ECLI:NL:GHDHA:2025:2803

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
22-003630-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van een veroordeling voor ontucht met minderjarigen, inclusief gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 8 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag. De verdachte, geboren in 1991, is veroordeeld voor het seksueel misbruiken van twee minderjarige meisjes, waarvan één aan haar zorg was toevertrouwd. De verdachte heeft samen met een medeverdachte de moeder van het andere slachtoffer gedrogeerd om het misbruik mogelijk te maken. Het hof bevestigt de eerdere veroordeling tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, en legt daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging op. De ernst van de feiten, waaronder het vervaardigen van beeldmateriaal van het misbruik, heeft geleid tot deze zware straf. Het hof heeft ook rekening gehouden met de psychische toestand van de verdachte, die lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en antisociale trekken. De vordering van de advocaat-generaal om de straf te verhogen is afgewezen, maar de beslissing omtrent de opgelegde gevangenisstraf en maatregel is vernietigd en opnieuw recht gedaan. De benadeelde partij heeft een schadevergoeding van €11.000 toegewezen gekregen voor immateriële schade, en de verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor dit bedrag. Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden, maar heeft dit niet als reden voor strafvermindering aangevoerd.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003630-23
Parketnummer: 09-276049-22
Datum uitspraak: 8 december 2025
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 november 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
thans gedetineerd in [verblijfplaats]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van de verdachte gelast, met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij en de inbeslaggenomen voorwerpen.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.
zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 februari 2022 tot en met 27 augustus 2022 te Warmond, gemeente Teylingen en/of in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] 2021, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en/of die aan de zorg of waakzaamheid van verdachte en/of haar mededader was toevertrouwd,
een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1],
te weten het (meermalen) (telkens)
- betasten van de billen en/of de anus en/of de schaamlippen en/of de clitoris en/of de vagina van die [slachtoffer 1]e,
- brengen en/of heen en weer bewegen van (een) vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en/of
- brengen van een tong tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1];
2.
zij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 juni 2022 tot en met 29 juni 2022 te Leiden, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 2019, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,
een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede
bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], te weten het (meermalen) (telkens)
- wrijven met een penis over de vagina van die [slachtoffer 2],
- duwen/brengen van een penis tussen/tegen de schaamlippen van die [slachtoffer 2],
- proberen te brengen van een penis in de vagina van die [slachtoffer 2],
- brengen van een vinger bij/op/in de vagina van die [slachtoffer 2],
- brengen van een tong tussen de schaamlippen, althans over de vagina van die [slachtoffer 2],
- klaarkomen over de vagina, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of
- laten aanraken/vastpakken van een penis door die [slachtoffer 2];
3.
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2021 tot en met 9 november 2022 te Leiden en/of Oegstgeest en/of Warmond, gemeente Teylingen en/of in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, telkens
afbeeldingen, - en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten
- een/meerdere afbeelding(en) te weten foto's en/of video's en/of
- een/meerdere gegevensdrager(s) te weten een/meerdere telefoon(s) en/of
een/meerdere laptop(s) en/of een/meerdere USB stick(s) bevattende afbeeldingen en/of video's
van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten
- [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum slachoffer 1] 2021,
- [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 2019,
- [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum slachtoffer 3] 2017,
- [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum slachtoffer 4] 2015 en/of
- een of meer andere onbekend gebleven perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt
is/zijn betrokken of schijnbaar is/zijn betrokken
heeft
verspreid, aangeboden,
vervaardigd,
verworven, in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft,
welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:
het met de/een tong en/of penis en/of vinger(s) en/of een voorwerp oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt,
en/of
het met de/een tong en/of penis en/of vinger(s) en/of een voorwerp oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
(toonmap 1 t/m 13, pagina’s 294 t/m 800)
en/of
het met de/een tong en/of penis en/of vinger(s) en/of een voorwerp betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt,
en/of
het met de/een tong en/of penis en/of vinger(s) en/of een voorwerp betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, de billen en/of borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
(toonmap 14 t/m 18, pagina’s 800 t/m 802)
en/of
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door [slachtoffer 4] en/of een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen
en/of
waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet
en/of
(waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's/film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze persoon in beeld gebracht worden
(waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft
en/of strekt tot seksuele prikkeling
(toonmap 22 t/m 34, pagina’s 804 t/m 810)
en/of
het masturberen boven/bij en/of ejaculeren op het gezicht en/of lichaam van [slachtoffer 3] en/of een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
en/of
het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht en/of lichaam van [slachtoffer 2] en/of een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt,
(waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft
en/of strekt tot seksuele prikkeling
(toonmap 35 t/m 38, pagina’s 810 t/m 812)
en zij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de strafoplegging, en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden zal worden bevestigd, behalve voor wat betreft de beslissing omtrent de opgelegde gevangenisstraf en maatregel en de motivering daarvan, de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij en de beslissing omtrent het beslag.
