ECLI:NL:GHDHA:2025:2654

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
22-002557-20
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Profijtontneming in hoger beroep met aanzienlijke betalingsverplichting

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 10 oktober 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 september 2020. De zaak betreft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, die eerder was veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie, het bezit van verdovende middelen, witwassen en andere strafbare feiten. In eerste aanleg was een betalingsverplichting van bijna 50 miljoen euro opgelegd, maar het hof heeft deze verlaagd naar bijna 40 miljoen euro, rekening houdend met de werkelijke voordelen die de betrokkene heeft genoten. Het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit zijn criminele activiteiten en dat de vordering van het openbaar ministerie terecht was. De betrokkene heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen tijdens de zittingen. Het hof heeft de betalingsverplichting vastgesteld op 39.896.304,46 euro, met een gijzeling van 1080 dagen als sanctie voor niet-betaling. De uitspraak is gedaan in het kader van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, dat de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel regelt.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002557-20 PO
Parketnummer: 10-600157-09
Datum uitspraak: 10 oktober 2025
VERSTEK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 september 2020 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:
[verdachte],geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
blijkens de hem betreffende Informatiestaat SKDB-persoon: Vertrokkenen Onbekend Waarheen,
laatst opgegeven woon- of verblijfplaats:
[woonadres], [woonplaats]([land 1]).

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

2.Procesgang in de strafzaak

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 november 2013 als verdachte bij het ter zake van het in de strafzaak onder 1, 3 primair, 4 impliciet subsidiair en 6 bewezenverklaarde, respectievelijk gekwalificeerd als:
1:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,
3 primair:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod,
4 impliciet subsidiair:
medeplegen van witwassen,
en
6:
medeplegen van een feit bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen door een ander of anderen trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn en zich en anderen middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
acht jaren, met aftrek van voorarrest.
Tegen dit vonnis is zowel zijdens de verdachte als door de officier van justitie hoger beroep ingesteld.
Bij inmiddels onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 27 mei 2015 zijn de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Daarmee is het vonnis in de strafzaak onherroepelijk geworden.

3.Procesgang in de ontnemingszaak

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie d.d. 21 oktober 2015 houdt in dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) wordt geschat op een bedrag van € € 50.987.577,63 en dat aan de betrokkene de verplichting tot betaling van dat bedrag wordt opgelegd.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld, zal worden geschat op een bedrag van € 50.831.156,00 en dat, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de vordering als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd een bedrag van € 50.811.156,00 aan de Staat te betalen.
De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 17 september 2020 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 50.155.771,00 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de vordering als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 49.654.213,00. Daarbij heeft de rechtbank de duur van de gijzeling, die ten hoogste kan worden gevorderd, bepaald op 1080 dagen.
Namens de betrokkene is tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

4.Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat zal worden vastgesteld op € 50.155.771,13, dat ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene - rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de vordering als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM - de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 50.130.771,13, alsmede dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd zal worden bepaald op 1080 dagen.

5.Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
6. Grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, bewijsvoering en motivering van de maatregel
6.1
Grondslag
Het hof is van oordeel dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk is geworden dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen als bedoeld in artikel 36e, derde lid, Sr. (oud), dat inhoudt:
Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De betrokkene, tegen wie een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: SFO) is ingesteld, is bij het hiervoor genoemde vonnis veroordeeld ter zake van feiten die worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, terwijl gelet op voornoemd SFO -zoals hierna overwogen- aannemelijk is dat die feiten en andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de betrokkene vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die in de na te noemen in voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.
6.2
Uitgangspunt: ontnemingsrapportage
Het hof neemt bij de berekening en vaststelling van het bedrag waarop dat door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat tot uitgangspunt het tot de processtukken behorende rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot het onderhavige onderzoek Fotino, met bijlagen d.d.
