Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1225

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.325.649/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:42 BWArt. 5:49 lid 1 BWArt. 6:96 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vordering tot verwijdering grote boom en overhangende takken afgewezen

Partijen zijn buren met een geschil over een grote boom in de tuin van appellant die volgens geïntimeerde teveel zonlicht wegneemt. In eerste aanleg werd appellant veroordeeld tot het verwijderen van overhangende takken en medewerking aan het plaatsen van een nieuwe schutting, maar de vordering tot verwijdering van de boom werd afgewezen.

Appellant stelde in hoger beroep dat hij de vaststellingsovereenkomsten was nagekomen en dat de boom vanwege overmacht nog niet was verwijderd. Het hof oordeelde dat de vaststellingsoverkomsten niet ten grondslag lagen aan de vorderingen van geïntimeerde en dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat verwijdering onmogelijk was. De vordering tot verwijdering van de boom werd afgewezen vanwege onvoldoende bewijs van onrechtmatige hinder na snoei.

De vordering tot verwijdering van overhangende takken werd bevestigd omdat die takken gedurende bijna twee jaar overhingen. De vordering tot medewerking aan het plaatsen van de schutting werd eveneens bekrachtigd. De buitengerechtelijke kosten werden gedeeltelijk toegewezen op basis van redelijkheid en billijkheid. Het hof veroordeelde appellant in de proceskosten van het principaal hoger beroep en geïntimeerde in die van het incidenteel hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd, behalve voor de buitengerechtelijke kosten die gedeeltelijk worden toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.325.649/02
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/622695 / HA ZA 21-655
Arrest van 28 april 2026
in de zaak van

1.[appellant 1],

wonend in [woonplaats],
2.
[appellant 2],
wonend in [woonplaats],
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.Z.D. Nasrullah, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
de gezamenlijke erfgenamen van [naam],
laatstelijk wonend in [woonplaats],
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. R. van der Hoeff, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde].

