Uitspraak
Gerechtshof Den Haag
Arrest
over te brengen van Spanje naar Turkije,
.
surveyzou moeten ondergaan, tegen aanzienlijke kosten. Besloten werd dat het schip zou worden verkocht. Uit een e-mail van 23 oktober 2013 van [fleetmanager] ,
fleetmanagerbij het [medeverdachte/bedrijf 2] concern, aan de ingeschakelde tussenpersoon [tussenpersoon 1] (hierna: [tussenpersoon 1] ), volgt dat aanvankelijk alleen naar verkoop aan een sloper wordt gekeken. Uit een e-mail van 24 oktober 2013 volgt dat prijzen worden opgevraagd bij zowel Europese/Turkse slopers als bij Indiase/Aziatische slopers. Op 28 oktober 2013 vraagt [medeverdachte 2] per e-mail aan de [medeverdachte 1] of men ook (de mogelijkheid van) commerciële verkoop (hierna: ‘varende verkoop’) uit moet gaan. [medeverdachte 1] antwoordt op dezelfde datum dat men voorlopig voor een maximale opbrengst gaat en dat over prijsverschillen tussen Turkse en Aziatische slopers te zijner tijd wordt beslist. In zijn e-mail van 30 oktober 2013 aan de bestuurders [bestuurder 2] en [medeverdachte 3] (in cc aan onder andere de bestuurder [medeverdachte 2] ) vraagt [medeverdachte 1] hen expliciet om een, gelet op de naderende onderhoudsdatum, spoedig advies over de te maken keuze tussen slopen, verder exploiteren (maar dan met winst) en varende verkoop. Diezelfde avond vraagt [fleetmanager] ( [medeverdachte 2] in cc), kennelijk als reactie naar aanleiding van het verzoek om advies van [medeverdachte 1] aan [tussenpersoon 1] of er ook een tweedehands markt is voor de [Schip 1] . [tussenpersoon 1] laat in een e-mail van 18 november 2013, gericht aan onder andere bestuurder [medeverdachte 2] , weten dat sloop de beste optie lijkt, omdat verkoop op de tweedehandsmarkt niet méér zou opbrengen dan de schrootwaarde terwijl het schip in geval van sloop geen concurrentie voor het concern zou opleveren.
van buiten de EUwerd overgebracht naar Turkije. Turkije was relevant omdat de slooplocaties van de geïnteresseerde sloopwerven in Turkije lagen. In een e-mail aan bestuurder [medeverdachte 2] berichtte [bedrijfsjurist] verder nog dat hij het liefst de formele procedures wilde vermijden vanwege de Nederlandse, tijdrovende bureaucratie. De verdachte en [medeverdachte 2] zijn afgegaan op het advies van [bedrijfsjurist] .
memorandum of agreement(hierna: MOA) van 14 februari 2014 heeft [directeur] als directeur van [bedrijf 6] de [Schip 1] verkocht aan [sloopwerf] voor een bedrag van $ 1.089.921.
van buiten Europa(Libanon) naar Turkije gevaren, waar het op 10 maart 2014 het strand van Aliaga is opgevaren en vervolgens is gesloopt. De [Schip 1] bevatte nog gevaarlijke stoffen, te weten brandstoffen zoals dieselolie,
fuelolie, en koudemiddelen, toen het bij sloopwerf [sloopwerf] het land op werd gevaren.
surveyzouden moeten ondergaan. Dit besluit is vastgelegd in de ‘
Action and decision list’van die vergadering. Bij deze directievergadering waren onder andere aanwezig de bestuurders [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
broker[tussenpersoon 1] . Op 17 april
2015liet [tussenpersoon 1] weten dat meerdere sloopwerven een bod hadden gedaan op de [Schip 2] , waaronder [sloopwerf] , waar eerder ook de
[Schip 1]gesloopt werd.
senior technical superintendent) volgt dat is besloten ervan uit te gaan dat de [Schip 2] gesloopt gaat worden: “
we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”.De mogelijkheid dat het nog zou lukken om het schip aan de Italiaanse aspirant koper te verkopen (‘varende verkoop’) werd toen niet meer reëel geacht. Op 16 april 2015 lag het schip voor de kust van Cadiz, Spanje.
memorandum of agreement(MOA) tussen [medeverdachte/bedrijf 2] en [sloopwerf] is diezelfde dag getekend.
voornemens iszich te ontdoen
of gepland isplaats te hebben tussen een land en een ander land.
voornemens isde afvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen en gehouden is tot de kennisgevingsplicht.