8 oktober 2015, opgesteld en ondertekend door [inspecteur] (hierna: het rapport), alsmede het aanvullende rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, met bijlagen d.d. 27 september 2017 (hierna: het aanvullend rapport). In laatstgenoemd rapport is een onderzoeksperiode gehanteerd van 1 januari 2000 (het jaar waarin de betrokkene aangifteplichtig was voor de omzetbelasting) tot en met 15 november 2011, zijnde de datum waarop de betrokkene is aangehouden ter zake van de misdrijven waarvoor hij is veroordeeld en waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
Met betrekking tot dat uitgangspunt neemt het hof in aanmerking dat de betrokkene op geen enkel moment in deze ontnemingsprocedure omtrent de omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moeten worden geacht voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, een redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft willen geven.
De betrokkene heeft diverse malen in opgenomen en afgeluisterde vertrouwelijke communicatie (hierna: OVC-gesprekken) gezegd dat hij al 25 jaar zaken doet in Zuid-Amerika. Aangenomen wordt dat hij hiermee doelt op handel in verdovende middelen. Immers, uit gegevens van de Belastingdienst, die op 22 juli 2011 zijn verkregen, is niets zichtbaar omtrent bezittingen en/of legaal inkomen uit dienstverband in de periode van 2007 tot en met 2011 dan wel inkomsten uit hoofde van een onderneming van de betrokkene. In het jaar 2000 - van 25 april 2000 tot 18 december 2000 - was wel sprake van een verplichting tot betaling van omzetbelasting uit hoofde van een eenmanszaak genaamd ‘[verdachte]’, maar ook daaruit zijn geen legale inkomsten bekend geworden. [1]
Ook overigens is in de onderzochte periode niet van enige legale inkomsten van de betrokkene gebleken.
Op 2 oktober 2015 is de betrokkene, in het bijzijn van zijn raadsman, geconfronteerd met de onderzoeksresultaten uit het SFO en is hij in de gelegenheid gesteld te reageren op de bevindingen neergelegd in voormeld rapport. Uit dit rapport volgt onder andere dat onderzoek in [plaats 1] heeft uitgewezen dat in totaal 50 bankrekeningen en 14 creditcards met hem in verband kunnen worden gebracht. Echter, de betrokkene heeft bij die gelegenheid, noch ter terechtzitting in eerste aanleg -waar hij niet is verschenen - op zaaksinhoudelijke vragen antwoord willen geven. Evenmin heeft hij inzicht willen geven in zijn financiële situatie/de herkomst van zijn (gestelde legale) inkomsten en zijn (contante) uitgaven.
Dat geldt ook voor de behandeling van de zaak in hoger beroep. De betrokkene heeft ervoor gekozen niet ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen. Evenmin heeft hij zijn raadsman uitdrukkelijk gemachtigd om zich te laten verdedigen.
Een en ander klemt te meer nu de betrokkene bij uitstek degene is die volledig inzage had kunnen geven in zijn inkomsten, uitgaven en geldstromen in de onderzoeksperiode. Immers, tijdens de doorzoeking in de woning van zijn zus [zus] in [plaats 1] zijn Excel-lijsten aangetroffen waarop zij de vorderingen en betalingen bijhield [2] . Deze Excel-lijsten acht het hof betrouwbaar aangezien de betrokkene zelf in een OVC-gesprek op 11 april 2011 heeft verklaard:
“(ntv) mijn zus zit er als een pitbull bovenop. Ja, die doet alles voor me. Die is honderd procent te vertrouwen.” [3]
Aangezien uit fiscale gegevens niet is gebleken van enige legale inkomsten of van een legaal verkregen beginvermogen van de betrokkene, is het aannemelijk dat de betrokkene voordeel heeft genoten uit zowel de feiten waarvoor hij is veroordeeld als uit andere strafbare feiten, zoals bedoeld in artikel 36e, derde lid, (oud) Sr. Dat de betrokkene geen redelijke verklaring heeft gegeven die de redengevendheid van de voor de schatting van het voordeel van belang zijnde omstandigheden ontzenuwt, betrekt het hof onder de geschetste omstandigheden in zijn overwegingen omtrent de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [4]
6.3
Economische eenheid met [partner]
Uit het rapport blijkt dat de betrokkene gedurende vrijwel de gehele onderzoeksperiode een duurzame relatie had met [partner] (hierna: [partner]), dat hij met haar en hun twee kinderen een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, dat gelden waarover [partner] kon beschikken (grotendeels) direct of indirect afkomstig waren van hem en dat zij dus een economische eenheid vormden. Zij hebben derhalve gezamenlijk de beschikking (gehad) over de (financiële) opbrengst van de door de betrokkene gepleegde (andere) strafbare feiten. Dit betekent dat het hof de bankrekeningen van [partner] in navolging van de rechtbank in de berekening zal meenemen.
