ECLI:NL:GHDHA:2026:155

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
200.345.383/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verwijzing na Hoge Raad
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Verordening Rome IArt. 9 Verordening Rome IArt. 3 lid 1 DetacheringsrichtlijnArt. 21 lid 1 Wet Bpf 2000Art. 170 CSS
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over toepasselijkheid en beschermingsniveau Nederlands versus Luxemburgs pensioenrecht

In deze zaak staat de vraag centraal of de verplichte deelneming aan het Nederlandse bedrijfstakpensioenfonds VLEP voor werknemers van de Luxemburgse onderneming Presta moet worden toegepast, ondanks een rechtskeuze voor Luxemburgs recht.

De Hoge Raad had eerder geoordeeld dat het hof Arnhem-Leeuwarden onvoldoende had onderzocht of het Nederlandse pensioenrecht een hoger beschermingsniveau biedt dan het Luxemburgse. Het hof Den Haag heeft dit nu beoordeeld aan de hand van een concrete vergelijking van de pensioenregelingen, waarbij het hof concludeert dat het Luxemburgse pensioenstelsel voor de werknemers van Presta een gelijk of hoger beschermingsniveau biedt dan het Nederlandse stelsel.

Het hof oordeelt dat de verplichte deelneming aan VLEP geen voorrangsregel van bijzonder dwingend recht is die altijd moet worden toegepast. De vorderingen van VLEP worden afgewezen, het dwangbevel wordt buiten werking gesteld en VLEP wordt veroordeeld tot terugbetaling van reeds betaalde premies en in de proceskosten.

De uitspraak bevestigt dat bij grensoverschrijdende arbeidsovereenkomsten het beschermingsniveau van het toepasselijke pensioenrecht zorgvuldig moet worden vergeleken en dat het Nederlandse pensioenrecht niet automatisch voorrang heeft boven het gekozen Luxemburgse recht.

Uitkomst: Het hof stelt het dwangbevel van VLEP buiten werking en veroordeelt VLEP tot terugbetaling van betaalde premies en in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer Gerechtshof Den Haag : 200.345.383/01
Zaaknummer Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden : 200.269.521/01
Zaaknummer Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch : 200.331.764/01
Zaaknummer Rechtbank Midden- Nederland : 6724900 UC EXPL 18-2787 LH/1040

arrest van 17 februari 2026

in de zaak van
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor vlees, vleeswaren, gemaksvoeding en pluimveevlees,
gevestigd te Den Haag,
geïntimeerde,
hierna te noemen: VLEP,
advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam,
tegen:
de rechtspersoon naar Luxemburgs recht
Presta Meat S.A.,
gevestigd te Bettembourg, Luxemburg,
appellante,
hierna te noemen: Presta,
advocaat: mr. M.G. Hop te Dreischor.

Procesverloop

1. Bij exploot van 24 juli 2023 heeft VLEP Presta opgeroepen voort te procederen bij het hof ‘s-Hertogenbosch, nadat de Hoge Raad bij arrest van 23 juni 2023 [1] het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 30 november 2021 had vernietigd.
2. Bij arrest van 9 juli 2024 heeft het hof ‘s-Hertogenbosch de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar dit hof verwezen ter verdere behandeling.
3. Bij exploot van 25 juli 2024 heeft VLEP Presta opgeroepen voort te procederen bij dit hof.
4. Bij memorie na verwijzing heeft VLEP geconcludeerd dat het arrest van het
hof Arnhem-Leeuwarden qua uitkomst in stand moet blijven. Het hof begrijpt dit zo dat wordt gevorderd het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 22 mei 2019 te bekrachtigen, met veroordeling van Presta in de kosten van het hoger beroep.
5. Bij antwoordmemorie na verwijzing (met producties) heeft Presta de stellingen van VLEP bestreden en – zo begrijpt het hof – gevorderd het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland te vernietigen, en het in het exploot van 19 augustus 2019 en de memorie van grieven gevorderde alsnog toe te wijzen.
6. Presta heeft bij akte een nadere toelichting gegeven en producties overgelegd. Bij akte van 24 oktober 2025 heeft VLEP hierop gereageerd en zelf producties overgelegd.
7. De zaak is mondeling behandeld bij dit hof op 4 november 2025. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.
8. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Feiten