1.De zaak in het kort

1.1
Partijen zijn buren en hebben een geschil over (onder meer) een grote boom in de tuin van [appellant]. [geïntimeerde] vindt dat de boom teveel (zon)licht wegneemt en wil dat de boom wordt verwijderd.
1.2
Het hof wijst (net als de rechtbank) de vordering tot verwijdering van de boom af.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 23 februari 2023, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 november 2022;
  • de memorie van grieven van [appellant], met bijlagen;
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel van [geïntimeerde], met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant].
2.2
Op 19 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellant] en de advocaat van [geïntimeerde] hebben de zaak nader toegelicht.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
[geïntimeerde] en [appellant] zijn eigenaren van naast elkaar gelegen panden aan de [adres]. De achtertuinen van [geïntimeerde] en [appellant] grenzen met de zijkanten aan elkaar. Tussen de achtertuinen stond tot medio 2022 een houten schutting. In de tuin van [appellant] staan verschillende planten, struiken en bomen, waaronder één grote boom (hierna: de grote boom).
3.2
Tijdens de mondelinge behandeling van 10 februari 2022 bij de rechtbank hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij partijen (onder meer) zijn overeengekomen dat [appellant] binnen een redelijke termijn zal zorgdragen voor het kappen van de grote boom.
3.3
Op 9 september 2022 is de schutting verwijderd. De grote boom is niet verwijderd.
3.4
[geïntimeerde] heeft vonnis gevraagd en de rechtbank heeft op 23 november 2022 uitspraak gedaan (zie hierna onder 4.3).
3.5
Bij e-mail van 7 februari 2023 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de voormalig advocaat van [appellant] het volgende geschreven:
“(…) Partijen hebben overeenstemming bereikt over het verwijderen van de grote boom in de tuin van uw cliënt (…). Bijgaand zend ik u het proces-verbaal waarin de vaststellingsovereenkomst is opgenomen. Cliënte wil nakoming hiervan. Het is uiteraard bijzonder onpraktisch wanneer er op korte termijn een schutting wordt opgetrokken, terwijl er nog een grote boom moet worden omgehakt. De schutting zou mogelijk in de weg kunnen staan. Cliënte wil graag afspraken maken hierover.
Kunt u mij aangeven wanneer uw cliënt uitvoering geeft aan de afspraken? (…)”
3.6
[appellant] heeft op 23 februari 2023 hoger beroep tegen het vonnis ingesteld.
3.7
Op 19 april 2023 zijn bomen/struiken langs de schutting verwijderd.
3.8
Tijdens de mondelinge behandeling van 29 augustus 2023 in hoger beroep hebben partijen wederom een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin zijn zij onder meer overeengekomen dat [appellant] zich zal inspannen om te zorgen dat de grote boom voor Kerst 2023 gekapt zal zijn en als de termijn niet gehaald kan worden hij daarvan met opgave van redenen door de hovenier aan [geïntimeerde] zal laten weten wanneer de grote boom wel gekapt kan worden. Nadat de grote boom uit de tuin is verwijderd zal worden overgegaan tot het plaatsen van de schutting. Ook is opgenomen dat aan het vonnis waarvan beroep en het proces-verbaal van 10 februari 2022 geen uitvoering wordt gegeven en dat de overeenkomst vervalt wanneer deze niet vóór 1 april 2024 is nagekomen.
3.9
Op 6 november 2023 heeft de voormalig advocaat van [appellant] aan de advocaat van [geïntimeerde] bericht dat de start van werkzaamheden met betrekking tot de grote boom staat ingepland op 8 december 2023.
3.1
Op 8 december 2023 is aan de advocaat van [geïntimeerde] bericht dat de werkzaamheden zijn uitgesteld en dat er een nieuwe planning komt. Vervolgens is bericht dat de aannemer op 21 december 2023 zal starten met het kapwerk. Bij e-mail van 1 februari 2024 is aangegeven dat het kappen van de grote boom is ingepland in het weekend van 1 en 2 maart 2024 en dat er minimaal twee dagen is ingepland vanwege de grootte van de boom.
3.11
Bij e-mail van 14 maart 2024 heeft de voormalig advocaat van [appellant] aan de advocaat van [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven:
“Op 1 maart jl. is de aannemer van mijn cliënt (…) samen met de aangestelde hovenier (…) op het perceel geweest in het kader van de verwijdering van de boom. [Dat
,toevoeging hof
] wil zeggen dat de opdracht door mijn cliënt is gegeven en dat ook uitvoering wordt gegeven door de hovenier/aannemer. Het gaat om een kolossale boom met de nodige voorbereiding/handelingen. Er zijn ook weinig hoveniers beschikbaar voor deze klus. Het kapwerk van de boom is toch echt ingezet door mijn cliënt. Mijn cliënt heeft ook foto’s van de aanwezigheid terplekke van de hovenier/aannemer op 1 maart jl. Het echte kapwerk is volgens planning van de aannemer pas op 23 maart a.s. zichtbaar. Het kapwerk is over een aantal dagen verspreid. De volledige planning heeft mijn cliënt nog niet. De afspraak die mijn cliënt heeft gemaakt is dat het eerste kapwerk zal plaatsvinden aan de delen van boom zijde van uw cliënt. (…)”
3.12
Op 25 maart 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de voormalig advocaat van [appellant] onder meer het volgende bericht:
“(…) De redelijke termijn waarbinnen de boom moet worden gekapt, is wat cliënte betreft allang verstreken. Cliënte bericht mij dat zij afgelopen weekend heeft geconstateerd, dat een aantal takken van de boom zijn weggehaald, met name de overhangende takken. Met daadwerkelijke kapwerkzaamheden is nog niet begonnen. Wanneer niet binnen twee weken na heden de boom is gekapt, dan heeft cliënte mij verzocht de zaak in hoger beroep weer aan te brengen.”
3.13
Bij e-mail van 18 april 2024 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de voormalig advocaat van [appellant] geschreven:
“Uw cliënt is de afspraken, zoals die zijn vastgelegd in het proces-verbaal d.d. 29 augustus 2023, niet nagekomen. Afgelopen maandag sprak ik uw voicemail in, dat ik bericht wens te ontvangen met een concrete datum waarop uw cliënt de afspraken (te beginnen met het kappen van de boom) zal nakomen. Ik heb niet van u vernomen. Cliënte heeft mij verzocht het hoger beroep te hervatten. Ik zal het hof verzoeken de procedure weer op de rol te plaatsen van 7 mei a.s. Ik zeg u daarbij aan dat u uiterlijk twee weken daarna een memorie van grieven dient te nemen op straffe van verval van het recht daartoe. (…)”