6.4
Schatting van het door de betrokkene verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel
Met in achtneming van het hiervoor overwogene overweegt het hof, grotendeels in navolging van de rechtbank en het standpunt van de advocaat-generaal, als volgt.
Vooropgesteld wordt dat ook bij een uitgebreid financieel onderzoek het vrijwel onmogelijk is volledig zicht te krijgen op alle (contante) uitgaven. Zo zijn als het gaat om de aankoop van onroerend goed in [land 1] notariskosten, kosten voor nutsvoorzieningen, belastingen, verzekeringen, betalingen aan stromannen, etc. niet meegenomen, omdat die gegevens niet beschikbaar kwamen. [5] Hetzelfde geldt voor de (grote) uitgaven die zijn gedaan voor het verfraaien van het uiterlijk dan wel esthetische chirurgie (facelift cadeau gegeven, borstoperatie, liposuctie, ooglidcorrectie van [partner], ooglaserbehandelingen etc.). [6] Dit brengt met zich dat bij een berekening aan de hand van een vergelijking van het legale beginvermogen en vermogensbestanddelen en uitgaven gedurende de loop van de onderzochte periode altijd sprake is van een schatting van het minimale wederrechtelijk verkregen voordeel.
6.4.1
Beginvermogen
Het beginvermogen is het totale aangetoonde vermogen dat de betrokkene aan het begin van de onderzoeksperiode ter beschikking had. Het betreft hier het saldo van alle bezittingen verminderd met de schulden op dat moment.
Blijkens het ingestelde SFO heeft de betrokkene nooit enige vermogenscomponent op zijn naam gehad, maar bezat en gebruikte hij die wel. Voor de tenaamstelling van deze vermogenscomponenten gebruikte hij rechtspersonen en katvangers met het doel deze vermogenscomponenten uit het zicht van de autoriteiten te houden. Dergelijk structureel verhullingsgedrag impliceert een financiering van die vermogenscomponenten met illegaal vermogen.
Uit het onderzoek blijkt dat op 1 januari 2000 geen aan de betrokkene en/of aan [partner] toe te rekenen vermogensbestanddelen zijn vastgesteld. Om die reden wordt het beginvermogen dan ook op
€ 0,00gesteld. [7]
6.4.2
Legale ontvangsten
Uit het ingestelde SFO is geen zicht gekregen op legale bronnen van inkomsten van de betrokkene.
Bij de Belastingdienst in Nederland zijn over de jaren 2001 tot en met 2010 geen (fiscale) gegevens bekend met betrekking tot de betrokkene. Ondanks diverse rechtshulpverzoeken aan [plaats 1] is onbekend gebleven of hij in zijn (toenmalige) woonstaat [plaats 1] gekend is door de competente autoriteiten en als dat zo is, of hij daar een opgave heeft gedaan van zijn inkomen. In [land 1] is de betrokkene in het geheel niet bekend bij de
autoriteiten, ondanks dat hij daar beschikt over meerdere stukken vastgoed, zij het dat deze zijn ondergebracht in [nationaliteit 2] B.V.’s waarvan stromannen aandeelhouders zijn. [8]
Op diverse wijzen werden wel salarissen en inkomens gefingeerd op een enkele bankrekening die de betrokkene in [land 8] had, maar zijn eigen inkomen werd bijvoorbeeld overgemaakt door zijn bedrijf [bedrijf 1] (hierna ook: [bedrijf 1]) in [plaats 1] waarvoor eerst crimineel chartaal geld naar [plaats 1] werd gebracht, vervolgens op de bankrekening van [bedrijf 1] werd gestort waarna een “salaris” op de Nederlandse bankrekening van de betrokkene werd betaald.