9. Het hof gaat uit van de feiten genoemd in r.o. 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2023. Het zijn de volgende feiten.
9.1.
Presta is een in Luxemburg gevestigde onderneming die overeenkomsten van opdracht sluit met opdrachtgevers in diverse landen van de Europese Unie. Daarbij verbindt zij zich tot het uitvoeren van arbeid ten behoeve van de verwerking van vlees en vleesproducten. Ter uitvoering van deze overeenkomsten van opdracht stelt zij werknemers van verschillende nationaliteiten tewerk in de versvlees- en vleesbewerkende industrie.
9.2.
VLEP is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000). Deelneming in VLEP is verplicht gesteld bij besluiten van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 april 2009 en 3 juni 2013 (hierna gezamenlijk: het Verplichtstellingsbesluit). Onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit vallen onder meer werknemers die in dienst zijn van inleenbedrijven die in de regel voor meer dan 50% van de totale loonsom op basis van een overeenkomst van opdracht of van aanneming van werk arbeid laten verrichten binnen ondernemingen in de versvlees-en vleesbewerkende industrie.
9.3.
Presta heeft in de jaren 2012-2017 werknemers ter beschikking gesteld aan, en laten werken in, Nederlandse ondernemingen in de versvlees- en vleesbewerkende industrie (hierna: de werknemers).
9.4.
Volgens VLEP viel Presta in de periode 2012 tot 2017 wat de werknemers betreft onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit. Zij heeft ambtshalve premienota’s aan Presta gestuurd.
9.5.
Presta heeft de premienota’s onbetaald gelaten.
9.6.
VLEP heeft daarop een dwangbevel in de zin van art. 21 lid 1 Wet Pro Bpf 2000 tegen Presta uitgevaardigd (hierna: het dwangbevel).

Procedure bij de kantonrechter

10. Presta heeft primair gevorderd dat haar verzet tegen het dwangbevel gegrond wordt verklaard en dat het dwangbevel buiten effect wordt gesteld, en subsidiair dat de vordering van VLEP op nihil wordt gesteld, althans wordt beperkt. In reconventie heeft VLEP onder meer betaling door Presta gevorderd van wat met het dwangbevel wordt gevorderd.
11. De kantonrechter heeft in conventie de vordering van Presta afgewezen en in reconventie de vordering van VLEP toegewezen.

Procedure bij gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

12. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. In het arrest is geoordeeld dat de arbeidsovereenkomsten van de werknemers een rechtskeuze voor Luxemburgs recht bevatten en dat het Nederlandse recht van toepassing zou zijn als partijen geen rechtskeuze hadden gemaakt. De werknemers kunnen naar het oordeel van het hof daarom niet de bescherming van dat recht verliezen, waaronder de Wet Bpf 2000 en het Verplichtstellingsbesluit.

Het arrest van de Hoge Raad

13. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof Arnhem-Leeuwarden bij de toepassing van art. 8 Verordening Pro Rome I heeft miskend en ten onrechte niet heeft onderzocht of het beschermingsniveau waarin de Nederlandse regels van dwingend arbeidsrecht voorzien hoger ligt dan de regels van het door de partijen gekozen Luxemburgse arbeidsrecht. Dat is als volgt toegelicht in. r.o. 3.1 tot en met 3.2.
Art. 8 lid 1 Verordening Pro Rome I bepaalt dat een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen overeenkomstig art. 3 van Pro die verordening hebben gekozen.
 Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest die hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van art. 8 Verordening Pro Rome I toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze.
 Het HvJEU heeft in punt 27 van het arrest Gruber Logistics [2] geoordeeld dat de juiste toepassing van art. 8 Verordening Pro Rome I vereist dat de nationale rechter het recht aanwijst dat bij gebreke van een rechtskeuze toepasselijk zou zijn geweest en dat hij op basis van dit recht de regels vaststelt waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken, en dat de rechter het niveau van bescherming dat aan de werknemer op grond van deze regels wordt geboden, vergelijkt met dat van het door de partijen gekozen recht. Indien het beschermingsniveau waarin deze dwingendrechtelijke regels voorzien hoger ligt, moeten die regels worden toegepast.
14. De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat het oordeel van het hof
Arnhem- Leeuwarden, dat Presta onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit valt, in cassatie als in cassatie onbestreden geldt, zodat de rechter na verwijzing – in dit geval dus dit hof – aan dat oordeel is gebonden.
14. Dat geldt ook voor het oordeel van het hof Arnhem- Leeuwarden dat de verplichtstelling geen verboden belemmering is van het vrij verkeer van diensten
(art. 56 VWEU Pro). Dit oordeel is in cassatie evenmin (onvoorwaardelijk) bestreden [3] .

