Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Procesverloop
Verschenen zijn:
- mr. Weisfelt, namens [appellant], die – volgens opgave van mr. Weisfelt – op het tijdstip van de mondelinge behandeling bij de reclassering zit;
- mr. Van Veen - Oudenaarden, curator, vergezeld van haar kantoorgenoot mr. L.E. Burggraaf.
2.Beoordeling van het hoger beroep
Uit de - door de curator achterhaalde - door [appellant] ondertekende beleenovereenkomsten met VPDN/Baldev inzake de horloges bijvoorbeeld blijkt dat [appellant] heeft verklaard de eigenaar van deze horloges te zijn en - onder andere - hiervoor heeft getekend. [appellant] ontkent dat hij deze overeenkomsten heeft getekend, stelt dat zijn zus de eigenaar van de horloges is en dat Baldev liegt. [appellant] heeft dit echter op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat niet valt in te zien welk belang Baldev er bij zou hebben om voornoemde overeenkomsten valselijk op te maken en daar valse verklaringen over af te leggen en dat een deel van de betalingen door [appellant] via zijn bankrekening is gedaan. Verder heeft [appellant] ter zitting van 19 november 2025 verklaard dat zijn zus toch nog een van de horloges in haar bezit heeft. Die verklaring is in strijd met eerdere verklaringen en ook de curator was daar nog niet mee bekend.
Een ander voorbeeld betreft het verblijf van [appellant] in Alicante in Spanje in juli 2025, waar de curator uit bankafschriften van is gebleken en waar zij informatie over wil hebben. [appellant] heeft steeds gezegd dat hij daar was omdat hij naar een zitting van de rechtbank moest en heeft uiteindelijk een document van 14 oktober 2025 van de Rechtbank van Onderzoek nr. 4 van Benidorm overgelegd, waaruit dit volgens hem blijkt. Uit de vertaling van dit stuk blijkt echter dat het niet gaat om een oproeping, maar om een beslissing een zaak te heropenen. [appellant] is op 3 december 2021 bij verstek veroordeeld. Op 13 juli 2025 is hij in Spanje aangehouden en aan de rechtbank voorgeleid. [appellant] heeft deze uitleg van het stuk betwist en heeft ter zitting verklaard dat dat de datum van zijn verschijnen voor de rechtbank betreft. Hij heeft deze verklaring echter niet onderbouwd en geen antwoord gegeven op de vraag waarom hij de oproepbrief van de Spaanse rechtbank niet heeft overgelegd. De verklaring van [appellant] komt de rechtbank ook overigens hoogst onaannemelijk voor, aangezien 13 juli 2025 viel op een zondag.
3.Beslissing
mr. G.B. Plomp en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.