Voor de ontvangsten van [partner] geldt dat zij, volgens de bij de Belastingdienst bekende gegevens, vanaf 20 juli 2006 tot en met 1 augustus 2012 voor [café 1] en [café 2] werkzaam is geweest en dat zij in die periode in totaal een bedrag van € 105.150,00 aan salarisbetalingen op haar bankrekening heeft ontvangen. [9]
De loonstroken en jaaropgaven van [partner] neemt het hof, in navolging van het vonnis van de rechtbank en het standpunt van de advocaat-generaal, ten voordele van de betrokkene mee in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gelet op de onderzoeksperiode vanaf 1 januari 2000 tot 15 november 2011, worden de salarisbetalingen na laatstgenoemde datum niet meegerekend, zodat een bedrag van € 101.900,00 [10] geldt als legale ontvangsten van [partner]. Aangezien [partner] en de betrokkene een economische eenheid vorm(d)en, worden de legale ontvangsten van de betrokkene op een bedrag van
€ 101.900,00gesteld.
6.5
Vermogensbestanddelen en uitgaven
Gedurende het SFO is een groot aantal telefoongesprekken opgenomen en uitgeluisterd. Ook was in het zogenoemde safehouse van de betrokkene aan de [straat 1] in [plaats 10] OVC-apparatuur geplaatst. Hetgeen in het safehouse werd besproken komt overeen met hetgeen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden daar waar de financiële recherche de gesprekken van de betrokkene heeft kunnen duiden. Bij geen enkele van die activiteiten is vastgesteld dat inhoudelijk sprake was van enige grootspraak van de zijde van de betrokkene of anderen. [11]
Met betrekking tot de aangetroffen vermogensbestanddelen en de in het onderzoek vastgestelde uitgaven van de betrokkene geldt voorts dat, met name omdat de betrokkene terzake op geen enkel moment een verklaring heeft willen afleggen, geen legale herkomst is vastgesteld. Dat is in lijn met eerdergenoemde bevindingen van de Belastingdienst inhoudende dat er geen sprake is van legale inkomsten zijdens de betrokkene – door of namens wie vanaf het jaar 2000 geen belastingaangifte is gedaan voor de vermogens- en inkomstenbelasting - alsook met de eerder aangehaalde OVC-gesprekken waarin door de betrokkene is gezegd dat hij al 25 jaar zaken doet in Zuid-Amerika, doelend op handel in verdovende middelen.
Een en ander wordt bevestigd door het veroordelend vonnis in de strafzaak van 22 november 2013 waarin de rechtbank heeft overwogen:
“De verdachte heeft niet alleen gezwegen over de feiten maar ook over zijn persoonlijke
omstandigheden. Slechts omstandigheden met betrekking tot zijn gezin zijn ter tafel gekomen. Uit het dossier doemt het beeld op van een persoon die uitsluitend in zijn onderhoud voorziet door middel van illegale/criminele activiteiten; anders gezegd een beroepscrimineel.”
Het hof overweegt op basis van de uitgebrachte ontnemingsrapporten, grotendeels in navolging van de rechtbank en in aanmerking genomen dat ter terechtzitting in hoger beroep zijdens de betrokkene geen standpunten tegen de berekening zijn ingebracht, als volgt.
