Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1549

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
200.351.186/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a WahvArt. 13b WahvArt. 3:84 BWArt. 3:94 BWArt. 3:97 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over proceskostenvergoeding en overdracht vordering in Wahv-zaken

In deze zaak staat centraal of de proceskostenvergoeding die de Staat moet betalen, toekomt aan de rechtshulpverlener of aan diens cliënt. De heer [naam] kreeg verkeersboetes opgelegd, waarna hij een volmacht en cessieakte aan [geïntimeerde] gaf om namens hem bezwaar en beroep te voeren, inclusief de overdracht van vorderingen tot proceskostenvergoeding.

De kantonrechter oordeelde dat de Staat de proceskosten aan [geïntimeerde] moest betalen, omdat de cessie vóór 1 januari 2024 was voltooid. Het hof stelt echter vast dat de proceskostenvergoeding pas ontstaat door een beslissing van de kantonrechter of de officier van justitie, die in deze zaak na 1 januari 2024 is genomen. Hierdoor kon de overdracht aan [geïntimeerde] niet meer plaatsvinden vanwege het vervreemdingsverbod in artikel 13a lid 4 Wahv.

Het hof verwerpt de stellingen van [geïntimeerde] dat het recht op proceskostenvergoeding al eerder bestond of dat er sprake is van een onrechtmatige eigendomsinbreuk. Ook de betogen over schending van het recht op toegang tot de rechter en het rechtszekerheidsbeginsel falen. Het hoger beroep van de Staat wordt gegrond verklaard, het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] afgewezen.

Daarnaast wordt [geïntimeerde] veroordeeld tot terugbetaling van reeds ontvangen bedragen en in de proceskosten van beide instanties. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een uitgebreide motivering over de toepassing van de Wahv en de civielrechtelijke regels omtrent cessie van toekomstige vorderingen.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van de rechtshulpverlener af wegens het vervreemdingsverbod in de Wahv.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.351.186/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 11123882 RL EXPL 24-10089
Arrest van 12 mei 2026
in de zaak van
de Staat der Nederlanden(ministerie van Justitie en Veiligheid),
waarvan de zetel is gevestigd in Den Haag,
appellant,
advocaat: mr. G.C. Nieuwland, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.H.M. Spanjaard, kantoorhoudend in Nieuw-Vennep.
Het hof noemt partijen hierna de Staat en [geïntimeerde] .

1.De zaak in het kort

1.1
[geïntimeerde] verricht diensten als rechtshulpverlener bij verkeersboetes. Het gaat in deze zaak uitsluitend om de vraag of proceskosten die door de Staat moeten worden betaald, aan [geïntimeerde] , of aan diens cliënt moeten worden betaald.
1.2
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de Staat de proceskosten aan [geïntimeerde] moet betalen. Het hof komt tot een ander oordeel.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 6 februari 2025, waarmee de Staat in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 7 november 2024, met daarin de grieven van de Staat;
  • de memorie van antwoord van [geïntimeerde] , met bijlagen;
  • de akte uitlaten memorie van de Staat;
  • de antwoordakte na memories van [geïntimeerde] .