.
surveyaan de orde zou zijn en gelet op de e-mail van 16 april 2015 van [medeverdachte 3] aan [senior technical superintendent] (“we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”) werd deze kans door de verdachten niet anders dan theoretisch geacht.
senior technical superintendent), [bedrijfsjurist] (bedrijfsjurist), [fleetmanager] (
fleetmanager) en [bestuurder 2] (eveneens bestuurder), allen in dienst van een [medeverdachte 1] vennootschap.
fleetmanager[fleetmanager] op 24 oktober 2013 een e-mail aan [vertegenwoordiger] , vertegenwoordiger van de
broker[tussenpersoon 1] die [medeverdachte/bedrijf 2] kennelijk als tussenpersoon hanteert als het gaat om het slopen van een schip. [fleetmanager] meldt [vertegenwoordiger] dat hij op dit moment alleen kijkt naar mogelijkheden tot sloop van de [Schip 1] in april/mei 2014. [medeverdachte 2] en [bestuurder 2] staan in de cc.
“Willen we principieel slopen of zullen we nog naar verkoop kijken?”. Daarbij geeft hij tevens de globale verschillen in kosten aan tussen slopen door een Turkse dan wel een Indiase werf. Op dezelfde dag antwoordt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] en [bestuurder 2] :
“We gaan (voorlopig) voor max revenue. (…) Dus verkoop prima.”
fleetmanager[fleetmanager] verslag uit aan bestuurder [medeverdachte 2] en bedrijfsjurist [bedrijfsjurist] over hetgeen hij via contacten met de redersvereniging heeft vernomen over het juridisch kader rond het overbrengen van een schip ter recycling naar een sloper. De tekst van deze e-mail luidt, voor zover hier relevant, als volgt:
surveymoeten ondergaan. Het afscheid diende dus vóór deze datum plaats te vinden.
surveyzou moeten ondergaan.
scrap yardmoet dan tot stand komen dan wel getekend worden na vertrek vanuit die Europese haven. Hieruit volgt dat (na de overbrenging van de [Schip 1] , die slechts ruim een jaar eerder plaatsvond) opnieuw de vraag wordt besproken of en wanneer er een verplichting tot kennisgeving aan dan wel een toestemming van de autoriteiten voor de overbrenging is vereist.
“Als het niet doorgaat, dan gaan we verder met scrappen vd [Schip 2] . (…) Het lijkt me verstandig om vanaf nu nog een keer naar de kwaliteit te kijken van de 3 turkse scrapyards die destijds hebben aangeboden. Dan kunnen we vanaf maandag, als de verkoop niet doorgaat, gelijk door met [tussenpersoon 1] (onze scrap broker) gelijk door.”
we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk”.
voornemens isafvalstoffen over te brengen of te laten overbrengen (EVOA artikel 2 sub Pro 15 onder a) en dat “overbrenging” gedefinieerd wordt als “het vervoer van voor nuttige toepassing of verwijdering bestemde afvalstoffen dat plaatsvindt of
gepland isplaats te hebben” (EVOA artikel 2 sub Pro 34). Het advies van [bedrijfsjurist] komt erop neer dat, indien ervoor wordt gezorgd dat het schip te allen tijde vanuit een niet-EU land Turkije binnenvaart de EVOA nimmer van toepassing is. Daarmee wordt een dermate beperkte interpretatie van het begrip “voornemen tot overbrenging” toegepast dat voor een professionele scheepvaart exploitant duidelijk is dat deze interpretatie geen recht doet aan de bedoelingen van de EVOA en de KRA. Om deze redenen verwerpt het hof dit verweer, nog daargelaten dat een ieder wordt geacht de wet te kennen.