6.5.1
Rekening in [plaats 1]
De betrokkene heeft op 11 april 2011 vanuit voormeld safehouse een OVC-gesprek gevoerd waarin hij zegt:
“Ik bedoel, ik krijg in [plaats 1] bijna 6 procent rente over mijn geld. Ja? Nou reken maar uit.Ik heb op die rekening zeven miljoen (7.000.000) euro staan. Ik krijg 6 procent. Weet je hoe lekker dat is? Hoef ik helemaal niks voor te doen.” [12]
Gelet op dit OVC-gesprek, waarover de betrokkene geen nadere uitleg heeft willen geven, wordt een bedrag van
€ 7.000.000,00als onvoldoende gemotiveerd betwiste vermogenscomponent opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
6.5.2
Investering in de bouw van een hotel in [land 2]
Naar aanleiding van met name rechtshulpverzoeken aan de Belgische en [nationaliteit 3] autoriteiten, bleek dat de betrokkene zijn met drugshandel verdiende contante gelden giraal liet maken via zijn toenmalig zakenpartner en vriend [persoon 1] (bijnaam “[bijnaam persoon 1]”). [13]
[persoon 1] zorgde er via vele risicovolle omwegen voor dat deze gelden onder andere geïnvesteerd werden in de bouw van een hotel in [land 2]. De naam van de betrokkene kwam niet voor in relatie tot deze investeringen.
In diverse OVC-gesprekken wordt gesproken over een investering van 8 miljoen euro door de betrokkene in een nog te bouwen 5-sterren hotel in [land 2]. Er zou in totaal voor een bedrag van ongeveer 10 miljoen euro zijn geïnvesteerd en de waarde van het hotel is getaxeerd op 18 miljoen euro. Echter, het hotel werd nooit afgebouwd. Dit vanwege gebrek aan gelden die niet op de plaats van hun uiteindelijke bestemming kwamen.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, is tijdens een doorzoeking in het appartement van de zus van de betrokkene, [zus], in [plaats 1] een Excel-lijst aangetroffen. Dit bestand zat in een ordner met opschrift “[verdachte] Privé”. Dit Excel-bestand dateert volgens opschrift uit 2008. [zus] regelde voornamelijk vanuit [plaats 1] de financiële administratie van haar broer.
Op het genoemde Excel-bestand staan diverse bedragen genoemd in relatie tot een hotel. Het enige hotel in aanbouw in [land 2] dat binnen het onderzoek bekend is geworden is hotel ‘[hotel 1]’ in de plaats [plaats 2].
De gelden van de betrokkene werden overgeboekt op bankrekeningen van een bedrijf genaamd [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) waarvan de Nederlandse advocaat [persoon 2] samen met zijn [nationaliteit 1] echtgenote aandeelhouder was. [persoon 2] was een goede vriend en zakenpartner/facilitator van de betrokkene, die vooral actief was bij de aankoop en verkoop van vastgoed in [land 1] en het (doen) verhullen van het werkelijke eigendom ervan door het (laten) oprichten van [nationaliteit 2] vennootschappen en het (laten) onderbrengen van het vastgoed in die vennootschappen.
Vanuit [land 2] zijn, naar aanleiding van een rechtshulpverzoek, onder andere afschriften ontvangen van de bankrekeningen van [bedrijf 2]. Op de bankrekeningen van [bedrijf 2] zijn buitenlandse overboekingen zichtbaar die hun oorsprong hadden in de contanten van de betrokkene.
Op grond van de informatie die is verkregen uit de computer van [persoon 1] alsmede de tabellen en de handgeschreven aantekeningen uit de map met opschrift
“[verdachte] privé”, afkomstig uit het appartement van [zus] in [plaats 1], én de betalingsoverzichten uit [land 2], is het aannemelijk dat de betrokkene samen met [persoon 3] en [persoon 4] (bijnaam “[bijnaam 1 persoon 4]”) een bedrag van US$ 3.729.960,00 heeft geïnvesteerd in [hotel 1] in [land 2].
In de conclusie van repliek van 28 november 2016 heeft het openbaar ministerie de berekening gebaseerd op de tabellen en de handgeschreven aantekeningen waarin een bedrag van US$ 3.500.000 staat vermeld.
Voor het aandeel van de betrokkene (1/3 deel) betreft dit een bedrag van US$ 1.166.666. Gezien het feit dat in de [plaats 1] lijsten met een koers van 1 € = US$ 1,25 wordt gerekend, gaat het hier om een bedrag van afgerond
€ 933.333,00.
Uit aantekeningen blijkt verder dat de betrokkene US$ 400.000,00 ofwel
€ 320.000,00heeft betaald aan [persoon 2] in privé.