Beoordeling in hoger beroep na verwijzing

Voorrangsregel
16. Door VLEP is aangevoerd dat de verplichte deelneming aan de pensioenregeling van VLEP op grond van de Wet Bpf 2000 in verbinding met het Verplichtstellingsbesluit een regel van bijzonder dwingend recht is die moet worden toegepast ongeacht het in dit geval gekozen Luxemburgs recht (art. 9 Verordening Pro Rome I).
17. VLEP onderbouwt dit als volgt.
 De sociale organisatie van Nederland is zo ingericht dat het overgrote deel van de werknemers een wettelijk recht heeft op aanvullend ouderdoms- en partnerpensioen door een verplichtstelling op grond van de Wet Bpf 2000. Zonder verplichtstelling kunnen ondernemingen met elkaar concurreren door geen pensioen toe te kennen aan hun werknemers om zo de loonkosten te drukken.
 Een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds zoals VLEP functioneert op basis van collectiviteit en solidariteit binnen de bedrijfstak en ontleent daaraan zijn bijzondere status. De verplichtstelling maakt weliswaar inbreuk op het mededingingsrecht, maar dit is gerechtvaardigd gezien de collectiviteit en solidariteit binnen de bedrijfstak [4] .
18. Het hof is van oordeel dat van een voorrangsregel in de zin van
art. 9 Verordening Pro I geen sprake is. Het hof licht dit oordeel als volgt toe.
 Een voorrangsregel is een bepaling van bijzonder dwingend recht waaraan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moet worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht volgens de Rome I verordening overigens van toepassing is op de overeenkomst.
 Het is juist dat de verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds in de Nederlandse arbeidsverhoudingen van groot belang en van grote betekenis is, maar daarmee is de Wet Bpf 2000 in verbinding met het Verplichtstellingsbesluit nog geen voorrangsregel. In dit verband is in bijzonder van belang dat regels over aanvullende pensioenen in het Unierecht niet worden aangemerkt als behorend tot de harde kern. Dit wordt hieronder toegelicht.
 In art. 3 lid 1 van Pro de Detacheringsrichtlijn (die in deze zaak overigens niet van toepassing is) is bepaald dat de lidstaten erop toezien dat in een lidstaat gevestigde ondernemingen die werknemers ter beschikking stellen op het grondgebied van een andere lidstaat, ongeacht het recht dat op het dienstverband van toepassing is, voor de op hun grondgebied ter beschikking gestelde werknemers een bepaalde set ‘harde kern van arbeidsvoorwaarden’ garanderen die in de lidstaat waar het werk wordt uitgevoerd zijn vastgesteld. De Detacheringsrichtlijn kan gezien worden als een uitwerking van art. 9 Rome Pro I, aangezien de Detacheringsrichtlijn bepaalt welke bepalingen van het arbeidsrecht als bijzonder dwingend recht moeten gelden. In de opsomming van deze harde kern van arbeidsvoorwaarden is bij onderdeel c van die bepaling expliciet vermeld
“dit punt is niet van toepassing op de aanvullende bedrijfspensioenregelingen.”Daaruit kan worden afgeleid dat regels over aanvullende pensioenen niet tot de harde kern behoren.
 Het hof verbindt hieraan de conclusie dat de verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds als hier aan de orde, geen rechtsregel is die moet worden toegepast
“op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening(de Rome I verordening, hof)
overigens van toepassing is op de overeenkomst.", ook niet in gevallen als de onderhavige waarin de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is.
Biedt het Nederlandse recht meer bescherming dan het Luxemburgse recht?
19. In dit hoger beroep is de volgende vraag of het beschermingsniveau waarin het Nederlandse pensioenrecht voorziet hoger ligt dan de desbetreffende regels van het door de partijen gekozen Luxemburgse recht [5] .
20. Het beschermingsniveau van het recht dient vanuit het werknemersperspectief, concreet en objectief te worden bezien. Er moet worden vastgesteld wat voor de werknemers het meest gunstige systeem van pensioenvoorziening is. Bij de beoordeling daarvan is het hof in sterke mate afhankelijk van de door partijen aangeleverde informatie.