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Op 16 augustus 2022, 18 augustus 2022 en 19 augustus 2022 heeft een verkeerscamera geregistreerd dat de heer [naam] (hierna: de heer [naam] ) een inrijverbod op de Zwanenburgerdijk in Zwanenburg negeerde. Voor deze overtredingen zijn in vier beschikkingen boetes aan de heer [naam] opgelegd.
3.2
Op 27 september 2022 heeft de heer [naam] een volmacht en akte van cessie ondertekend waarin het volgende is opgenomen:
Volmachtgever[hof: de heer [naam] ]
machtigt gevolmachtigde[hof: [geïntimeerde] ]
om bezwaar, administratief beroep, beroep bij de (kantonrechter van de) rechtbank, hoger beroep en beroep in cassatie bij de Hoge Raad in te stellen teneinde de volmachtgever betreffende bestuursrechtelijke besluiten herroepen of vernietigd te doen krijgen.
Volmachtgever draagt hierbij alle rechten en vorderingen ter zake van proceskostenvergoeding(en), dwangsom(men) en griffierecht(en) jegens derden die worden verkregen uit de thans met die derden bestaande rechtsverhoudingen over aan gevolmachtigde.
3.3
Op 10 oktober 2022 heeft [geïntimeerde] voor de heer [naam] administratief beroep ingesteld. De officier van justitie heeft het administratief beroep ongegrond verklaard. Bij brieven van 27 maart 2023 heeft [geïntimeerde] namens de heer [naam] beroep tegen de onder 3.1 genoemde beschikkingen ingesteld bij de kantonrechter.
3.4
Bij brieven van 13 februari 2024 heeft de officier van justitie in de vier hiervoor bedoelde zaken besloten de beschikkingen alsnog te vernietigen. In de brieven is opgenomen dat het verzoek om proceskosten wordt toegewezen. Tevens is daarin medegedeeld dat de proceskostenvergoeding aan de heer [naam] en niet aan [geïntimeerde] zal worden betaald.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[geïntimeerde] heeft de Staat gedagvaard en gevorderd dat de Staat zal worden veroordeeld tot betaling van € 2.998,-, en in de kosten van het geding.
4.2
Aan die vordering legde hij – samengevat weergegeven – ten grondslag dat de heer [naam] zijn vordering ter zake van de proceskosten op de Staat heeft gecedeerd aan [geïntimeerde] .
4.3
De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen en de Staat in de proceskosten veroordeeld. Daartoe overwoog de kantonrechter, samengevat weergegeven, dat op de vorderingen van de heer [naam] weliswaar het per 1 januari 2024 geldende artikel 13a, lid 3 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) van toepassing is, maar dat de cessie van die vorderingen aan [geïntimeerde] vóór 1 januari 2024 is voltooid. De kantonrechter verwierp het verweer van de Staat dat de vordering ten tijde van de cessie nog niet bestond, omdat ook een toekomstige vordering kan worden gecedeerd mits deze vordering haar onmiddellijke grondslag heeft in een ten tijde van de cessie reeds bestaande rechtsverhouding. Daarvan was volgens de kantonrechter sprake.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
De Staat vordert dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.
5.2
De bezwaren van de Staat tegen het vonnis zullen hierna worden besproken.

6.Beoordeling in hoger beroep

Juridisch kader Wahv; is sprake van een beschikking als bedoeld in artikel 13a Wahv?