Derhalve wordt een bedrag van
€ 1.253.333,00
(€ 933.333,00 + € 320.000,00) als onvoldoende gemotiveerd betwiste vermogenscomponent opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [14]
6.5.3
Aankoop onroerend goed in [land 1]
Uit observaties, verricht in [land 1] naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan de [nationaliteit 2] autoriteiten, bleek dat de betrokkene, zijn familie en vrienden in de omgeving van de plaats [plaats 3] in [land 1] de beschikking hadden over diverse appartementen en een villa. Na onderzoek door de [nationaliteit 2] politie bleken deze onroerende goederen niet op naam van de betrokkene en/of diens familie, vrienden of relaties te staan, maar op naam van [nationaliteit 2] vennootschappen waarvan de aandelen op naam stonden van bekenden van de betrokkene (stromannen) en waarvan advocaten/financieel adviseurs de bestuurders waren. Voorts heeft de betrokkene in meerdere OVC-gesprekken gezegd dat hij veel onroerend goed bezit in [land 1] met een waarde van ongeveer € 7.000.000,00. Illustratief in dit verband is een OVC-gesprek van 11 april 2011 om 08.51 uur waarin door de betrokkene wordt gezegd:
“En ik ben nu (ntv) best wel heel veel onroerend goed (ntv) ik heb ook een paar appartementen in [plaats 3]. Ja. In [plaats 4] heb ik twee appartementen. Nou en dan ondertussen (ntv) [naam 1] (ntv) geregeld (ntv) verhuurder (ntv) complex. Dan heb ik er drie waar mijn moeder woont.
[...] eigen, m'n moeder en waar (ntv) woont [...]Dus ik heb iets van 14 appartementen. (ntv) nu weer het huis van oorbel (fon) erbij. Dus ik wil dat effe in een andere een goeie en een goeie gezonde constructie eh. [...] Kijk want nu heb ik de tijd ervoor. Ik heb nu de dingen lopen, de investeringen lopen. Dus het is nu gewoon een kwestie van wachten een week of drie vier. (ntv).”
Om dubbeltellingen te voorkomen zijn – ten voordele van de betrokkene - alleen de uitgaven voor de aankoop van de appartementen, de daarvoor af te dragen 7% overdrachtsbelasting, de beheerskosten en de oprichtingskosten van de vennootschappen waar de appartementen in zijn ondergebracht meegenomen.
Voor de aankoopbedragen van de appartementen zijn de bedragen uit de notariële akten opgenomen, tenzij de in [plaats 1] inbeslaggenomen lijsten met betrekking tot bepaald vastgoed andere bedragen vermelden daar deze van de hand van de betrokkene zelf zijn dan wel van zijn zus.
Het bedrag dat door de betrokkene is geïnvesteerd in het vastgoed in [land 1] is vastgesteld op € 6.610.783,13 (inclusief vervolgprofijt door verhuur van vier appartementen ad € 16.550,00). Dit bedrag betreft een minimumpositie. De overige kosten waaronder notariskosten, kosten voor nutsvoorzieningen, belastingen, verzekeringen, betalingen aan stromannen, verbouwing, inrichting, etc. zijn niet meegenomen, omdat die gegevens niet beschikbaar kwamen.
Derhalve wordt het bedrag van
€ 6.610.783,13als onvoldoende gemotiveerd betwiste vermogenscomponent opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [15]
6.5.4
Aankoop [adres 1]te [plaats 5]
Het bedrag van
€ 140.000,00voor de aankoop van voornoemd appartement, waarvan het koopcontract dateert van 26 juli 2010, is in het geheel niet betwist, zodat dit bedrag als vermogenscomponent wordt opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [16]
6.5.5
Aankoop [adres 2] te [plaats 6]
Uit opsporingsonderzoek is gebleken dat [partner] voor de bouw van een vakantiewoning in april 2006 een hypothecaire geldlening ter grootte van € 335.000,00 van ING Bank heeft verkregen teneinde onder andere de grond van het perceel [adres 2] te [plaats 6] voor een bedrag van € 275.000,00 te kunnen kopen.
