ECLI:NL:GHDHA:2025:2810
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over WOZ-waarde woning en geschonden toezendplicht
In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag over de WOZ-waarde van een woning. De Heffingsambtenaar had de waarde van de woning vastgesteld op € 629.000 per 1 januari 2021. De belanghebbende, als erfgenaam van de eigenaar, heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikking en de daaropvolgende aanslag. De Rechtbank heeft het beroep van de belanghebbende ongegrond verklaard, waarop de belanghebbende in hoger beroep is gegaan. De belanghebbende betwist de hoogte van de WOZ-waarde en stelt dat de Heffingsambtenaar de toezendplicht en het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Heffingsambtenaar zijn standpunt verdedigd, terwijl de gemachtigde van de belanghebbende niet ter zitting is verschenen. Het Gerechtshof heeft de zaak opnieuw beoordeeld en geconcludeerd dat de Rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld. De belanghebbende heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden ingebracht die de eerdere beslissing van de Rechtbank zouden kunnen ondermijnen. Het Gerechtshof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en geen aanleiding gezien voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar uitgesproken op 17 december 2025.