Het vonnis zal op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre zal opnieuw recht worden gedaan.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit
De verdachte heeft samen met de medeverdachte twee zeer jonge meisjes seksueel misbruikt en beeldmateriaal van dit seksueel misbruik van beide meisjes vervaardigd en ook in bezit gehad. De keuze voor deze jonge kinderen werd mede ingegeven door de gedachte dat het seksueel misbruik niet zou worden ontdekt.
Het eerste slachtoffer – bij aanvang van het misbruik nog geen jaar oud - was aan de verdachte als kinderoppas toevertrouwd. De verdachte en haar medeverdachte zijn berekenend te werk gegaan. Verdachte wist met haar nette voorkomen en het feit dat zij zelf kinderen heeft het vertrouwen te winnen van de ouders. Buiten het zicht van de ouders was de verdachte bezig om manieren te bedenken waarop zij middels kindermisbruik aan de seksuele wensen van de medeverdachte kon voldoen. Zij heeft daarbij gebruik gemaakt van haar overwicht als volwassene en haar positie als oppas om de seksuele handelingen met het jonge slachtoffer te kunnen verrichten.
Het tweede slachtoffer – destijds drie jaar oud - betreft de dochter van een toenmalige vriendin van de verdachte. Toen die vriendin samen met haar dochtertje bij de verdachte ging logeren, heeft de verdachte de moeder gedrogeerd door haar stiekem oxazepam toe te dienen. Hierdoor was de moeder van het slachtoffer uitgeschakeld en niet in staat haar dochtertje te beschermen tegen het seksueel misbruik door de verdachte en haar medeverdachte.
De verdachte en haar medeverdachte hebben met hun handelen de lichamelijke en seksuele integriteit van de kinderen op ernstige wijze geschonden en ook het vertrouwen van de ouders ernstig beschaamd.
Het is algemeen bekend dat seksueel misbruik gedurende lange tijd aanzienlijke psychische schade tot gevolg kan hebben, zowel voor de kinderen als voor hun ouders. Door en/of namens de moeders van de slachtoffers is op de zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat niets voor hen meer hetzelfde is als vóór het seksueel misbruik van de kinderen. De moeder van het tweede slachtoffer heeft verteld dat haar dochter thans wekelijks naar de psycholoog gaat om te monitoren of alles goed met haar blijft gaan.
De verdachte en de medeverdachte hebben de jonge kinderen niet alleen seksueel misbruikt, maar daarvan ook beeldmateriaal vervaardigd en in bezit gehad. Dat het op deze wijze vervaardigen van beeldmateriaal van kindermisbruik een ernstig strafbaar feit oplevert, behoeft, mede gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, geen nadere motivering.
Justitiële Documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
3 november 2025. Dat uittreksel bevat weliswaar enkele antecedenten, maar die zien op andere feiten dan welke in deze zaak aan de orde zijn.
De persoon van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op de omtrent de verdachte opgemaakte rapportages, waarvan hieronder – kort en zakelijk – de bevindingen, overwegingen en conclusies zijn weergegeven waarop het hof met name heeft gelet.
1. Een pro Justitia rapportage van 2 april 2025, opgemaakt en ondertekend door S.F. Boers (GZ-psycholoog) onder supervisie van T. ’t Hoen (GZ-psycholoog)en A. Wulterkens (psychiater), allen verbonden aan het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC).
De onderzoekers hebben geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken, alsmede een stoornis in het gebruik van cocaïne, alcohol en cannabis, in gedwongen remissie door detentie. Ook concluderen de rapporteurs dat sprake is van aanwijzingen voor het bestaan van psychopathische trekken (oppervlakkige charme, pathologisch liegen en manipulerend gedrag, het ontbreken van emotionele diepgang, impulsiviteit en onverantwoordelijk gedrag), maar ze wijzen erop dat ten aanzien van die conclusie - gezien het gebrek aan onderzoek naar psychopathie bij vrouwen – terughoudendheid geboden is. De persoonlijkheidspathologie kenmerkt zich door emotionele en gedragsmatige instabiliteit met name in partnerrelaties, waarbij de verdachte vanuit een beperkt ontwikkelde eigen identiteit haar onlustgevoelens en gevoelens van leegte probeert op te vullen of te dempen middels het zoeken van aandacht en bevestiging
bij mannen en middelengebruik. In haar zoektocht naar bevestiging en positieve gevoelens volgt ze haar impulsen, waarbij ze zichzelf vooropstelt, de ander uit het oog verliest en voornamelijk haar eigen welbehagen najaagt. Een parafiele stoornis kan niet met zekerheid worden aangetoond, maar ook niet worden uitgesloten.