Bij de bouw van de woning waren diverse aannemers betrokken, waaronder de eenmanszaak [bedrijf 3] en [bedrijf 4]. De facturen hiervoor zijn uiteindelijk op naam van [partner] gezet daar waar deze eerder nog op naam van zowel de betrokkene als [partner] stonden. Aan het eind van het bouwtraject werden de facturen zelfs op naam van niet bestaande personen gezet.
De facturen van [bedrijf 3] zijn door [partner] zonder uitzondering contant afgerekend. Facturen die door [bedrijf 4] voor bouwwerkzaamheden zijn opgemaakt zijn per bank voldaan namens [partner] (via een goede vriend van de betrokkene genaamd [persoon 5]). Dit vanwege het feit dat [bedrijf 4] geen contante betalingen accepteerde. Ook is sprake van een factuur van [bedrijf 5] voor de inspectie van de kelder. Ook deze factuur is per bank betaald, namelijk vanaf een bankrekening van de betrokkene in [plaats 1].
Voor de inrichting en aankleding van de woning zijn onder andere de volgende uitgaven gedaan:
- Meubels en dergelijke (voornamelijk tuinmeubelen) bij [bedrijf 6];
- Kastenwanden en losse kastjes bij [bedrijf 7];
- Shutters bij [bedrijf 8].
Berekend is dat in totaal een bedrag van minimaal
€ 616.862,51 is geïnvesteerd. De bedragen zijn hieronder nader gespecificeerd:
Facturen verstrekt door [bedrijf 3]
€ 167.430,91
Facturen bouw [bedrijf 4]
€ 219.157,09
Facturen [bedrijf 6]
€ 94.380,35
Factuur [bedrijf 5]
€ 14.152,67
Facturen [bedrijf 7]
€ 10.117,49
Facturen [bedrijf 8]
€ 29.500,00
Betalingen hypotheekrente
€ 82.124,00
Totaal
€ 616.862,51
Aannemelijk is dat niet [partner], maar de betrokkene de inrichting van deze woning heeft gefinancierd. Echter, het hof is in navolging van de rechtbank van oordeel dat niet onaannemelijk is dat [partner] in de jaren 2006 tot en met 2011 wél de hypotheekrente voor deze woning heeft betaald met het salaris dat zij ontving van [café 1] en [café 2]. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hiervoor onder 6.2 is overwogen. Dit betekent dat het bedrag van € 82.124,00
nietin de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt opgenomen.
Ook is het hof met de rechtbank van oordeel dat op het totaalbedrag een bedrag van € 34.366,00 aan belastingaanslagen ten laste van [partner] in mindering dient te worden gebracht.
Een totaalbedrag van
€ 500.372,51(€ 616.862,51 -
€ 82.124,00 - € 34.366,00) wordt derhalve als onvoldoende gemotiveerd betwiste vermogenscomponent opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [17]
6.5.6
Bankrekening in [land 3]
Uit gegevens ontvangen naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan [land 3] is geconstateerd dat zowel een diamantair uit [plaats 7], [persoon 6] (bijnaam “[bijnaam persoon 6]”) [18] als eerdergenoemde [persoon 1] diverse bankrekeningen heeft geopend bij met name een bank genaamd [bank 1] (voorheen [bank 2]) in [plaats 8] ([land 3]). Vanaf deze rekeningen werden direct of indirect (ook via rekeningen van [persoon 1] in [land 4]) diverse keren grote bedragen overgeboekt naar [land 1] en [land 2] welke ten behoeve van investeringen in vastgoed ten bate van de betrokkene zijn aangewend. Bij [bank 1] is een doorzoeking gedaan en zijn diverse medewerkers onder wie twee directeuren aangehouden ter zake van witwassen.
