, etc.) het gezinsleven zo veel als mogelijk voort te kunnen zetten. De gedeelde eigendom vormt dus op zichzelf geen aanwijzing voor verhaalsfrustratie.
alleeisen die golden en gelden voor het conservatoire anderbeslag op het aandeel van [geïntimeerde] in de woning, moet de vraag over de rechtsgeldigheid van het beslag waartoe de gelden onder berusting van de notaris bleven (zie hierboven in § 3.10), worden beslecht in het voordeel van [geïntimeerde] . Het depotbedrag dat de notaris nog onder zich heeft moet de notaris daarom aan [geïntimeerde] uitkeren. De rechtbank heeft dit terecht beslist.