Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant],
[appellante],
1.De zaak in het kort
2.Procesverloop in hoger beroep
- de dagvaarding van 27 januari 2023, waarmee [appellanten] in hoger beroep zijn gekomen van de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2020, 24 juni 2020, 27 januari 2021, 4 mei 2022 en 2 november 2022;
- de memorie van grieven, tevens houdende sommatie en vermeerdering van eis (gecorrigeerd) van [appellanten], met bijlagen;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde], met bijlagen;
- de productie C die [geïntimeerde] heeft overgelegd ten behoeve van de mondelinge behandeling;
- de producties 45 tot en met 56 die [appellanten] heeft overgelegd ten behoeve van de mondelinge behandeling;
- het bezwaar namens [geïntimeerde] tegen de door [appellanten] ingediende productie 54.
3.Feiten en procedure bij de rechtbank
door aangepaste funderingsconstructie” opgesteld, ter hoogte van een bedrag van € 16.354,56. De meerkosten omvatten onder meer de kosten met betrekking tot berekeningen en tekeningen, het palenplan en funderingsadvies, het uitzetten van nieuwe palen en een check van het bestaande palenplan.
€ 400,00 voor minderwerk (2 palen van 22x22 minder) vermeld.
€ 10.923,28 inclusief btw in rekening mocht brengen voor de heipalen:
- Op 16 januari 2013 heeft Geosonda een rapport uitgebracht na door haar uitgevoerd grondonderzoek.
- Op 20 januari 2023 heeft Constructiehuis een e-mail aan [appellanten] gezonden, waarin zij concludeert dat paal SB2 mogelijk onvoldoende draagvermogen heeft, maar dat daarvoor eerst het exacte paalpuntniveau bepaald dient te worden.
- Op 7 maart 2023 heeft Geosonda een ‘Veldrapport grondonderzoek’ opgemaakt.
- Op 7 augustus 2023 heeft TechnoConsult een rapport uitgebracht naar aanleiding van de opdracht tot beoordeling van de noodzaak van wijziging aan de fundering van de woning.
- Op 12 april 2024 heeft Geosonda een rapport ‘Resultaten grondonderzoek’ opgemaakt.
€ 31.177.63. Zij hebben meerdere verklaringen voor recht verzocht en om vergoeding van diverse kosten in verband met de volgens hen onrechtmatig gelegde beslagen en beroep op het retentierecht.
4.Vorderingen in hoger beroep
- [geïntimeerde] te veroordelen om aan hen een bedrag van € 45.806,10 te betalen
- voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] onrechtmatig het retentierecht heeft ingeroepen en onrechtmatig beslagen heeft gelegd, en [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de daardoor door hen geleden schade;
- [geïntimeerde] te veroordelen om aan hen te betalen:
- [geïntimeerde] te veroordelen de in punt 4.3 tot en met 4.22 van de memorie van grieven genoemde gebreken te herstellen naar de eisen van goed en deugdelijk werk, op straffe van een dwangsom;
- voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] jegens [appellanten] aansprakelijk is voor de ten gevolge van de gebrekkige oplevering geleden en nog te lijden schade, met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van die schade, nader op te maken bij staat en de vereffenen volgens de wet;
- [geïntimeerde] te veroordelen om aan hen een bedrag van € 5.167,32 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;
- [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.
5.Beoordeling in hoger beroep
- het oordeel dat geen sprake is van minderwerk en dat de meerwerkkosten op grond van een geldige overeenkomst aan [geïntimeerde] zijn betaald. Volgens de rechtbank bestaat daarom geen recht op terugbetaling van de door [appellanten] aan [geïntimeerde] betaalde bedragen van € 6.250,32 en € 16.354,56;
- het oordeel dat de warmtepomp een vermogen heeft van 11 kW en dat niet is aangetoond dat de geleverde boiler een lagere capaciteit heeft dan 300 liter. De rechtbank is daarom van oordeel dat [appellanten] een bedrag van € 8.700,00 aan [geïntimeerde] moet betalen;
- het oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat de proceskosten tussen partijen te compenseren;
- het oordeel dat het ingeroepen retentierecht en gelegde beslag rechtmatig waren.