De geconstateerde borderline persoonlijkheidsstoornis en antisociale trekken betreffen een patroon van duurzame aard en waren dan ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Geadviseerd wordt de tenlastegelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Het recidiverisico
Op dit moment bestaan er geen gevalideerde risicotaxatie-instrumenten voor vrouwelijke plegers van seksueel geweld. Desalniettemin wordt het recidiverisico door de rapporteurs op korte termijn als laag inschat. Tegelijkertijd wordt de kans groot ingeschat dat vanwege het chronisch karakter van verdachtes ernstige en complexe pathologie de dynamiek zich op de (middel)lange termijn opnieuw zal ontwikkelen. De rapporteurs concluderen dat deze kans zeker aanwezig is, indien de verdachte zonder behandeling terugkeert in de samenleving. Spanningen vergroten de emotieregulatieproblematiek die reeds sterk aanwezig is vanuit de persoonlijkheidspathologie en die spanningen zullen gemakkelijk kunnen toenemen. Hierdoor wordt het voor de verdachte moeilijker om weerstand te bieden tegen haar impulsen en kunnen remmingen wegvallen. De verdachte kan dan volgens de rapporteurs opnieuw haar toevlucht zoeken in relaties en middelen. Wanneer zij in de toekomst opnieuw een relatie krijgt met een delinquente partner wordt het risico op toekomstig, strafbaar gedrag door de deskundigen als verhoogd ingeschat. Daarbij speelt mee dat de verdachte een verhoogde kans heeft om opnieuw in een ongezonde relatie terecht te komen.
Het advies
De rapporteurs achten een tbs-maatregel aangewezen en zijn van mening dat een minder ingrijpend juridisch kader vanuit gedragskundig oogpunt onvoldoende stevigheid biedt in het beheersen of het terugdringen van het recidivegevaar bij de verdachte. Vanwege de complexe en moeilijk te veranderen pathologie, alsmede het van daaruit beschreven recidiverisico op de middellange en lange termijn, wordt op basis van de thans beschikbare informatie geadviseerd om te starten met een langdurige, klinische behandeling in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) – naar verwachting minimaal twee jaar - om de persoonlijkheidspathologie van de verdachte voldoende te kunnen bewerken. Geadviseerd wordt een terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden. De rapporteurs zien echter wel enkele obstakels in dit verband: Zo heeft het toezicht van diverse instanties zoals Veilig Thuis en de jeugdbescherming ten tijde van het ten laste gelegde, alsmede eerdere behandeltrajecten niet kunnen voorkomen dat de pathologie en beschreven dynamiek opnieuw de overhand kregen en dit leidde tot de ten laste gelegde feiten. Bovendien waren eerder de houding en motivatie van de verdachte tijdens eerdere behandelingen problematisch en ambivalent (veelvuldige afwezigheid, niet akkoord gaan met de voorwaarden van de voorgestelde behandeling (urinecontroles, overleg tussen [drugs- en behandelcentrum] en de gynaecoloog in verband met een zwangerschap), en (later) bezwaar maken tegen een gestelde diagnose).
De deskundigen concluderen in dit verband ook dat zij, gelet op het feit dat de responsiviteit al met al beperkt is gebleken en het reflectief vermogen van de verdachte nog altijd beperkt is, erop beducht zijn dat de behandeling onvoldoende van de grond zal komen dan wel zal stranden en/of dat de verdachte een schijnaanpassing laat zien, waarbij zij – passend bij haar persoonlijkheidspathologie – verdiepende en confronterende behandelgesprekken onvoldoende aangaat en/of vermijdt.
De rapporteurs concluderen dat – wanneer het waarborgen van de beschreven risico’s door de reclassering binnen een tbs met voorwaarden niet haalbaar wordt geacht - een tbs met bevel tot verpleging van overheidswege resteert.