21. In deze zaak gaat het niet om één werknemer, maar om een groep van werknemers die een aantal gemeenschappelijke kenmerken hebben. De werknemers zijn in dienst bij Presta of bij Presta in dienst geweest. Zij komen uit verschillende landen van Europa en worden door Presta voor relatief korte tijd (in de procedure wordt uitgegaan van hooguit twee jaar) uitgezonden naar bedrijven in de vleeswerkende industrie die zijn gevestigd in een aantal landen binnen de Europese Unie. Tijdens hun dienstverband bij Presta nemen de werknemers verplicht deel aan de Luxemburgse pensioenregeling. De werknemers hebben geen banden met Nederland, anders dan dat zij hier tijdelijk hebben gewoond en gewerkt in verband met uitzending door Presta.
21. Zoals gezegd, gaat het erom een vergelijking te maken tussen de pensioenaanspraken die de werknemers onder het Luxemburgse recht hebben met de pensioenaanspraken die zij onder het Nederlandse recht zouden hebben, waarbij het hof moet vaststellen welk recht het hoogste beschermingsniveau biedt. Er moet een concrete vergelijking worden gemaakt die is toegespitst op de werknemers die tijdelijk in Nederland werken. Bij die vergelijking is niet van belang of het Luxemburgse pensioenrecht kan worden omschreven als een ‘eerste pijler van pensioen’ of dat het in Luxemburg opgebouwde pensioen zou kunnen worden aangemerkt als ‘wettelijke sociale zekerheid’. Anders dan VLEP aanvoert, betekent de omstandigheid dat het Luxemburgse pensioenrecht toepasselijk is ongeacht of partijen een rechtskeuze hebben gemaakt voor Luxemburgs recht, niet dat de desbetreffende regels van het Luxemburgse pensioenrecht niet in de vergelijking zouden mogen worden betrokken. Het hof verwerpt ook de stelling van VLEP dat de Nederlandse AOW bij de vergelijking moet worden betrokken, omdat er geen aanwijzingen zijn dat de werknemers ooit aanspraak zullen kunnen maken op AOW.
21. Het Luxemburgse pensioenrecht houdt het volgende in. Luxemburg kent geen met de Nederlandse AOW vergelijkbare pensioenregeling. Werknemers zijn in Luxemburg verplicht om deel te nemen in de Caisse Nationale d’Assurance Pension (CNAP). Eenieder die (al dan niet op basis van een arbeidsovereenkomst) in Luxemburg werkzaam is of door zijn (Luxemburgse) werkgever wordt uitgezonden valt onder dit algemene verzekeringsstelsel voor ouderdomspensioen-, invaliditeitspensioen en nabestaandenpensioen (art. 170 en Pro 176 van de Code de la Sécurité Sociale, hierna: CSS). Het is mogelijk dat een werkgever een aanvullend pensioen afsluit, maar voor de werknemers van Presta is daarvan geen sprake. De pensioengerechtigde leeftijd is 65 jaar. Om aanspraak te maken op pensioen moet een werknemer ten minste 120 maanden hebben deelgenomen aan de CNAP. De pensioenpremie bedraagt 24% over het bruto loon, waarvan 8% voor rekening van de werknemer komt, 8% voor rekening van de werkgever en 8% voor rekening van de staat. In 2020 bedroeg het minimumpensioen € 1.892,77 bruto per maand voor een werknemer die veertig jaar heeft deelgenomen aan de CNAP. Het maximumpensioen bedroeg € 8,762,81 per maand.
24. Presta heeft een aantal loonstroken overgelegd van werknemers die volgens haar illustratief zijn voor het loon en de pensioenafdrachten van haar werknemers.
 [werknemer 1] werkte 40 uur per week tegen een bruto loon van € 2.155,-- per maand (te vermeerderen met diverse onkostenvergoedingen)(loonstrook januari 2018). Zijn afdracht aan de
Caisse de pension(8%) bedroeg € 172,40 per maand.
 [werknemer 2] werkte 40 uur per week tegen een brutoloon van € 2.394,45 per maand (te vermeerderen met diverse onkostenvergoedingen)(loonstrook februari 2018). Zijn afdracht aan de
Caisse de pension(8%) bedroeg € 191,56 per maand.
 [werknemer 3] werkte 35 uur per week tegen een bruto loon van € 2.199,90 per maand (te vermeerderen met diverse onkostenvergoedingen (loonstrook april 2018). Zijn afdracht aan de