€ 279.75 (te veel betaald voor spouwisolatie), € 1.512,50 (factuur Legalexion; met verklaring voor recht), € 6.780,50 (schadevergoeding wegens te weinig geleverde zonnepanelen), liggen in hoger beroep niet meer ter beoordeling voor.
€ 17.173,57 (de meerkosten van € 173,60 heeft [geïntimeerde] bij factuur van 21 december 2018 in rekening gebracht bij [appellanten]). Bij de vaststelling van dit bedrag heeft [geïntimeerde] rekening gehouden met het gebruik van (de door AVS berekende) twaalf prefab betonnen heipalen (drie met een diameter van 220 mm en een lengte van 15 m en negen met een diameter van 250 mm en een lengte van 22 m) en daarmee volgens haar gepaard gaande (kosten voor) (hei)werkzaamheden (producties 27 en 28 bij conclusie van 27 oktober 2021 in eerste aanleg van [geïntimeerde]). [geïntimeerde] heeft nader toegelicht dat vervolgens – dat wil zeggen na 7 februari 2019 – sprake was van een gewijzigde situatie als gevolg van de overbouw van de buren – die heeft geleid tot een aanpassing van het palenplan, met noodzakelijke meerwerkzaamheden tot gevolg. Pas later, op 22 februari 2019, heeft [geïntimeerde] een meerwerkofferte opgemaakt die sloot op een bedrag van € 16.354,56. Deze offerte is door [appellanten] akkoord bevonden per e-mail van diezelfde dag. Vervolgens heeft AVS nieuwe berekeningen gemaakt en is een nieuw palenplan gemaakt, met inachtneming van de gewijzigde omstandigheden.
“Op grond van het feit dat de afstand tot de belendende bebouwing gering is en het in acht nemen van de adviezen van de CAR-verzekeraar is het naar het oordeel van TechnoConsult begrijpelijk dat in deze situatie is gekozen voor het aanpassen van het paalsysteem. Dit mede omdat het slechts een beperkt aantal palen betreft en het monitoren van trillingsniveaus bij slechts een gering aantal palen geen informatie oplevert op basis waarvan bijsturen van de uitvoeringswijze zinvol is.”(p. 8). Dat TechnoConsult ook van mening is dat de wijziging vanuit het beperken van schade aan de belendende woning niet per definitie noodzakelijk is geweest, leidt niet tot een ander oordeel. TechnoConsult heeft deze conclusie namelijk niet gebaseerd op concrete informatie over de funderingswijze van de naastgelegen woning (die informatie heeft zij in het kader van het uitgevoerde onderzoek namelijk niet ontvangen van [appellanten]). Daar komt nog bij dat de gemaakte aanpassingen in het palenplan juist dienden om het risico op mogelijke schade aan het naastgelegen perceel zo veel als mogelijk te voorkomen en dit in lijn te brengen met de door de CAR-verzekeraar aangegeven minimale afstand van 4 meter tot belendingen. Hieruit volgt dat door [geïntimeerde] juist ook onder ogen is gezien dat [appellanten] een belang hadden bij het zorgvuldig doorrekenen van de gevolgen van deze overbouw op (onder andere) het palenplan.
maar dit wordt vervolgd”, kan evenmin tot het oordeel leiden dat zij daarmee hebben bedoeld onder druk te hebben ingestemd met de meerwerkafspraak of anderszins sprake is van een wilsgebrek. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] uit deze opmerking mede gezien de hiervoor geschetste omstandigheden, mocht begrijpen dat [appellanten] hun buren zouden aanspreken voor de meerkosten. Zou dat anders zijn geweest, dan mocht worden verwacht dat [appellanten] dat ook op die manier had omschreven.
deze geringe paallast met een diameter van #180x180 op +/- -22m-NAP […] haalbaar[is]”.
6.Beslissing
- bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2020, 24 juni 2020, 27 januari 2021, 4 mei 2022 en 2 november 2022;
- veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 2.135,00 aan griffierecht en op