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
[geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard en gevorderd (samengevat) veroordeling van [appellant] tot
a.
primairhet verwijderen van de grote boom, het verwijderen van de takken van de overige bomen die over het erf van [geïntimeerde] hangen en het verwijderen van alle struiken binnen één meter van de erfgrens, op straffe van een dwangsom;
subsidiairhet verwijderen van alle overhangende takken en het verwijderen van alle struiken binnen één meter van de erfgrens, op straffe van een dwangsom;
het verlenen van medewerking aan het verwijderen van de schutting op de erfgrens en het oprichten van een nieuwe schutting, op straffe van een dwangsom;
betaling aan [geïntimeerde] van de helft van de kosten van verwijdering en oprichting van de schutting (inclusief verwijdering);
betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
4.2
[geïntimeerde] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [appellant] in strijd met artikel 5:42 BW Pro binnen twee meter van de erfgrens met [geïntimeerde] bomen in de tuin heeft die hoger reiken dan de schutting tussen de erven. Daarnaast veroorzaakt de grote boom hinder zoals het onthouden van licht. Verder is de schutting slecht en moet vervangen worden. Op grond van artikel 5:49 lid 1 BW Pro is [appellant] verplicht daaraan mee te werken.
4.3
De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld alle overhangende takken te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 150,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Verder is [appellant] veroordeeld om medewerking te verlenen aan het verwijderen en oprichten van een nieuwe schutting, op straffe van een dwangsom, en tot betaling van de helft van de kosten van de schutting inclusief verwijdering. De overige vorderingen zijn afgewezen. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
[appellant] wil dat het hof [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaart dan wel de vorderingen van [geïntimeerde] afwijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. Hij meent dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten zodat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat hij het vonnis en de afspraken in de vaststellingsovereenkomsten is nagekomen.
5.2
[geïntimeerde] eist in incidenteel hoger beroep verwijdering van de grote boom, op straffe van een dwangsom van € 150,- per dag met een maximum van € 35.000,-, betaling van een bedrag van € 447,70 (de kosten van het vervaardigen van een schaduwsimulator) en betaling van de buitengerechtelijke kosten (€ 3.998,80) met rente en met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties. Volgens [geïntimeerde] is sprake van hinder omdat de grote boom (die zeker 15 meter hoog is) gedurende de gehele dag (zon)licht wegneemt.

6.Beoordeling in hoger beroep

Gebondenheid aan de vaststellingsovereenkomsten?