Caisse de pension(8%) bedroeg € 175,99 per maand.
 [werknemer 4] werkte 40 uur per week tegen een bruto loon van € 2.468,99 per maand (te vermeerderen met diverse onkostenvergoedingen)(loonstrook september 2017). Zijn afdracht aan de
Caisse de pension(8%) bedroeg € 197,52 per maand.
 [werknemer 5] werkte 40 uur per week tegen een bruto loon van € 2.801,32 per maand (te vermeerderen met diverse onkostenvergoedingen)(loonstrook augustus 2017). Zijn afdracht aan de
Caisse de pension(8%) bedroeg € 224,11 per maand.
VLEP heeft niet gemotiveerd bestreden dat deze loonstroken illustratief zijn voor het personeelsbestand van Presta.
25. Voor het Nederlandse pensioenrecht geldt het volgende. Zoals gezegd, hebben werknemers geen aanspraak op AOW en gaat het hier uitsluitend om de vraag wat voor hen de gevolgen zijn als zij deelnemen aan VLEP. VLEP is een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet Bpf 2000. VLEP heeft in deze procedure weinig gegevens overgelegd over de pensioengrondslag, de franchise, de pensioenpremies en dergelijke, maar op grond van openbaar beschikbare gegevens van VLEP heeft het hof zelf de volgende gegevens vastgesteld, waarbij wordt aangetekend dat de informatie over de jaren 2012 tot en met 2017 (waar het hier om gaat) niet meer vindbaar was. Voor het jaar 2018 bedroeg de pensioenfranchise bij VLEP in € 12.415,- en was het maximum pensioengevend salaris € 65.787,-. De pensioenpremie voor de sector vlees bedroeg in dat jaar 26,08%, waarvan 15,12% aan werkgeversdeel en 10,96% aan werknemersdeel. De pensioenpremie voor de sector vleeswaren bedroeg 23,45%, waarvan 17,8% aan werkgeversdeel en 5,65% aan werknemersdeel. VLEP noemt in haar memorie van antwoord (nr. 3.37) iets andere (lagere) percentages (18,92% voor vlees en 21,03% voor vleeswaren). Uit de openbaar beschikbare informatie blijkt dat dit de percentages zijn die golden in 2020 voor de “basisregeling”, dat wil zeggen zonder “premie VPL”. De premies inclusief VPL bedroegen in 2020 27,08% (vlees) en 24,45% (vleeswaren). Het is het hof niet duidelijk in hoeverre er in de jaren 2012-2017 ook sprake was van een VPL premie. VLEP heeft nagelaten toe te lichten welke percentages in die jaren golden voor de werknemers.
26. Uit het voorafgaande wordt duidelijk dat de jaarlijkse opbouw aan pensioenaanspraken voor de werknemers hoger is onder de Luxemburgse pensioenregeling dan onder VLEP. De pensioenpremie in Luxemburg bedraagt 24%, terwijl op grond van de beschikbare gegevens aannemelijk is dat de pensioenpremie van VLEP in de jaren waarom het gaat ergens tussen de 19 en 26% zat. Het belangrijkste verschil tussen beide stelsels is dat in Luxemburg premie wordt betaald over het volledige bruto loon, terwijl in Nederland premie wordt betaald over het pensioengevend loon minus de franchise. Gelet op het loon dat de werknemers ontvangen (zoals blijkt uit de loonstroken die Presta heeft overgelegd), moet er rekening mee worden gehouden dat er bij VLEP slechts aanspraken worden opgebouwd over ruwweg de helft van het bruto loon. Het hof merkt in dit verband op dat VLEP heeft nagelaten meer concrete informatie over de hoogte van premies voor de (individuele) werknemers van Presta over te leggen, hoewel zij – naar mag worden aangenomen – wel over die informatie beschikt.
27. In haar memorie na verwijzing heeft VLEP puntsgewijs toegelicht waarom zij van mening is dat het Luxemburgse pensioen voor de werknemers van Presta niet meer bescherming biedt dan het Nederlandse pensioen. Het hof zal deze punten hieronder behandelen.
 Er is volgens VLEP geen sprake van dubbele premiebetaling, want Presta betaalt in Nederland niet de hoge AOW-premie. Dit argument gaat niet op. Het feit dat Presta geen AOW-premie betaalt, betekent niet dat het Nederlandse (pensioen)recht de werknemers van Presta meer bescherming biedt dan het Luxemburgse recht. Voor zover VLEP meent dat het werknemersdeel van VLEP en het werknemersdeel van CNAP bij elkaar opgeteld minder hoog is dan het werknemersdeel van VLEP en de AOW-premie, verliest VLEP uit het oog dat dat niet de vergelijking is die moet worden gemaakt.
