ECLI:NL:GHDHA:2025:400
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning na bezwaar en beroep
Belanghebbende is eigenaar van een parterre-portiekwoning uit 1943 met een gebruiksoppervlak van ongeveer 61 m². De heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag stelde de WOZ-waarde van deze woning per 1 januari 2021 vast op € 277.000 voor het kalenderjaar 2022. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking en de daarop gebaseerde aanslag onroerende-zaakbelastingen, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard.
Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank Den Haag, die eveneens de waarde en de aanslag bevestigde. Belanghebbende ging hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag. In hoger beroep voerde belanghebbende aan dat de toezendplicht niet was nageleefd, dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken waren verstrekt, dat het motiveringsbeginsel was geschonden en dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld.
Het Gerechtshof oordeelde dat de heffingsambtenaar met een vergelijkingsmatrix en aanvullende gegevens aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar waren en dat rekening was gehouden met verschillen in staat en ligging. De klachten over de toezendplicht en motivering faalden, mede gelet op eerdere jurisprudentie. Belanghebbende bracht geen nieuwe feiten of argumenten aan die tot een ander oordeel konden leiden.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Het Gerechtshof zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.