6.1
Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte de vaststellingsovereenkomst van 10 februari 2022 buiten beschouwing gelaten. [appellant] beroept zich op nakoming door hem van deze vaststellingsovereenkomst en ook op nakoming van de vaststellingsovereenkomst van 29 augustus 2023. Hij stelt dat hij heeft voldaan aan de afspraken en beroept zich op overmacht met betrekking tot het feit dat de grote boom nog niet is gekapt. Volgens [appellant] is [geïntimeerde] op grond van de redelijkheid en billijkheid nog steeds gehouden de vaststellingsovereenkomst van 2023 na te komen.
6.2
Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) geen nakoming van de vaststellingsovereenkomsten heeft gevorderd. De vaststellingsovereenkomsten liggen dus niet ten grondslag aan de vorderingen van [geïntimeerde] en kunnen daarom buiten beschouwing blijven. Net als de rechtbank dient het hof (binnen het kader van de grieven) te beoordelen of de vorderingen van [geïntimeerde] zoals weergegeven onder 4.1 toewijsbaar zijn op de grondslagen die onder 4.2 zijn opgenomen. Daarop moet grief I reeds stranden.
6.3
Het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde] een beroep zou kunnen doen op de vaststellingsovereenkomsten en daarom geen belang meer zou hebben bij de vorderingen, baat hem ook niet, al omdat de grote boom nog steeds in de tuin staat. Daaruit volgt al dat [geïntimeerde] belang heeft bij de vorderingen.
6.4
Ten overvloede merkt het hof op dat partijen niet meer (ook niet op grond van de (maatstaven van) redelijkheid en billijkheid) gebonden zijn aan de vaststellingsovereenkomst uit 2023. In deze vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat deze per 1 april 2024 zou komen te vervallen als de afspraken niet werden nagekomen. Vast staat dat [appellant] de grote boom voor die tijd niet heeft verwijderd en ook niet aan [geïntimeerde] heeft laten weten wanneer die boom wel gekapt zou worden. Ook is er geen schutting geplaatst. Daarmee is [appellant] zijn afspraken niet tijdig nagekomen. Alhoewel het hof wil aannemen dat het verwijderen van een grote boom uit een stadstuin een enorme klus is, heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat het verwijderen van de grote boom onmogelijk was en dat het ook onmogelijk was om een hoveniersbedrijf beschikbaar te vinden om het werk binnen redelijke termijn uit te voeren. [geïntimeerde] heeft [appellant] voldoende tijd gegeven om aan zijn verplichtingen te voldoen. Van [geïntimeerde] kon gelet op het lange voortraject en eerdere toezeggingen niet worden verwacht dat hij [appellant] nog meer tijd zou geven. Bij die stand van zaken komt het hof ook niet toe aan bewijslevering op dit punt.
6.5
[appellant] heeft ook niet uitgelegd waarom hij nog een beroep kan doen op de vaststellingsovereenkomst uit 2022, gelet op de nadere vaststellingsovereenkomst uit 2023 die als een vervangende of voortbouwende overeenkomst kan worden aangemerkt. Daardoor kan niet worden geoordeeld dat partijen nog zijn gebonden aan die eerste vaststellingsovereenkomst.
Vordering tot verwijdering overhangende takken
6.6
Volgens [appellant] is er geen sprake (geweest) van structureel overhangende takken. De takken zijn verwijderd en [geïntimeerde] heeft geen belang meer bij de vorderingen.
6.7
Vast staat dat de overhangende takken rond 23 maart 2024 gesnoeid zijn. Dat [appellant] uitvoering heeft gegeven aan het vonnis betekent echter niet dat de vordering tot verwijdering van de overhangende takken ten onrechte is toegewezen. [geïntimeerde] heeft immers met stukken onderbouwd aangetoond dat vóór het vonnis wel degelijk sprake was van overhangende takken gedurende een periode van bijna twee jaar. Grief II faalt dus.
6.8
Aan de bewijsaanbiedingen op dit punt gaat het hof voorbij omdat de te bewijzen aangeboden feiten, ook als zij komen vast te staan, niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
Vordering tot medewerking aan verwijdering en plaatsing schutting
6.9
Volgens [appellant] is de schutting inmiddels verwijderd en hebben partijen in de vaststellingsovereenkomsten afspraken gemaakt over de plaatsing van de nieuwe schutting zodat [geïntimeerde] geen belang heeft bij de vorderingen.
6.1
Zoals hiervoor is overwogen heeft [geïntimeerde] de nakoming van de vaststellingsovereenkomsten niet aan de vordering ten grondslag gelegd en zijn partijen ook niet meer gebonden aan de afspraken in de vaststellingsovereenkomsten. [appellant] heeft verder ook niet aangegeven waarom hij niet gehouden kan worden medewerking te verlenen aan de plaatsing van een nieuwe schutting zoals in het vonnis is opgenomen. Tot vernietiging van het vonnis kan deze grief dus niet leiden.
Vordering tot verwijdering grote boom en kosten schaduwsimulator
6.11
[geïntimeerde] heeft op zijn beurt gegriefd tegen afwijzing van de vordering tot verwijdering van de grote boom. [geïntimeerde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat sprake is van onrechtmatige hinder. De hinder bestaat uit het wegnemen van licht en overlast van bladeren. De grote boom is zeker 15 meter hoog en in de breedte bedekt die boom vier percelen/tuinen. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van dit standpunt een schaduwsimulator overgelegd waaruit volgens [geïntimeerde] kan worden afgeleid dat wanneer de grote boom bladeren heeft, het zonlicht nauwelijks de tuin bereikt.
