ECLI:NL:GHDHA:2025:2821

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
200.362.254/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de inbewaringstelling van een failliet in het kader van de informatieplicht en medewerkingsverplichting

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 22 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de inbewaringstelling van de appellant, die in staat van faillissement is verklaard. De rechtbank Den Haag had eerder op 24 september 2024 de appellant failliet verklaard en mr. D. de Loor benoemd tot rechter-commissaris, met mr. M.M.E. van Veen - Oudenaarden als curator. De appellant is op 9 september 2025 in bewaring gesteld, en deze maatregel is sindsdien meerdere keren verlengd. De curator heeft herhaaldelijk informatie van de appellant gevraagd, maar de appellant heeft niet voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen om volledige en controleerbare informatie te verstrekken. Tijdens de mondelinge behandeling op 15 december 2025 heeft de advocaat van de appellant, mr. H. Weisfelt, één grief aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank, maar het hof oordeelt dat de inbewaringstelling proportioneel en noodzakelijk is voor de afwikkeling van de boedel. Het hof bevestigt dat de appellant zijn inlichtingenplicht niet nakomt en dat er voldoende grond is voor de inbewaringstelling. De beslissing van de rechtbank van 20 november 2025 wordt bekrachtigd, waarbij het bevel tot inbewaringstelling per 2 december 2025 onder voorwaarden voor de duur van één maand is geschorst. Het hof concludeert dat het hoger beroep van de appellant niet leidt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.362.254/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/24/357 F
Beschikking van 22 december 2025
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. H. Weisfelt, kantoorhoudend in Den Haag.

1.Procesverloop

1.1
Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 september 2024 is [appellant] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. D. de Loor tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. M.M.E. van Veen - Oudenaarden, advocaat te Den Haag, als curator.
1.2
Op 9 september 2025 is de inbewaringstelling van [appellant] bevolen door de rechtbank Den Haag. Het bevel tot inbewaringstelling is per 22 september 2025 tenuitvoergelegd. De curator heeft [appellant] diezelfde dag bezocht.
1.3
Vervolgens heeft op 24 september 2025 het verhoor op grond van art. 5, eerste lid, van het EVRM plaatsgevonden.
1.4
Bij beschikking van 20 oktober 2025 is de termijn van het bevel tot inbewaringstelling van 9 september 2025 voor de eerste maal verlengd met dertig dagen, waarbij de termijn aanving op 22 oktober 2025 en afliep op 21 november 2025.
1.5
Bij beschikking van 20 november 2025 is de termijn van het bevel tot inbewaringstelling van 9 september 2025 voor een tweede maal verlengd met dertig dagen, waarbij de verlengde termijn aanving op 21 november 2025.
1.6
Op 26 november 2025 heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 20 november 2025.
1.7
Bij beschikking van 2 december 2025 heeft de rechtbank het bevel tot inbewaringstelling van 9 september 2025 onder voorwaarden geschorst tot 2 januari 2026.
1.8
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 december 2025.
Verschenen zijn:
  • mr. Weisfelt, namens [appellant], die – volgens opgave van mr. Weisfelt – op het tijdstip van de mondelinge behandeling bij de reclassering zit;
  • mr. Van Veen - Oudenaarden, curator, vergezeld van haar kantoorgenoot mr. L.E. Burggraaf.

