De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking waarin de rechtbank vervangende toestemming tot erkenning van vaderschap heeft verleend aan de man, ondanks het verzet van de moeder. De moeder voert aan dat erkenning haar psychische problemen verergert en het welzijn van het kind schaadt. Het hof overweegt dat de moeder geen objectieve aanwijzingen heeft geleverd dat haar psychische toestand direct door de erkenning wordt beïnvloed en dat het belang van het kind bij juridische erkenning zwaarder weegt.
Het hof bevestigt dat het kind recht heeft op kennis van zijn biologische vader en dat erkenning daaraan bijdraagt. De bezwaren van de moeder tegen erkenning, waaronder ernstige beschuldigingen aan het adres van de man, zijn niet onderbouwd met objectief bewijs. Hoewel de moeder psychische problemen heeft, acht het hof het niet aannemelijk dat erkenning de opvoedingssituatie zodanig schaadt dat erkenning moet worden geweigerd.
Daarnaast wordt de verwijzing naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor statusvoorlichting bekrachtigd. De informatieregeling wordt echter aangepast: de moeder hoeft voortaan slechts eenmaal per drie maanden informatie over het kind te verstrekken, in plaats van maandelijks, vanwege haar psychische gesteldheid. Verzoeken tot doorhaling van de erkenning en het opleggen van dwangsommen worden afgewezen.