6.1
Met ingang van 1 januari 2024 is onder meer artikel 13a van de Wahv gewijzigd. [1] In artikel 13a lid 3 Wahv is sindsdien opgenomen:
Onverminderd het vijfde lid vinden uitbetalingen ingevolge een beslissing op het administratief beroep of uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaats op een bankrekening die op naam staat van degene tot wie de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd, is gericht.
In lid 4 is sindsdien opgenomen dat vorderingen tot uitbetaling als bedoeld in het derde lid niet vatbaar zijn voor vervreemding of verpanding. In de wet is niet voorzien in overgangsrecht, zodat de wet directe werking heeft.
6.2
Artikel 13b lid 1 Wahv voorziet erin dat de officier van justitie op verzoek van een indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 13a in de kosten kan worden veroordeeld in het geval het beroep wordt ingetrokken omdat de officier van justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen. Blijkens artikel 13a lid 1 Wahv is de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de proceskosten van de andere partij.
6.3
De Wahv voorziet er niet met zoveel woorden in dat de officier van justitie zelf een beslissing neemt over de proceskosten. Uit de (eerdere) toelichting op artikel 13b Wahv volgt echter dat de wetgever ervan uit is gegaan dat de officier van justitie, indien hij de indiener van het beroepschrift zelf (dus zonder tussenkomst van de rechter) tegemoet komt, ook zelf tot vergoeding van de proceskosten zal overgaan:
Pas indien blijkt dat de indiener geen genoegen neemt met de door de officier aangeboden kostenvergoeding, dient de kantonrechter van het verzoek in kennis te worden gesteld. [2]
6.4
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onder “uitbetalingen ingevolge een beslissing op het administratief beroep of uitspraak op beroep” in artikel 13a lid 3 Wahv ook een beslissing van de officier van justitie moet worden begrepen om tot vergoeding van de proceskosten over te gaan. Dat betekent dat ten aanzien van die beslissingen ook moet worden aangenomen dat (met ingang van 1 januari 2024) uitbetaling slechts kan plaatsvinden op de bankrekening van degene tot wie de beschikking waarbij de administratieve boete is opgelegd, is gericht. Een andere uitleg zou in strijd zijn met de bedoeling van de wetgever om paal en perk te stellen aan de “no cure no pay”-praktijk in Wahv-zaken en zou bovendien tot een onnodige belasting van de kantonrechter leiden omdat deze dan uitspraak zou moeten doen over proceskosten waarover geen verschil van mening bestaat. Het hof passeert hiermee het door [geïntimeerde] geformuleerde betoog dat van een beschikking of een besluit dat wordt bestreken door artikel 13a, leden 3 en 4 Wahv, geen sprake is.
Overdracht van vorderingen; toekomstige vorderingen en vorderingen onder opschortende voorwaarde
6.5
Uit artikel 3:84 lid 1 BW Pro volgt dat voor de overdracht van een goed een levering vereist is krachtens geldige titel, door een persoon die bevoegd is om over het goed te beschikken. Artikel 3:94 lid 1 BW Pro bepaalt dat (onder meer) vorderingen worden geleverd door een daartoe bestemde akte en een mededeling aan de schuldenaar (openbare cessie). Artikel 3:94 lid 3 BW Pro voorziet in de zogenaamde stille cessie. Aangezien partijen het erover eens zijn dat het in deze zaak gaat om een openbare cessie als bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW Pro, zal het hof daar ook vanuit gaan.
6.6
Uit artikel 3:97 lid 1 BW Pro volgt dat ook toekomstige vorderingen kunnen worden geleverd. Zolang de vordering nog toekomstig is, heeft de levering nog geen overdracht tot gevolg. De overdracht van een toekomstige vordering vindt plaats wanneer de vordering ontstaat en de vervreemder deze verkrijgt. Dat is anders bij vorderingen onder opschortende voorwaarde: dat zijn reeds bestaande vorderingen, die als zodanig door de vervreemder kunnen worden overgedragen.
6.7
Het hof zal daarom eerst beoordelen of de vordering van de heer [naam] op de Staat op 1 januari 2024 (het moment van het ingaan van het vervreemdingsverbod van artikel 13a lid 4 Wahv) een (nog niet bestaande) toekomstige vordering was, of een reeds bestaande vordering onder opschortende voorwaarde. Dat onderscheid is niet altijd helder (en in de literatuur wordt over het onderscheidende criterium ook verschillend gedacht [3] ), maar steeds afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Ook vorderingen uit een bestaande rechtsverhouding kunnen toekomstig zijn.
6.8
Doorslaggevend voor het al dan niet bestaan van een vordering is het vaststaan van de verschuldigdheid ervan. Een vordering ontstaat zodra de schuldeiser wordt gerechtigd tot een prestatie en de schuldenaar jegens de schuldeiser daartoe wordt verplicht. [4] Uit art. 6:21 jo Pro. 6:22 BW volgt dat bij een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde de werking van de daarmee samenhangende verbintenis eerst aanvangt met het plaatsvinden van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Indien een vordering uit de wet voortvloeit, volgen de ontstaansvereisten van de vordering ook uit de wet. Indien een vordering uit een overeenkomst voortvloeit, kunnen de ontstaansvereisten voortvloeien uit de wettelijke regeling van de overeenkomst in kwestie. [5]
6.9
De vordering van de heer [naam] op de Staat is niet een vordering uit overeenkomst, maar een vordering ter zake van de proceskosten, die een wettelijke grondslag heeft in de Wahv. In artikel 13a, lid 1 Wahv is opgenomen dat de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten van een andere partij. De hoogte van de veroordeling is geregeld in lid 2. In artikel 13b, lid 1 Wahv is een regeling voor de proceskosten opgenomen voor het geval het beroep wordt ingetrokken omdat door de officier van justitie geheel of gedeeltelijk aan de indiener tegemoet is gekomen.