2.Beoordeling van het hoger beroep

2.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen (3.2 tot en met 3.7):
“Toetsingskader[…]
3.2.
Artikel 105 lid 1 Fw verplicht [appellant] om de curator alle inlichtingen te verschaffen die de curator nodig heeft voor een goede afwikkeling van het faillissement. [appellant] moet de curator gevraagd en ongevraagd informeren over feiten en omstandigheden waarvan hij weet of behoort te weten dat deze voor de omvang, het beheer of de vereffening van de boedel van belang zijn. Meer in het bijzonder moet [appellant] opgave doen van al zijn bronnen van inkomsten en alle activa in zowel het binnen- als buitenland. Hierbij mag [appellant] er niet van uitgaan dat de curator hem op zijn woord gelooft, maar zal hij zijn informatie - op overzichtelijke wijze - met schriftelijke stukken moeten onderbouwen.
[…]
Beslissing[…]
3.5.
De curator heeft gemotiveerd uiteengezet dat de bewaring nog steeds noodzakelijk is voor nader onderzoek naar activa. Ondanks diverse verzoeken, waarin de curator concreet heeft aangegeven welke specifieke informatie en documentatie zij van [appellant] wil ontvangen, heeft [appellant] nog lang niet alle gevraagde gegevens aan de curator verstrekt. Evenmin heeft [appellant] (volledige en/of controleerbare) antwoorden gegeven op vele vragen van de curator. Daarnaast heeft [appellant], ook ter zitting, tegenstrijdige verklaringen afgelegd. De informatie die inmiddels wel is aangeleverd, is naar het oordeel van de rechtbank erg summier en bovendien onvoldoende duidelijk, incompleet en/of tegenstrijdig en deels een herhaling van wat al bekend was.
Uit de - door de curator achterhaalde - door [appellant] ondertekende beleenovereenkomsten met VPDN/Baldev inzake de horloges bijvoorbeeld blijkt dat [appellant] heeft verklaard de eigenaar van deze horloges te zijn en - onder andere - hiervoor heeft getekend. [appellant] ontkent dat hij deze overeenkomsten heeft getekend, stelt dat zijn zus de eigenaar van de horloges is en dat Baldev liegt. [appellant] heeft dit echter op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat niet valt in te zien welk belang Baldev er bij zou hebben om voornoemde overeenkomsten valselijk op te maken en daar valse verklaringen over af te leggen en dat een deel van de betalingen door [appellant] via zijn bankrekening is gedaan. Verder heeft [appellant] ter zitting van 19 november 2025 verklaard dat zijn zus toch nog een van de horloges in haar bezit heeft. Die verklaring is in strijd met eerdere verklaringen en ook de curator was daar nog niet mee bekend.
Een ander voorbeeld betreft het verblijf van [appellant] in Alicante in Spanje in juli 2025, waar de curator uit bankafschriften van is gebleken en waar zij informatie over wil hebben. [appellant] heeft steeds gezegd dat hij daar was omdat hij naar een zitting van de rechtbank moest en heeft uiteindelijk een document van 14 oktober 2025 van de Rechtbank van Onderzoek nr. 4 van Benidorm overgelegd, waaruit dit volgens hem blijkt. Uit de vertaling van dit stuk blijkt echter dat het niet gaat om een oproeping, maar om een beslissing een zaak te heropenen. [appellant] is op 3 december 2021 bij verstek veroordeeld. Op 13 juli 2025 is hij in Spanje aangehouden en aan de rechtbank voorgeleid. [appellant] heeft deze uitleg van het stuk betwist en heeft ter zitting verklaard dat dat de datum van zijn verschijnen voor de rechtbank betreft. Hij heeft deze verklaring echter niet onderbouwd en geen antwoord gegeven op de vraag waarom hij de oproepbrief van de Spaanse rechtbank niet heeft overgelegd. De verklaring van [appellant] komt de rechtbank ook overigens hoogst onaannemelijk voor, aangezien 13 juli 2025 viel op een zondag.
Proportionaliteit en subsidiariteit3.6. Naar het oordeel van de rechtbank is er nog steeds voldoende grond voor toepassing van het dwangmiddel van inbewaringstelling. In het belang van een juiste afwikkeling van de boedel moet de curator over meer en concretere informatie beschikken. Die heeft zij nog steeds niet van [appellant] gekregen. Hij schiet dus bij voortduring tekort in de nakoming van de informatieverplichting die voortvloeit uit artikel 105 Fw. Een verlenging van de inbewaringstelling is proportioneel. De curator heeft [appellant] sinds de verlengingsbeschikking van 20 oktober 2025 wederom twee keer bezocht in de Penitentiaire Inrichting waar hij verblijft. [appellant] heeft opnieuw enige informatie en enkele stukken verstrekt. De inbewaringstelling heeft dus sinds de beschikking van 20 oktober 2025 wel iets opgeleverd, maar nog steeds onvoldoende. De rechtbank verwacht, met de curator, dat voortzetting van (de druk van) de inbewaringstelling noodzakelijk is om [appellant] verder in beweging te krijgen.
3.7.
De rechtbank is voorts van oordeel dat wordt voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Een minder vergaande maatregel, zoals een schorsing van het bevel tot inbewaringstelling, is niet aan de orde. [appellant] is zijn eerdere toezeggingen om volledige medewerking te verlenen niet nagekomen. Door zijn houding heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat hij de gevraagde informatie vrijwillig gaat aanleveren als hij in vrijheid wordt gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat het risico dat [appellant] dan uit het zicht van de curator verdwijnt. [appellant] heeft tevens zijn stelling dat hij vanuit detentie geen volledige medewerking kan verlenen niet onderbouwd. Zoals de rechtbank al eerder heeft opgemerkt valt niet in te zien dat hij bijvoorbeeld niet een uitvoerig en gedetailleerd schriftelijk overzicht kan geven omtrent de kwesties waarover de curator vragen heeft gesteld en stukken ter onderbouwing van zijn verklaringen kan (laten) aanleveren.”
2.2
