Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Alphen aan den Rijn wegens het parkeren zonder vergunning en zonder betaling. Tegen de uitspraak op bezwaar werd beroep ingesteld bij de rechtbank, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens vermeende termijnoverschrijding.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar pas op 1 februari 2023 was ontvangen, waardoor het beroep tijdig was ingediend. De heffingsambtenaar stelde dat de uitspraak op bezwaar op 13 april 2022 naar het geregistreerde e-mailadres van de gemachtigde was verzonden, maar kon dit niet aannemelijk maken.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk had gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op de juiste wijze was bekendgemaakt, waardoor de beroepstermijn pas op 2 februari 2023 begon te lopen. Het beroep was daardoor ontvankelijk en het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling.
Daarnaast veroordeelde het hof de heffingsambtenaar in de proceskosten van het hoger beroep en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De zaak wordt nu door de rechtbank inhoudelijk behandeld.