 Het Luxemburgse recht kent volgens VLEP een laag maximum. In haar memorie van antwoord (nr. 3.39) heeft VLEP toegelicht dat het CNAP-pensioen niet 90% van het laatste brutosalaris is, maar “het maximum 5/6 van het maximum van € 2.085,-” is. VLEP verwijst daarbij naar de art. 222 en Pro 223 van de Code de la Sécurité. Naar het oordeel van het hof heeft VLEP deze stelling onvoldoende toegelicht. Meer in het bijzonder heeft zij nagelaten enige context te geven over de verwijzingen naar de Luxemburgse wetsartikelen. Voor zover VLEP met haar stelling dat er in Luxemburg een laag maximum geldt, erop doelt dat er een maximumpensioen bestaat, geldt dat het niet aannemelijk is dat de werknemers van Presta gezien hun salarisniveau (€ 2.000,- tot € 3.000,- bruto per maand) en de maximumpensioenuitkering die bij CNAP geldt (€ 8,762,81 per maand in 2020), hierdoor zullen worden getroffen. VLEP heeft dat in ieder geval niet concreet toegelicht.
 De lagere premie in Luxemburg levert volgens VLEP niet een hoger pensioen op. Ook deze stelling heeft VLEP niet voldoende concreet toegelicht. Hiervoor is gebleken dat de totale pensioenpremie onder beide stelsels in dezelfde orde van grootte ligt, maar dat er onder de Nederlandse regeling een franchise geldt. Het is dus eerder aannemelijk dat de nominale premie in Luxemburg (veel) hoger ligt, en dat de Luxemburgse premie daarom zal leiden tot hogere pensioenaanspraken.
 Volgens VLEP is de premie in Nederland hoger, hetgeen leidt tot een hoger pensioen en een betere bescherming van het pensioeninkomen. Hiervoor is al toegelicht dat deze stelling niet opgaat. VLEP noemt in nr. 3.41 van haar memorie van antwoord weliswaar een CNAB-premie van 8%, maar ziet eraan voorbij dat dit slechts het werknemersgedeelte betreft.
 In Luxemburg is er geen verbondenheid aan 90% van het laatste loon, aldus VLEP. Naar het oordeel van het hof heeft VLEP niet toegelicht waar deze stelling concreet toe leidt voor de werknemers. Ook deze stelling wordt dus verworpen.
 VLEP voert aan dat uit internationale vergelijkingen volgt dat Nederland een veel beter pensioenstelsel kent dan Luxemburg. Deze stelling gaat in deze niet op, omdat het hier niet gaat om een abstracte vergelijking van pensioenstelsels, maar om de vraag welke pensioenstelsel aan de werknemers meer bescherming biedt.
 VLEP wijst erop dat de Nederlandse pensioenregeling naast dekking van ouderdomspensioen, de werknemers ook dekking van nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidspensioen biedt, en tevens premievrije pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat de Luxemburgse pensioenregeling ook dekking biedt voor invaliditeitspensioen en nabestaandenpensioen. In hoeverre de regeling voor premievrije pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid in Nederland gunstiger zou zijn voor de werknemers ten opzichte van het Luxemburgse recht, heeft VLEP onvoldoende toegelicht, hoewel dat wel van haar had kunnen worden verlangd als zij meent dat dit een grond is voor de toepassing van VLEP.
 VLEP voert aan dat het Pensioenfonds VLEP een aanvulling is op een wettelijk pensioen. Het wettelijke pensioen en het VLEP pensioen zijn samen hoger dan het Luxemburgse pensioen, aldus VLEP. Voor zover VLEP met het wettelijke pensioen doelt op de AOW gaat deze vergelijking niet op. De werknemers kunnen immers geen aanspraak maken op AOW. Voor zover VLEP betoogt dat de werknemers beter af zijn met zowel het (wettelijke) Luxemburgs pensioen als het VLEP pensioen, ziet VLEP eraan voorbij dat er een vergelijking moet worden gemaakt tussen de beide pensioenregelingen en dat de aanspraken van het Nederlandse en Luxemburgse pensioen dus niet bij elkaar moeten worden opgeteld.