Mr. Weisfelt heeft (eerst) op de zitting van het hof namens [appellant] één grief aangevoerd. Die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de inbewaringstelling voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De curator acht de grief ongegrond en meent dat het bevel tot inbewaringstelling in stand dient te blijven, waarbij de schorsing vooralsnog kan worden gehandhaafd.
2.3
Het hof stelt het volgende voorop. Op [appellant] rust als failliet onder andere een wettelijke inlichtingenplicht (art. 105 Fw) en een medewerkingsverplichting (art. 105a Fw). Als failliet kan hij op de voet van art. 87 Fw in verzekerde bewaring worden gesteld wanneer hij wettelijke verplichtingen in verband met het faillissement niet nakomt, of een gegronde vrees voor dat niet nakomen bestaat. De Faillissementswet kent de mogelijkheid van schorsing van deze inbewaringstelling niet. Deze mogelijkheid is in de rechtspraktijk ontwikkeld en geaccepteerd. Daarbij geldt een toetsingskader met (processuele) waarborgen, zoals dat door de Hoge Raad is uiteengezet. [1]
2.4
De inbewaringstelling is een vrijheidsbeperkende maatregel, die slechts in overeenstemming is met art. 5 lid 1, aanhef en onder b, EVRM indien zij wordt aangewend om de gefailleerde te dwingen tot naleving van de wettelijke verplichtingen die voor hem aan zijn faillissement zijn verbonden. In het licht van het uit het EVRM voortvloeiende subsidiariteitsbeginsel kan een inbewaringstelling slechts worden bevolen indien het daarmee beoogde doel niet op minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. Schorsing van de inbewaringstelling, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, kan een dergelijke minder ingrijpende wijze vormen om het beoogde doel te bereiken. De mogelijkheid van voorwaardelijke of onvoorwaardelijke schorsing van de inbewaringstelling strookt dan ook met uitleg en toepassing van de Faillissementswet in overeenstemming met de voor Nederland uit het EVRM voortvloeiende verplichtingen.
2.5
Het bedoelde subsidiariteitsbeginsel brengt mee dat de rechter steeds is gehouden om te onderzoeken wat passend is in de voorliggende situatie en waarmee kan worden volstaan. Tot een dergelijk onderzoek is de rechter onder meer gehouden bij ieder verzoek om de inbewaringstelling op te heffen (art. 88 lid 1 Fw). Steeds moet worden getoetst of is voldaan aan de vereisten die op grond van art. 87 lid 1 Fw gelden voor het bevelen van de inbewaringstelling zelf. Is dat niet, of niet langer het geval, dan dient de inbewaringstelling te worden geweigerd, respectievelijk beëindigd. Een gefailleerde mag dan ook op ieder moment gedurende de periode van de schorsing van de inbewaringstelling, de rechter verzoeken om de inbewaringstelling op te heffen, dan wel de voorwaarden waaronder de inbewaringstelling is geschorst, op te heffen of aan te passen.
2.6
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] in de gegeven omstandigheden zijn inlichtingenplicht en medewerkingsverplichting onvoldoende nakomt. Een juiste nakoming van die verplichtingen luistert nauw. Volgens de curator heeft [appellant] gedurende het faillissement, ondanks herhaalde en concreet gespecificeerde verzoeken, nog steeds niet alle gevraagde informatie en documentatie verstrekt. Daar komt bij dat [appellant] op veel vragen van de curator onvolledige, dan wel oncontroleerbare antwoorden geeft en dat hij geen of onvoldoende open kaart speelt. [appellant] legt veelal tegenstrijdige verklaringen af, terwijl het door hem tot dusver aangeleverde materiaal summier is en bovendien onduidelijk, incompleet, tegenstrijdig en deels herhaald, aldus de curator. Een en ander is door de raadsman van [appellant] op de zitting van het hof niet gemotiveerd weersproken. Daarbij komt dat de curator op de zitting van het hof heeft verklaard dat [appellant] tot op heden in elk geval niet volledig heeft voldaan aan de voorwaarden die aan de schorsing van de inbewaringstelling ten grondslag zijn gelegd. Als voorbeeld heeft de curator genoemd het verstrekken van bankpassen en van alle relevante wachtwoorden.
2.7
Naar het oordeel van het hof bestond er voldoende aanleiding om over te gaan tot toepassing van het dwangmiddel van de inbewaringstelling en het verlengen ervan en bestaat er ook op dit moment nog voldoende grond voor dat inmiddels geschorste dwangmiddel. Gegeven de opstelling van [appellant], waarmee de curator zich zag en ziet geconfronteerd, was en is deze maatregel niet disproportioneel, terwijl tot op heden ook werd en wordt voldaan aan het subsidiariteitsvereiste.
2.8
Het bevel tot inbewaringstelling is met ingang van 2 december 2025 voor de duur van één maand geschorst. Ook tijdens de schorsing dienen de gronden voor de inbewaringstelling aanwezig te zijn. Aan die voorwaarde is, als gezegd, voldaan. Voor een bevel tot opheffing van het inmiddels geschorste bevel tot inbewaringstelling bestaat geen aanleiding. Gevreesd moet worden dat het (zonder schorsing) opheffen van het bevel ertoe zal leiden dat de informatie en antwoorden die nodig zijn voor een juiste afwikkeling van het faillissement er niet of niet meer zullen komen. Die vrees is er eens te meer omdat [appellant] tot op heden de gestelde voorwaarden bij de schorsing niet allemaal is nagekomen en niet aannemelijk is geworden dat dat onmogelijk voor hem zou zijn.
2.9
Het hoger beroep van [appellant] kan niet leiden tot een vernietiging van de bestreden beschikking. Daarom volgt een bekrachtiging. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het bevel tot inbewaringstelling per 2 december 2025 onder voorwaarden voor de duur van één maand is geschorst.

3.Beslissing

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 20 november 2025.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. van Harten, mr. J.M. van der Klooster en
mr. G.B. Plomp en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:102.