ECLI:NL:GHDHA:2025:2734

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
BK-25/318
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep WOZ-waarde onroerende zaak en taxatierapporten

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de Heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De Rechtbank had de WOZ-waarde van een onroerende zaak vastgesteld op € 220.000, terwijl de Heffingsambtenaar deze waarde op € 276.000 had vastgesteld. De belanghebbende, eigenaar van de woning, had bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de Heffingsambtenaar, die de waarde op € 382.000 had vastgesteld. De Rechtbank oordeelde dat de Heffingsambtenaar niet voldoende bewijs had geleverd voor de door hem verdedigde waarde en dat het taxatierapport van de belanghebbende niet WOZ-conform was. In hoger beroep heeft het Gerechtshof de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de uitspraak op bezwaar van de Heffingsambtenaar bevestigd. Het Hof oordeelde dat de Heffingsambtenaar wel degelijk aan zijn bewijslast had voldaan en dat de waarde van de woning niet te hoog was vastgesteld. De belanghebbende had niet kunnen aantonen dat zijn taxatierapport bruikbaar was voor de vaststelling van de WOZ-waarde. De uitspraak van het Hof bevestigt dat de waarde van de woning moet worden bepaald op basis van vergelijkbare objecten en dat de Heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/318

Uitspraak van 29 oktober 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: T.J.V. Schmitz)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Heffingsambtenaar tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 maart 2025, nummer SGR 24/9789.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2023 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats 1] (de woning), voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op € 382.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2024 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelasting van de [gemeente] (de aanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar belanghebbendes bezwaar tegen de beschikking en de aanslag gegrond verklaard en de beschikking gewijzigd in een naar een waarde van € 276.000 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De beslissing van de Rechtbank luidt:
“De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot
  • vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een berekend naar een waarde van € 220.000,-;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 635,-;
  • draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan belanghebbende te vergoeden.”
1.4.
De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 september 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een twee-onder-één-kapwoning met een aanbouw en een vrijstaande schuur/berging met bouwjaar 1907. De woning heeft een oppervlakte van 44 m2 en een aanbouw van 10 m2.
2.2.
Ter onderbouwing van de waarde van de woning heeft de Heffingsambtenaar een taxatieverslag en in beroep een taxatierapport overgelegd. In het taxatierapport wordt de woning vergeleken met drie, naar de mening van de Heffingsambtenaar, vergelijkbare woningen, te weten Van [adres 2] te [woonplaats 2] , [adres 3] te [woonplaats 3] en [adres 4] te [woonplaats 4] . In het taxatierapport is ten aanzien van de woning een deel van het perceel groot 3 m2 vrijgesteld als onderdeel van een waterverdedigingswerk. Tot het taxatierapport behoort een matrix.
2.3.
Belanghebbende heeft in de bezwaarfase een taxatierapport overgelegd. Dit taxatierapport ziet op de onroerende zaken [adres 5] , [adres 6] en [adres 1] . De totaliteit van deze onroerende zaken is vergeleken met vier, naar de mening van de taxateur, vergelijkbare onroerende zaken, te weten [adres 7] te [woonplaats 5] , [adres 8] te [woonplaats 6] , [adres 9] te [woonplaats 7] en Van [adres 2] te [woonplaats 2] . In het taxatierapport staat onder meer:
“Het getaxeerde betreft een dubbel woonhuis van samen 155 m2 woonoppervlakte en een garage/loods van circa 100 m2 gesitueerd op een ruim perceel van 1325 m2.
Het woonhuis [adres 5] met de garage heeft de bestemming bedrijf en het woonhuis [adres 1] heeft een woonbestemming. Het geheel is niet kadastraal gesplitst en heeft 1 eigenaar. Zodoende is het object vergeleken met zowel vrijstaande woningen als twee onder een kapwoningen.
