In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De Rechtbank had de WOZ-waarde van een woning vastgesteld op € 390.000, terwijl de heffingsambtenaar deze waarde op € 411.000 had vastgesteld. De belanghebbende, eigenaar van de woning, had bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de heffingsambtenaar, die de waarde van de woning op 1 januari 2023 had vastgesteld. De Rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet aan zijn bewijslast had voldaan, omdat hij onvoldoende rekening had gehouden met de specifieke ligging van de woning aan een drukke weg, wat leidde tot meer overlast. De heffingsambtenaar ging in hoger beroep, maar het Hof oordeelde dat de heffingsambtenaar in zijn bewijsvoering wel degelijk geslaagd was. Het Hof bevestigde de uitspraak van de heffingsambtenaar en vernietigde de uitspraak van de Rechtbank. De belanghebbende had geen concrete waarde kunnen onderbouwen die lager was dan de vastgestelde waarde. De uitspraak van het Hof werd op 29 oktober 2025 gedaan, en de proceskosten werden niet toegewezen.