Ter terechtzitting van het hof zijn GZ-psycholoog ’t Hoen, GZ-psycholoog Boers en psychiater Wulterkens als deskundigen gehoord omtrent voornoemd advies. Zij hebben toegelicht dat een belangrijke kanttekening bij hun advies voor een tbs met voorwaarden de zogenaamde schijnaanpassing is. Ook stellen zij dat het feit dat de verdachte pijnlijke gevoelens vermijdt, ervoor kan zorgen dat zij zich onvoldoende inzet voor de behandeling. Het is de inschatting van de deskundigen dat de psychiatrische expertise en forensische scherpte van een FPK passend is bij de start van de behandeling. Naarmate de behandeling vordert, is er in het kader van een tbs met voorwaarden een noodzakelijke rol voor de reclassering weggelegd.
2. Het reclasseringsadvies van Inforsa, Verslavingsreclassering GGZ, van 28 mei 2025, opgemaakt en ondertekend door reclasseringsmedewerker [reclasseringsmedewerker 1]
De reclassering adviseert negatief over een tbs met voorwaarden. Het PBC-onderzoek heeft de reclassering niet overtuigd van de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden en de rol van de reclassering hierin. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. De reclassering verwijst in dit verband naar het PBC-rapport waarin gesproken wordt over complexe, moeilijk te veranderen pathologie, beperkt zelfinzicht, beperkte vaardigheden, de grote kans op schijnaanpassing en de moeilijkheid of beperking om met de verdachte tot de kern te komen of inhoudelijk over het delict te spreken. Voor samenwerking met de reclassering is enige openheid nodig en die wordt door de reclassering onvoldoende bij de verdachte gezien. Daarnaast wordt er veel verantwoordelijkheid gelegd bij de kliniek waar de verdachte eventueel geplaatst zou worden. Alles lijkt te staan of vallen met de forensische scherpte die van die kliniek verwacht wordt. Aangaande de reclassering zal het vooral moeten gaan over controle. De reclassering acht het om die reden te kwetsbaar. Tot slot heeft een tbs met voorwaarden een maximale duur. Dit in combinatie met de schijnaanpassing, waarover door het PBC wordt gesproken, is het maar de vraag of de maximale duur voldoende is om aan de gestelde doelen te werken.
Namens de reclassering is reclasseringsmedewerker [reclasseringsmedewerker 2] ter terechtzitting van het hof als deskundige gehoord. Zij heeft verklaard dat de betrokkenheid van de reclassering niet vormgegeven kan worden, nu de verdachte in haar gedrag onbetrouwbaar is. Ook pleiten de schijnaanpassing en het feit dat het recidiverisico lastig is in te schatten tegen betrokkenheid van de reclassering in het kader van een tbs met voorwaarden.
Maatregel
Het hof is van oordeel dat de bevindingen van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. Het hof onderschrijft deze bevindingen en de getrokken conclusies.
Het hof komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezen feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voorts is het hof van oordeel dat die ziekelijke stoornis de gedragskeuzes en het handelen van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde zodanig heeft beïnvloed dat de feiten haar slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
De bewezenverklaarde feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel artikel 37a Sr expliciet aangeeft dat de maatregel van terbeschikkingstelling daarvoor kan worden opgelegd.
Gelet op de ernst van en de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten hebben plaatsgevonden, vereisen de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen naar het oordeel van het hof dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd.
Overwegingen ten aanzien van tbs met voorwaarden en tbs met dwangverpleging
Het hof is van oordeel dat er onvoldoende basis is om de maatregel in de vorm van tbs met voorwaarden op te leggen. Doorslaggevend voor het oordeel van het hof is dat in voornoemd PBC-rapport door de deskundigen een groot aantal factoren wordt genoemd, die aan een geslaagde behandeling in een voorwaardelijk kader in de weg staan:
  • de complexe en moeilijk te veranderen pathologie;
  • een eerder toezicht van diverse instanties zoals Veilig Thuis en de jeugdbescherming en eerdere behandeltrajecten hebben de onderhavige strafbare feiten niet kunnen voorkomen;
  • de houding en motivatie van de verdachte tijdens eerdere behandelingen waren problematisch en ambivalent, waarbij (later) bezwaar werd gemaakt tegen een gestelde diagnose;
  • de responsiviteit en het reflectief vermogen van de verdachte zijn beperkt;
  • het risico van schijnaanpassing;
  • het advies van de reclassering inhoudende dat een tbs voorwaarden niet haalbaar wordt geacht, zodat volgens de deskundigen een tbs met bevel tot verpleging van overheidswege resteert.