De waarde is als volgt opgebouwd:
Waarde [adres 5] met circa 400 m2 grond: € 350.000,-
Waarde [adres 6] met circa 785 m2 grond: € 185.000,-
Waarde [adres 1] met circa 140 m2 grond: € 155.000,-
Totaal: € 690.000,-
Er is in de waardering geen rekening gehouden met een eventuele bestemmingsplanwijziging.”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:
“3. De heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Daarin is hij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met zijn taxatierapport en wat overigens is aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning met € 276.000,- niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zij op zich geen redenen heeft om te twijfelen aan de juistheid en de uitkomst van het taxatierapport van de heffingsambtenaar waarin de waarde is getaxeerd op € 293.652,-. Anders dan belanghebbende ter zitting heeft gesteld, vindt de rechtbank de door de heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten goed, althans in ieder geval
voldoende vergelijkbaar met de woning zodat die kunnen worden gebruikt bij de waardeherleiding. Voor het tegendeel vindt de rechtbank in de gedingstukken geen ondersteuning. Weliswaar is, zoals belanghebbende ter zitting ook heeft gesteld, de ligging van de woning (namelijk zeer dicht op een drukke N-weg) minder dan die van de vergelijkingsobjecten, echter de rechtbank acht niet aannemelijk dat dat verschil dusdanig is dat de vergelijkingsobjecten daardoor onbruikbaar zijn. Dat heeft belanghebbende, tegenover de betwisting van verweerder, niet aannemelijk gemaakt. Overige
noemenswaardige verschillen die de vergelijkingsobjecten van de heffingsambtenaar onbruikbaar zouden maken, zijn niet gesteld en blijken ook niet uit de gedingstukken. De rechtbank merkt bij het vorenstaande nog op dat, zoals de heffingsambtenaar ter zitting terecht heeft benoemd, met de mindere ligging van de woning ten opzichte van die van de vergelijkingsobjecten ook rekening is gehouden, namelijk middels een vermindering op de grondprijs bij de woning (90% in plaats van 100%). Dat deze vermindering voorde mindere ligging niet afdoende zou zijn, is de rechtbank niet gebleken.
4. Vervolgens stelt de rechtbank echter vast dat belanghebbende tegenover de waardeherleiding van de heffingsambtenaar een eigen taxatierapport heeft overgelegd waarin de waarde is getaxeerd op € 155.000,-. De rechtbank heeft op zich ook geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en de uitkomst van dat taxatierapport. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat zij noch in het taxatierapport van belanghebbende, noch in de overige gedingstukken voldoende ondersteuning vindt voor de stelling van de heffingsambtenaar dat dit rapport niet conform de uitgangspunten van de Wet WOZ is opgesteld. Immers, ook deze taxatie is gebaseerd op de methode van herleiding van de waarde uit de met vergelijkbare objecten gerealiseerde verkoopprijzen. Net als in het taxatierapport van de
heffingsambtenaar is ook in het taxatierapport van belanghebbende de waarde herleid uit concrete transactieprijzen van vergelijkbare objecten. Ook is de woning in deze taxatie conform de uitgangspunten van de Wet WOZ getaxeerd vrij van huur en gebruik, en dus niet, zoals verweerder veronderstelt, in verhuurde staat. Dat volgt ten eerste uit de verklaring van de taxateur van belanghebbende (bijlage VI bij het beroepschrift) waarin deze verklaart dat hij de woning vrij van huur en gebruik heeft getaxeerd, terwijl ook in het taxatierapport zelf voor het door de heffingsambtenaar bepleite tegendeel geen ondersteuning is te vinden.
Dat op andere onderdelen sprake is van een niet Wet WOZ-conforme taxatie, heeft de heffingsambtenaar niet, althans niet voldoende geconcretiseerd en ook daar vindt de rechtbank geen ondersteuning voor in het taxatierapport van belanghebbende of de overige gedingstukken. De heffingsambtenaar heeft ook geen andere concrete onjuistheden of eigenaardigheden benoemd, laat staan aannemelijk gemaakt met betrekking tot de taxatie van belanghebbende op grond waarvan de rechtbank kan concluderen dat die taxatiewaarde onjuist (te laag) is.
5. De rechtbank stelt vast dat de taxatiewaarde van belanghebbende zich niet verhoudt tot de door de heffingsambtenaar verdedigde waarde. Afgezet tegen de taxatiewaarde uit het taxatierapport van belanghebbende, acht de rechtbank de door de heffingsambtenaar verdedigde waarde niet aannemelijk gemaakt.
