Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
[Vof], voorheen handelend onder de naam
[voegende partij],
[Appellant 2] ,
[Appellant 3],
1.De zaak in het kort
2.Het procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 21 oktober 2025 (met daarin opgenomen de grieven), waarmee [Vof] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 9 september 2025, houdende een incidentele conclusie tot voeging door [voegende partij] B.V. ex artikel 218 jo Pro. 353 Rv;
- de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [verweerder] ;
- de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van [Vof] .
3.De vordering in incident
4.De beoordeling van de vordering in incident
5.Beslissing
- laat [voegende partij] B.V. toe als gevoegde partij aan de kant van [Vof] in de zaak tussen [Vof] en [verweerder] ;
- beveelt [Vof] en [verweerder] om [voegende partij] B.V. te voorzien van hun processtukken bij de kantonrechter en in het hoger beroep tot op heden;
- veroordeelt [verweerder] in de kosten van dit incident, aan de zijde van [Vof] begroot op € 607,-;
in de hoofdzaak
- verwijst de zaak naar de rol van 10 februari 2026 voor memorie van antwoord aan de zijde van [verweerder] ;
- houdt iedere verdere beslissing aan.