 VLEP stelt dat Presta maar één loonstrook heeft overgelegd (als productie 3 bij conclusie van dupliek in reconventie) en dat op basis daarvan geen conclusies getrokken kunnen worden. Deze stelling gaat niet op, omdat Presta ook een aantal andere loonstroken heeft overgelegd, die het hof illustratief acht voor het salaris van de werknemers en de pensioenpremie die zij moeten afdragen (zie hiervoor r.o. 24).
 Volgens VLEP gaat Presta bij het maken van de vergelijking ten onrechte uit van een maximale opbouwtijd in het Luxemburgse stelsel van veertig jaar, terwijl de werknemers slechts gedurende (zeer) beperkte tijd in Luxemburg pensioen opbouwen. Naar het oordeel van het hof is het juist dat er geen vergelijking moet worden gemaakt tussen veertig jaar pensioenopbouw in Luxemburg en veertig/vijftig jaar pensioenopbouw in Nederland. De werknemers werden gedurende hun dienstverband naar verschillende landen binnen Europa uitgezonden, waaronder Nederland. Hoewel aannemelijk is dat de werknemers zelden veertig jaar pensioen zullen opbouwen in Luxemburg, is het wel duidelijk dat zij langer pensioen opbouwen in Luxemburg (namelijk gedurende hun gehele dienstverband met Presta) dan in Nederland (namelijk slechts gedurende de periode van maximaal twee jaar dat zij door Presta naar Nederland worden uitgezonden). De stelling van VLEP mist dan ook relevantie.
28. Kortom, geen van de door VLEP in haar memorie na verwijzing ingenomen stellingen leidt tot de conclusie dat het Nederlandse pensioenrecht aan de werknemers meer bescherming biedt dan het Luxemburgse pensioenstelsel. Tot slot heeft VLEP tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof erop gewezen dat de werknemers uitsluitend een pensioenuitkering ontvangen als zij tien jaar hebben deelgenomen aan CNAP. VLEP voert aan dat het niet waarschijnlijk is dat de werknemers aan die eis zullen voldoen. Presta heeft dit betwist. Volgens haar heeft zij talloze werknemers die langdurig bij haar in dienst zijn en aan het tienjaarsvereiste (zullen) voldoen.
29. Het probleem bij de beoordeling van deze stelling is dat ten tijde van de indiensttreding bij Presta onbekend is hoelang een individuele werknemer in dienst zal blijven en of deze werknemer bij Presta (of bij een andere Luxemburgse werkgever) de periode van tien jaar zal vol maken. Datzelfde geldt op het moment van uitzending naar Nederland. Het is ondoenlijk om de deelname aan VLEP te laten afhangen van het antwoord op de vraag of ten tijde van de uitzending naar Nederland aannemelijk is dat een werknemer te zijner tijd aanspraak zal kunnen maken op door hem in Luxemburg opgebouwd pensioen. Het hof zal met die omstandigheid (de tienjaarsperiode) dan ook geen rekening houden. Overigens volgt uit art 213 CSS Pro een vorm van afkoop indien een werknemer niet voldoet aan het vereiste dat hij tien jaar aan CNAP heeft deelgenomen, zodat de afgedragen premies niet in het niets zullen opgaan.
30. Bij dit alles is ook nog het volgende van belang. De omstandigheid dat een werknemer (mogelijk) slechts gedurende een korte periode in Luxemburg deelneemt aan de daar geldende pensioenregeling, geldt in verstrekte mate voor de deelname aan VLEP. Voor VLEP geldt dat de werknemers niet langer dan (ongeveer) twee jaar aan VLEP zullen deelnemen en dat de uitzending naar Nederland in veel gevallen korter is geweest. Het is aannemelijk dat de bij VLEP opgebouwde pensioenaanspraken zo laag zijn dat deze in veel gevallen te zijner tijd zullen worden afgekocht. Tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof is VLEP daarover bevraagd. Zij heeft toen bevestigd dat afkoop aan de orde zou kunnen zijn, maar kon daarover niets concreets melden, meer in het bijzonder niet wanneer er door VLEP tot afkoop wordt overgegaan.
31. Kortom, het is het hof niet gebleken dat het beschermingsniveau waarin de Nederlandse pensioenregels voorzien voor de werknemers hoger ligt dan dat van het door de partijen gekozen Luxemburgse recht.