6.12
[appellant] heeft betwist dat er na het snoeien van de grote boom nog sprake is van overlast. Volgens [appellant] is er geen sprake meer van schaduw aan de perceelzijde van [geïntimeerde]. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [appellant] verklaard dat die boom nog slechts drie meter hoog is en dat alleen de stam er nog staat. Dat heeft [geïntimeerde] onvoldoende weersproken. Onduidelijk is in dat verband of (en in welke mate) de grote boom nog steeds zonlicht wegneemt. De schaduwsimulatie is gebaseerd op de situatie van voor de snoei van de grote boom. De advocaat van [geïntimeerde] kon op vragen van het hof op de zitting niets zeggen over de mate van hinder die nu nog wordt ervaren. Het had op de weg van [geïntimeerde] gelegen om dit standpunt (bijvoorbeeld met recente foto’s) nader te onderbouwen maar dat heeft hij nagelaten. Overigens heeft [appellant] er (onweersproken) op gewezen dat het hier gaat om een zeer oude boom die er al stond voordat [geïntimeerde] eigenaar werd van het perceel, dat [geïntimeerde] het pand niet zelf bewoont en dat de kamerbewoners er maar kort verblijven. Eventuele overlast door weggenomen zonlicht door de fors teruggesnoeide grote boom zal naar het oordeel van het hof dan ook beperkt zijn en geen onrechtmatige hinder opleveren. Aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] gaat het hof daarom voorbij. De te bewijzen aangeboden feiten kunnen immers, ook als zij komen vast te staan, niet tot een ander oordeel leiden. De vordering tot verwijdering van de grote boom zal worden afgewezen en de kosten van de schaduwsimulator moeten dan ook voor rekening van [geïntimeerde] blijven.
Buitengerechtelijke kosten
6.13
[geïntimeerde] komt ook op tegen afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten (€ 3.998,80). [geïntimeerde] heeft gesteld dat sprake is geweest van een lang voortraject en dat [geïntimeerde] kosten heeft moeten maken voor het inschakelen van adviseurs. Lang niet alle kosten zien op het indienen van een klacht bij de Deken. De adviseur heeft ook geprobeerd te bemiddelen en heeft met [appellant] gecorrespondeerd en overleg gevoerd. Voor zover de kosten niet verschuldigd zijn op grond van art. 6:96 lid 2 BW Pro is [appellant] de kosten (althans een in goede justitie te bepalen bedrag) verschuldigd op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, aldus [geïntimeerde].
6.14
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de gevorderde kosten niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 BW Pro. Ook in hoger beroep heeft [geïntimeerde] niet onderbouwd dat het redelijk is dat alle kosten van de adviseur voor rekening van [appellant] komen. Weliswaar heeft [geïntimeerde] gesteld dat lang niet alle kosten zien op het indienen van een klacht bij de Deken maar hij heeft niet inzichtelijk gemaakt welke kosten daar wel op zien, terwijl de hoogte van het gevorderde bedrag hetzelfde is als in eerste aanleg.
6.15
De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het hof zal de gevorderde vergoeding daarom toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Voor vergoeding komt dan in aanmerking een bedrag van € 925,- zodat het hof dat bedrag (met de gevorderde wettelijke rente) zal toewijzen. Het verweer van [appellant] dat hij meer kapwerk heeft verricht dat hetgeen strikt noodzakelijk was en dat partijen (in de vaststellingsovereenkomst) hebben verdisconteerd dat [appellant] geen kosten aan [geïntimeerde] betaalt, wordt verworpen. Aan de vaststellingsovereenkomsten zijn partijen niet meer gebonden en ook overigens blijkt niet van zulke afspraken tussen partijen.
Conclusie en proceskosten
6.16
De conclusie is dat het principaal hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Ook het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt niet, behalve voor wat betreft de buitengerechtelijke kosten. Daarom zal het hof het vonnis op dat punt vernietigen en de vordering gedeeltelijk toewijzen. Voor het overige wordt het vonnis bekrachtigd. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep en [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep.
6.17
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] op:
griffierecht € 343,-
salaris advocaat € 3.870,- (3 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.402,-
De kosten van [appellant] worden begroot op € 1.935,- (de helft van het tarief van het principaal hoger beroep).

7.Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 november 2022 doch uitsluitend voor zover daarbij de buitengerechtelijke kosten zijn afgewezen
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt [appellant] tot betaling van een bedrag van € 925,- aan [geïntimeerde] met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding in eerste aanleg tot de dag van algehele voldoening;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 4.402,-;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
  • veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.935,-;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. M.P.J. Ruijpers, mr F.M. Bus en mr. J.N. De Blécourt, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.