6. Nu de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende de door hem bepleite lagere waarde evenmin aannemelijk gemaakt. Dit reeds omdat de door belanghebbende bepleite waarde van € 155.000,- zich niet verhoudt tot de taxatiewaarde van (afgerond) € 293.000,- zoals die uit het taxatierapport van de heffingsambtenaar blijkt. Zoals hiervoor overwogen, vindt de rechtbank de door de taxateur van de heffingsambtenaar in zijn taxatierapport gebruikte vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar en vindt zij geen aanleiding een of meerdere van die vergelijkingsobjecten buiten beschouwing te laten. Nu uit het taxatierapport van de heffingsambtenaar een veel hogere waarde dan de door
belanghebbende bepleite waarde volgt, vindt de rechtbank de door belanghebbende bepleite waarde ook niet aannemelijk gemaakt.
7. Omdat geen van beide partijen naar het oordeel van de rechtbank erin is geslaagd het gevergde bewijs te leveren, bepaalt de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking nemend, de waarde van de woning op de waardepeildatum in goede justitie op € 220.000,-.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de daarop gebaseerde aanslag te hoog vastgesteld. Het beroep is daarom gegrond. De overige gronden behoeven geen behandeling meer.
9. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De rechtbank bepaalt deze kosten op grond van het door eiser overgelegde formulier proceskosten op € 635,- voor de werkzaamheden van de ingeschakelde taxateur.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is in geschil de waarde van de woning.
4.2.
De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.
4.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vergoeding van de door hem gestelde schade en gemaakte proceskosten in (hoger) beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

Waarde van de woning
5.1.
De waarde van de woning wordt volgens artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p. 43-44).
5.2.
Artikel 16 Wet WOZ luidt als volgt:
“Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:
a. een gebouwd eigendom;
b. een ongebouwd eigendom;
c. een gedeelte van een in onderdeel
aof onderdeel
bbedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel
aof onderdeel
bbedoelde eigendommen of in onderdeel
cbedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e. een geheel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen, of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan, of in onderdeel d bedoelde samenstellen, dat naar de omstandigheden beoordeeld één terrein vormt bestemd voor verblijfsrecreatie en dat als zodanig wordt geëxploiteerd;
f. het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel
aof onderdeel
bbedoeld eigendom, van een in onderdeel
cbedoeld gedeelte daarvan, van een in onderdeel d bedoeld samenstel of van een in onderdeel e bedoeld geheel.”
5.3.
De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het taxatierapport van belanghebbende bruikbaar is voor het vaststellen van de WOZ-waarde van de woning. De Heffingsambtenaar stelt daartoe het volgende. Het taxatierapport ziet op verschillende objecten. Er is onvoldoende rekening gehouden met de wet van de afnemende meeropbrengst. Naarmate een woning kleiner is, zullen de vierkante meters meer opbrengen. De door belanghebbende voorgestane waarde is, aldus de Heffingsambtenaar, niet realistisch, gelet op de verkoopprijzen van de kleinste woningen in de [gemeente] .
Belanghebbende betwist dit en voert daartoe het volgende aan. Het door belanghebbende overgelegde taxatierapport biedt een betere onderbouwing van de WOZ-waarde dan dat van de Heffingsambtenaar, omdat de Heffingsambtenaar ten onrechte geen rekening houdt met een inwonend kind en uitgaat van een te groot perceel, namelijk 155 m2 in plaats van 85 m2. Voorts is het eigen taxatierapport opgesteld door een taxateur die is aangesloten bij de NRVT en beoordeeld door een makelaar. Het taxatierapport van de Heffingsambtenaar is pas in beroep opgesteld en is strijdig met de conclusie in de uitspraak op bezwaar en met de voor het latere jaar vastgestelde lagere WOZ-waarde van € 271.000, wat vreemd is in een stijgende markt.
5.4.
De Heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde een taxatierapport met een matrix overgelegd (zie 2.2). Uit de matrix volgt dat de waarde van de woning is bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met onroerende zaken waarvan marktgegevens beschikbaar zijn (de vergelijkingsobjecten). Daarbij is verwezen naar de opbrengst behaald bij verkoop van de vergelijkingsobjecten rondom de waardepeildatum. Niet vereist is dat de vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woning. Voldoende is dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de waarde voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen.
5.5.