6.1
Uit de wettelijke regeling volgt dat een aanspraak op vergoeding van de proceskosten pas ontstaat door hetzij een uitspraak van de kantonrechter, hetzij de beslissing van de officier van justitie om op grond van artikel 13b, lid 1 Wahv een aanbod te doen tot vergoeding van de proceskosten. De vordering van de heer [naam] op de Staat was daarmee een toekomstige vordering, die pas ontstond op een van de hier bedoelde momenten.
6.11
De beslissing van de officier van justitie om een proceskostenvergoeding te voldoen, en daarmee het ontstaan van de vordering van de heer [naam] op de Staat, dateert van na 1 januari 2024. Daaruit volgt dat pas toen werd voldaan aan de voorwaarden voor de overdracht van de vordering aan [geïntimeerde] . Op dat moment kon die overdracht echter gelet op artikel 13a lid 4 Wahv, niet meer plaatsvinden.
6.12
De stelling van [geïntimeerde] dat artikel 13a Wahv slechts betrekking heeft op
de uitbetalingvan de proceskostenvergoeding, maar niet op de vordering ter zake de proceskostenvergoeding als zodanig, doet – wat er van die stelling verder ook zij – niet af aan de vaststelling dat de vordering pas ontstaat nadat die door de kantonrechter of de officier van justitie is vastgesteld.
6.13
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van de Staat slagen. Het hof zal hierna de stellingen van [geïntimeerde] bespreken die door de devolutieve werking van het appel weer aan de orde komen, of die hij in hoger beroep heeft ingenomen.
Overige stellingen van [geïntimeerde]
6.14
heeft onder meer aangevoerd dat met de vernietiging van de sanctiebesluiten de onrechtmatigheid ervan vast staat en dat die besluiten met terugwerkende kracht uit de rechtsorde zijn verwijderd. De heer [naam] heeft daarom, zo betoogt [geïntimeerde] , vanaf de dagtekening van de sanctiebesluiten recht gehad op een proceskostenvergoeding, zodat hij dit recht op 27 september 2022 al kon overdragen aan [geïntimeerde] .
6.15
Het hof verwerpt dat betoog omdat het voorbij ziet aan de hiervoor omschreven bijzondere aard van de proceskostenvergoeding die meebrengt dat het recht op die proceskostenvergoeding pas ontstaat nadat dit door de kantonrechter of de officier van justitie is vastgesteld. De proceskostenvergoeding verschilt hiermee ook van de maandelijkse en uit de wet voortvloeiende uitkering die onderwerp was van de beslissing van de Hoge Raad van 4 juni 2004 waarop [geïntimeerde] zich beroept. [6]
6.16
[geïntimeerde] betoogt verder dat aan hem eigendomsrecht is ontnomen en dat daarom “terecht door de Staat (is) stilgestaan” bij artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP). Het is het hof niet helemaal duidelijk of [geïntimeerde] betoogt dat er sprake is van strijd van artikel 13a Wahv met artikel 1 EP Pro. Voor zover zijn betoog aldus moet worden begrepen, faalt het. Niet alleen was, zoals hiervoor is overwogen, de overdracht van de vordering aan [geïntimeerde] nog niet voltooid, zodat aan [geïntimeerde] geen eigendom is ontnomen, maar bovendien verbiedt artikel 1 EP Pro niet iedere regulering of ontneming van eigendom. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) vereist artikel 1 EP Pro dat bij een eigendomsinbreuk sprake is van een
fair balance(een redelijk evenwicht) tussen (a) het algemeen belang dat wordt gediend met de eigendomsinmenging aan de ene kant en (b) de bescherming van het eigendomsrecht van de betrokkene aan de andere kant. Met andere woorden: de eigendomsinmenging moet proportioneel zijn en er mag geen individuele en buitengewone last rusten op de persoon wiens eigendom in het geding is. Dit geldt zowel voor de ontneming van eigendom als voor de regulering van eigendom, en voor gevallen waarin die grens niet duidelijk valt te trekken.
6.17
In dit geval is het algemene belang dat een halt wordt toegeroepen aan de situatie waarin uitsluitend vanwege de proceskosten procedures tegen boetebeschikkingen worden gevoerd. Dat is een algemeen belang dat op zichzelf zwaarwegend is. Daar tegenover staat het belang van [geïntimeerde] . Zijn belang is alleen gelegen in de vraag wie zijn debiteur is: de Staat of zijn cliënt. De aanspraak op vergoeding voor zijn werkzaamheden is als zodanig niet in het geding; hij kan met zijn cliënten afspreken dat zij hem anders dan door middel van een proceskostenvergoeding betalen. In zoverre wordt hij in zijn belang niet geraakt door de wetswijziging. Alleen het verhaal van zijn vordering is veranderd. Voor zover gesproken kan worden van een inbreuk op het eigendomsrecht (zijn vordering bestaat immers onverminderd), acht het hof die inbreuk niet in strijd met de noodzaak een
fair balancete vinden tussen het algemeen belang en het belang van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] werkt ook niet uit waarom die
fair balancewel is geschonden.
6.18
[geïntimeerde] betoogt verder dat het in artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op toegang tot de rechter in het gedrang komt als hij zijn cliënten niet meer op basis van
no cure no paykan bijstaan. Dat is echter niet zijn belang, maar het belang van zijn cliënten. Overigens is niet goed in te zien waarom het recht op toegang tot de rechter op ontoelaatbare wijze wordt beperkt wanneer de proceskostenvergoeding wordt betaald aan de rechthebbende, die toegang tot de rechter zoekt.
6.19