Het hof is daarom van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit alsmede hetgeen hiervoor omtrent de persoon van de verdachte is overwogen, oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling is geboden waarbij het hof zal bepalen dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt door de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de maatregel van terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is en de totale duur van vier jaren te boven kan gaan.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsvrouw heeft verzocht om bij oplegging van een tbs met voorwaarden,
  • - indien het hof niet genegen is zelf voorwaarden te formuleren – de behandeling van de zaak aan te houden dan wel een tussenarrest te wijzen en de reclassering opdracht te geven een maatregelrapport op te stellen, alsmede om
  • in de voorwaarden op te nemen dat een regiebehandelaar wordt aangewezen.
Nu die verzoeken zien op de (formulering van de) bijzondere voorwaarden van de tbs, en het hof tbs met verpleging van overheidswege zal opleggen, behoeven deze verzoeken geen verdere bespreking.
Gevangenisstraf
Het hof is van oordeel dat op de bewezenverklaarde feiten niet anders kan worden gereageerd dan door naast de op te leggen maatregel van tbs met verpleging van overheidswege ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren naast de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege - een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.
Redelijke termijn
Het hof neemt in aanmerking dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Nu namens de verdachte op 29 november 2023 tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld en het hof arrest wijst op 8 december 2025 is deze termijn in hoger beroep overschreden
Het hof zal, gelet op de aard van de opgelegde straf en maatregel volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden.
Beslag
Het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan of voorbereid met behulp van de hierna te noemen niet in beslag genomen voorwerpen, vermeld op de beslaglijst onder 4, 7, 8 en 13. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, vermeld op de beslaglijst onder 3, 9, 11 en 12 met betrekking tot of met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan of die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1, 2 en 3 begane misdrijf zijn aangetroffen, aan verdachte toebehoren en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit van een en ander in strijd is met het algemeen belang.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich (via mr. Van Eijsden, de advocaat van haar wettelijk vertegenwoordiger) als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 en 3 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 13.000,00 (bestaande uit € 8.000,00 voor het seksuele misbruik en € 5.000,00 voor het maken van het beeldmateriaal van dit misbruik).
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 13.000,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.000,00, met vergoeding van de wettelijke rente, hoofdelijk en – voor zover door het hof een hoger bedrag wordt toegekend - met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat hogere deel.
De hoogte van de vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof de beslissing van de rechtbank dient te volgen.
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van
€ 11.000,00 (bestaande uit € 6.000,00 voor het seksuele misbruik en € 5.000,00 voor het beeldmateriaal van het misbruik) te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval betrokken, waarbij het hof in het bijzonder in aanmerking heeft genomen de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering. Het hof heeft bij de vaststelling van de hoogte van het immateriële schadebedrag acht geslagen op vergelijkbare zaken en de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Het hof heeft daarbij als richtsnoer genomen de bedragen die genoemd zijn onder “Ontucht met binnendringen”.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]
Ter terechtzitting is gebleken dat ten aanzien van de medeverdachte ter zake van de gevorderde schadevergoeding een bedrag van € 8.000,- (hoofdelijk) is toegewezen, welk bedrag reeds is betaald aan het slachtoffer. Nu, gelet op het vorenstaande, vaststaat dat de verdachte voor een bedrag van € 3.000,00 meer aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal
het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 47, 57, 240b en 244 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en maatregel, de beslissing op de vordering benadeelde partij en de beslissing omtrent het beslag en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 4. 1 STK Telefoontoestel (PL1500-2022336020-2859705, zwart, merk: Samsung);
- 7. 1 STK Telefoontoestel (PL1500-2022336020-2859718, zwart, merk: Samsung);
- 8. 1 STK Telefoontoetsel (PL1500-2022336020-2859702, zwart, merk: Samsung);
- 13. 1 STK Beddegoed (PL1500-2022284999-2878452, groen).
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 3. 1 STK Telefoontoestel (PL1500-2022336020-2859716, zwart, merk: Motorola);
- 9. 1 STK Computer (PL1500-2022336020-2859701, grijs, merk: HP);
- 11. 1 STK Telefoontoestel (PL1500-2022336020-2859690, zwart, merk: Samsung);
- 12. 1 STK Computer (2022336020-2859701, grijs, merk: HP).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 11.000,00 (elfduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of haar mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 29 juni 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. L.A. Pit, als voorzitter, en mr. Chr.A. Baardman en mr. H.A.G. Nijman, leden, in bijzijn van de griffier mr. R. Rakić-Dieteren.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 december 2025.