De vergelijkingsobjecten zijn voldoende vergelijkbaar met de woning om als richtsnoer te dienen voor de bepaling van de waarde van de woning. Belanghebbende betwist de omvang van het perceel dat de Heffingsambtenaar aan de woning heeft toegerekend. Belanghebbende verwijst naar het kadastrale perceel van 85 m2, maar de kadastrale kaart laat zien dat dit perceel is gelegen aan de achterkant van de kavel waarop [adres 5] en [adres 1] liggen. Niet in geschil is dat de achterkant van de kavel bij [adres 5] hoort. Het Hof voegt hieraan toe dat de registratie in het kadaster niet leidinggevend is, omdat geen sprake is van kadastrale splitsing. Het gaat om de grond die bij de woning in gebruik is. Volgens de Basis Administratie Gebouwen is het perceel dat bij het object [adres 1] hoort 158 m2 groot. Het Hof twijfelt er niet aan dat het stuk grond dat bij de woning hoort ongeveer 158 m2 is. Tijdens de zitting heeft de Heffingsambtenaar de kadastrale kaart toegelicht, verklaard dat het perceel van 85 m2 niet van toepassing is bij de waardering van de woning en verklaard dat bij de inpandige opname van de woning is vastgesteld dat de tuin van de woning tot aan het grasveld loopt. Belanghebbende heeft dit bevestigd. Aan de hand van de luchtfoto en openbare satellietbeelden komt het Hof tot de inschatting dat de door de Heffingsambtenaar aangebrachte verdeling van de grond tussen [adres 5] en [adres 1] klopt. De conclusie is dat de Heffingsambtenaar bij de waardering van de woning niet te veel grond in aanmerking heeft genomen.
5.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de Heffingsambtenaar voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Hetgeen belanghebbende daartegen inbrengt leidt niet tot een ander oordeel. Het taxatierapport van belanghebbende is niet geschikt om de WOZ-waarde van de woning te onderbouwen om de volgende redenen:
  • De in het taxatierapport genoemde taxatiewaarde van € 690.000 is de waarde voor de objecten [adres 5] , [adres 6] en [adres 1] gezamenlijk. De taxateur van belanghebbende heeft de waarde van het totale complex verdeeld over drie objecten.
  • Geen van beide partijen heeft kunnen ophelderen wat het in het taxatierapport genoemde object [adres 6] precies is. De Heffingsambtenaar betwist het bestaan van dit object en belanghebbende heeft niet kunnen uitleggen wat dit object precies is en waarvoor het dient.
  • Dat [adres 5] en [adres 1] door dezelfde familie worden bewoond, is voor de waardering op basis van de Wet WOZ niet van belang (zie 5.1). [adres 1] is bruikbaar als woning en moet gelet op artikel 16, onder c, Wet WOZ als zelfstandige onroerende zaak worden gewaardeerd.
  • Verschillende zelfstandig bruikbare kleine woningen hebben samen een hogere WOZ-waarde dan één woning met in totaal dezelfde maten. Dit is in het taxatierapport niet onderkend. Dat de woningen niet kadastraal zijn gesplitst, maakt geen verschil, omdat het gaat om het (afzonderlijke) gebruik.
Anders dan de Rechtbank, hecht het Hof daarom geen waarde aan het taxatierapport van belanghebbende. Aangezien het Hof – net als de Rechtbank – wel waarde hecht aan het taxatierapport van de Heffingsambtenaar (zie 5.4 en 5.5), vernietigt het Hof de uitspraak van de Rechtbank en bevestigt de uitspraak op bezwaar.
Schade
5.7.
Belanghebbende stelt zich tot slot op het standpunt dat de Heffingsambtenaar dient te worden veroordeeld tot vergoeding van de door hem gestelde schade, te weten de teveel betaalde inkomstenbelasting en lokale heffingen en de misgelopen zorgtoeslag in de afgelopen dertig jaren (sinds de invoerdatum van de Wet WOZ). Omdat belanghebbende geen gelijk krijgt, heeft hij geen recht op schadevergoeding.
Slotsom
5.8.
Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is gegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
  • bevestigt de uitspraak op bezwaar.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, E.P.A. Brakeboer en R.P.C.W.M. Brandsma, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen A. van Dongen
De beslissing is op 29 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.