of omstreeksde periode van 24 oktober 2013 tot en met 6 maart 2014,
en/of te Frankrijk, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap,
(een
)ander
(en), althans alleen,
(en
)heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder Pro 35, sub a en
/ofb van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door
(een
)afvalstof
(fen
)bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [Schip 1] ,
(onder andere)staal en
/ofstook- en
/ofdieselolie en
/ofbilge-olie en
/offuel olie en
/ofsludge en
/of (lood)accu's en/of (een)koelinstallatie
(s
)met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon)
en/of tl buizen,
en/of Frankrijknaar Turkije,
/oftoestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening;
of omstreeksde periode van 27 januari 2015 tot en met 28 april 2015,
en/of te Spanje, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap,
(een
)ander
(en),
althans alleen,
(en
)heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder Pro 35, sub a en
/ofb van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, door
(een
)afvalstof
(fen)bestemd voor nuttige toepassing, te weten een schip genaamd [Schip 2] ,
(onder andere)staal en
/ofstook- en
/ofdieselolie en
/ofbilge-olie en
/offuel olie en
/ofsludge en
/of (lood)accu's en/of (een)koelinstallatie
(s
)met daarin chloorfluorkoolwaterstoffen (freon)
en/of tl buizen en/of asbest,
/oftoestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening.
lex mitiorbeginsel, zoals onder meer vastgelegd in artikel 1 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht en artikel 7 EVRM Pro, dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu de verweten gedraging, indien bewezen, niet langer kwalificeert als strafbaar feit. Voor zover het hof dit anders ziet, meent de verdediging dat het aangewezen is om vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
werkingssfeer
Algemene voorschriften voor scheepseigenaren1. Bij het voorbereiden van het recyclen van een schip moeten scheepseigenaren:
i) de inventaris van gevaarlijke materialen, en
ii) alle relevante informatie over het schip als bedoeld in punt a).
Scheepsrecyclingplan
Inspecties
b) een hernieuwde inspectie;
c) een aanvullende inspectie;
d) een laatste inspectie.
Uit het enkele feit dat onder beide normen kennis moet worden gegeven volgt nog niet dat sprake is van dezelfde norm. De norm onder de EVOA beoogt een overbrenging niet ongemerkt te laten geschieden terwijl de Scheepsrecyclingsverordening beoogt ervoor te zorgen dat niet alleen een voornemen tot recycling bij de autoriteiten gemeld wordt, maar daarnaast ook nog allerhande andere noodzakelijk geachte documentatie en informatie.
Daarbij is het volgende van belang. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de toepassing van het strafrecht niet uitgesloten op grond van de Scheepsrecyclingsverordening. Op grond van artikel Artikel 16c lid 2 van de Regeling voorkoming verontreiniging door schepen, in samenhang met artikel 36a, eerste lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen, in samenhang met Artikel 1a onder 1° van de Wet economische delicten, volgt dat een aantal bepalingen van de Scheepsrecyclingsverordening strafrechtelijk handhaafbaar zijn. Uit het feit dat de kennisgevingsnorm onder artikel 6 lid 1 onder Pro b van de Scheepsrecyclingsverordening niet ook strafrechtelijk gehandhaafd wordt, volgt op zichzelf niet dat bij de (unie)wetgever sprake is van een gewijzigd inzicht voor wat betreft de strafwaardigheid van de EVOA norm. Bedoelde kennisgeving van de Scheepsrecyclingsverordening is een essentieel onderdeel van een breder stelsel van regels dat tot doel heeft omzeiling van de regels voor de recycling (‘sloop’) van schepen te voorkomen en te verminderen en tot een betere grip op de recycling van schepen te komen. In zoverre moet eerder gesproken worden van een verzwaring van de bij recycling van schepen na te leven (combinatie van) regels. De kennisgeving kan daar niet zomaar worden uitgelicht en afzonderlijk worden beschouwd.