Slotsom

32. Bij memorie van grieven heeft Presta diverse vorderingen geformuleerd. De door Presta gevorderde verklaring voor recht over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter is na de procedure in cassatie niet langer aan de orde. De vordering van Presta over misbruik van procesrecht is niet toewijsbaar omdat van dergelijk misbruik geen sprake is, alleen al niet omdat het standpunt van VLEP in deze procedure, hoewel dit niet wordt gevolgd, verdedigbaar is. Er zijn verder vorderingen van Presta die zien op kort gezegd het verwerken van werknemersgegevens en het inzage geven daarin aan derde partijen. Deze vorderingen zijn niet toewijsbaar omdat Presta niet aannemelijk heeft gemaakt dat VLEP de gegevens van de werknemers in haar administratie zal laten staan nu is geoordeeld dat de werknemers niet verplicht deelnemen aan het pensioenfonds van VLEP.
32. Uit het voorgaande volgt dat (1) het bestreden vonnis van de kantonrechter zal worden vernietigd, (2) de vordering van Presta tot terugbetaling van wat zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan VLEP heeft betaald zal worden toegewezen, (3) de vorderingen van VLEP zullen worden afgewezen en (4) VLEP zal worden veroordeeld in de proceskosten van de feitelijke instanties. Dit betreft in de eerste aanleg de kosten van het exploot van € 93,01, het griffierecht van € 119,-- en € 1.600,-- salaris gemachtigde. De kosten van de procedure bij hof Arnhem- Leeuwarden worden begroot op € 104,29 aan kosten van het exploot, € 5.382,- aan griffierecht en € 11.410,- aan salaris advocaat. In de procedure bij dit hof gaat om € 12.434,-- aan kosten advocaat (2 punten, tarief VIII).

Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in rechtbank Midden-Nederland van
22 mei 2019,
en
opnieuw rechtdoende:
  • stelt het dwangbevel van VLEP van 19 december 2017 buiten werking;
  • veroordeelt VLEP om binnen 14 dagen na betekening van het arrest al wat Presta ter uitvoering van het bestreden vonnis aan VLEP heeft voldaan aan Presta terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;
  • veroordeelt VLEP in de kosten van de procedure bij de kantonrechter in rechtbank Midden-Nederland, aan de zijde van Presta tot op 22 mei 2019 begroot op € 1.812,01 te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als VLEP deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • veroordeelt VLEP in de kosten van de procedure bij het hof Arnhem- Leeuwarden, aan de zijde van Presta tot op 30 november 2021 begroot op € 16.896,29 te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als VLEP deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • veroordeelt VLEP in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Presta tot op heden begroot op € 12.434,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als VLEP deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als VLEP niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, VLEP de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als VLEP deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • wijst de overige vorderingen van Presta af;
  • wijst de vorderingen van VLEP af;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, C.A. Joustra en A.W. Rutten en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

2.HvJEU 15 juli 2021, gevoegde zaken C-152/20 en C-218/20, ECLI:EU:C:2021:600 (SC Gruber Logistics), punt 27.
3.Zie conclusie AG, nrs. 4.30/4.61.
4.HvJEU 21 september 1999, de zaken C-115/97 tot en met C-117/97, C-219/97 en C-67/96.
5.HvJ EU 15 juli 2021, ECLI:EU:C:2021, r.o. 27 (SC Gruber Logistics).