[geïntimeerde] betoogt verder dat de wetswijziging in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel. Dat betoog miskent dat wetten in formele zin (en dus ook de Wahv) niet aan algemene rechtsbeginselen kunnen worden getoetst, zeker niet in het geval waarin de wetgever de gevolgen van de wet voor personen in de positie van [geïntimeerde] , onder ogen heeft gezien.
6.2
Bij deze stand van zaken is ook niet in te zien waarom een beroep door de Staat op artikel 13a Wahv naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het is ongetwijfeld juist dat [geïntimeerde] zijn afspraken met de heer [naam] niet meer kon wijzigen. Zijn aanspraak op een vergoeding voor zijn werkzaamheden als zodanig is door de wetswijziging echter niet aangetast, zodat van een zo uitzonderlijke situatie dat een beroep van de Staat op artikel 13a Wahv naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, niet kan worden gesproken. In ieder geval heeft [geïntimeerde] onvoldoende inzicht gegeven in de afspraken die hij met de heer [naam] heeft gemaakt (hij heeft alleen de akte van cessie overgelegd, maar niet een schriftelijke vastlegging van de voorwaarden van de opdracht) om tot die conclusie te kunnen komen.
6.21
Ook faalt het betoog dat artikel 13a, leden 3 en 4 Wahv buiten toepassing moet worden gelaten omdat er geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte onderscheid tussen de Wahv en andere bestuursrechtelijke regelingen.
6.22
Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een ontoelaatbaar onderscheid moet immers het volgende tot uitgangspunt worden genomen. Een ongelijke behandeling van gevallen die als gelijke gevallen zijn te beschouwen is verboden, als een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor dat verschil in behandeling ontbreekt. Zo’n rechtvaardiging ontbreekt als het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of als geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. Daarbij komt aan de wetgever een zekere vrijheid (“margin of appreciation”) toe bij de beoordeling van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en, zo ja, of dan een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Bij kwesties op het gebied van de heffing en invordering van belastingen is die beoordelingsvrijheid in het algemeen ruim. Als het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, seksuele oriëntatie, ras en etnische afkomst, moet het oordeel van de wetgever op die gebieden worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond is ontbloot. Een zo ruime marge komt de wetgever echter niet toe als het gaat om beperkingen van proceskostenvergoedingen in fiscale procedures, omdat daarbij de toegang tot de rechter aan de orde is. Wel heeft de wetgever daarbij een zekere beoordelingsmarge.
6.23
De Hoge Raad heeft ten aanzien van de beperking van de proceskostenvergoeding als zodanig (artikel 13a lid 2 Wahv) geoordeeld dat er geen sprake is van een verboden onderscheid. [7] De in de leden 3 en 4 neergelegde regeling dient hetzelfde doel als de in lid 2 neergelegde beperking van de hoogte van de proceskostenvergoeding. Ook ten aanzien van het verbod de vordering ter zake de proceskostenvergoeding over te dragen is het hof daarom van oordeel dat van strijd met het verbod van gelijke behandeling, geen sprake is.
6.24
In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] nog aangevoerd dat de Staat hem in andere zaken tegemoet is gekomen en dat daarom de rechtsgeldigheid van de cessie niet ter discussie kan staan. Het hof beschouwt dit als een beroep op rechtsverwerking. [geïntimeerde] heeft evenwel niet voldoende feiten aangevoerd die een dergelijk beroep kunnen dragen.
Bewijsaanbod
6.25
Het hof passeert het bewijsaanbod van [geïntimeerde] omdat het niet kenbaar betrekking heeft op feiten die, indien bewezen, tot een andere conclusie leiden.
Conclusie en proceskosten
6.26
De conclusie is dat het hoger beroep van de Staat slaagt en dat de vordering van [geïntimeerde] niet toewijsbaar is. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.
6.27
De Staat heeft gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen de Staat op basis van het vonnis van de kantonrechter aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Die vordering is toewijsbaar aangezien met de vernietiging van het vonnis de grondslag voor die betaling is weggevallen. Ook de gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dag waarop de Staat aan het vonnis heeft voldaan.
6.28
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op:
eerste aanleg:
salaris gemachtigde € 238,-
hoger beroep
dagvaarding € 145,45-
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 1.368,- (1,5 punten × tarief I)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.529,45

7.Beslissing

Het hof:
  • vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 7 november 2024;
  • wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;
  • veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen de Staat op basis van het vernietigde vonnis aan hem heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van terugbetaling aan de Staat;
  • veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van de Staat begroot op € 238,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 2.529,45, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als de Staat/ [geïntimeerde] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. J.J. van der Helm, mr. H.J.M. Burg en mr. P.C. van Es en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

2.Kamerstukken II, 1995-1996,
3.Zie voor een overzicht
4.B.A. Schuijling,
5.Schuijling 2016/87.
6.HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5665.
7.HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.