Op de eerder genoemde Excel-lijst, die in het appartement van [zus] in [plaats 1] werd aangetroffen, staat een bedrag genoemd in relatie tot de [nationaliteit 3] bankrekening van € 1.900.000,00:
Op welke bankrekening(en) het bedrag van € 1.900.000,00 terecht is gekomen, op naam van welke (rechts)perso(o)n(en) en bij welke bank, is geen zicht gekregen. In ieder geval niet op naam van de betrokkene, aangezien hij diverse keren in zijn communicatie zegt:
“Daar komt mijn naam ook niet in voor...”. [19] Over het exacte bedrag van € 1.900.000,00 wordt in het onderstaande OVC-gesprek van 20 januari 2011, opgenomen tussen 09:11:34 en 11:40:27 uur, gesproken, waaraan o.a. de betrokkene en [persoon 8] deelnamen:
“(…)
[verdachte]: ik heb er ook 4 ton ingetikt
[persoon 8]: omdat het geen UBO is [verdachte]
[verdachte]: het is niet zo dat ,„NTV, maar voorlopig hangen [persoon 4] en ik er wel in voor 3 miljoen zo meteenkomt er 1.9 miljoen terug en daar gaat geld naar toeen daar en wij dan?, wat gaat er met ons geld gebeuren. wat gaat er met ons geld gebeuren?
[persoon 8]: Maar wacht effe ik maak, ik heb geld er wit ingestoken
...en....
[verdachte]:... Plus ik heb die man 50 ruggen moeten gevenzodat justitie, zodat het in [land 3] blijftten tweede heb ik of wij, hebben we dat moeten doen want als die man gaat babbelen gaan we nog effe het hok in. Zijn we voor drie miljoen weg en voor witwassen effe het hok in gaan en dan kan je
...en....
[verdachte]: dan noem je alleen maar dingen op, wat jullie zelf hebben, heb je zelf wel eens gezien,
hoeveel energie ik er in heb gestopt,hoeveel keer ik naar [land 3] gevlogen ben, hoeveel keer ik naar [land 5] ben geweest. Wij hebben ook alles gedaan
[persoon 8]: Dat weet ik
...en....
[verdachte]: Daar gaat het helemaal niet om, Het is wel zo netjes dat er op zijn minst nog een beetje overleg is, iedereen wordt maar betaald en onze kosten dan? Dan praat ik nog niet eensdat ik wel 30 keer naar [land 3] gevlogen benen effe daar heen en daar heen, ja, hotelletje hier, hotelletje daar.” [20]
Nu uit de hiervoor weergegeven inhoud van de bij de zus van de betrokkene aangetroffen Excel-lijsten, die het hof – zoals hierboven onder 6.2 gemotiveerd - betrouwbaar acht, blijkt dat drie personen – te weten: de betrokkene, [persoon 7] en [persoon 4] – betrokken zijn geweest bij de bedoelde [nationaliteit 3] bankrekening, zal het hof in het voordeel van de betrokkene de investering van € 1.900.000,00 delen door drie - ofwel
€ 633.333,33- als onvoldoende gemotiveerd betwiste vermogenscomponent opnemen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [21]
6.5.7
Lening aan [persoon 9] en [persoon 10]
Op eerder genoemde Excel-lijsten, aangetroffen in het appartement van [zus] in [plaats 1], staat een door de betrokkene aan [persoon 9] en zijn partner [persoon 10] verstrekte lening beschreven voor een totaalbedrag van € 465.750,00. Betreffend bestand zat in een ordner met opschrift “[verdachte] privé”. Het Excel-bestand dateert volgens opschrift van 27 juli 2008.
[persoon 9] en [persoon 10] hebben ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat zij geen geld van de betrokkene hebben geleend. Nog daargelaten dat zij bij die verklaring een direct persoonlijk belang hebben, gelet op hun eventuele terugbetalingsverplichting richting de betrokkene, worden hun verklaringen ten aanzien van de lening als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Die verklaringen worden namelijk weersproken door voormeld Excel-bestand en onderschepte telefoongesprekken tussen de betrokkene en zijn zus [zus] op 17 september 2010.
Het hof acht, zoals hiervoor onder 6.4.2 is overwogen, wel aannemelijk dat [partner] een arbeidsovereenkomst met [café 1] en [café 2] had en dat voormelde lening door [persoon 9] en [persoon 10] dus niet werd terugbetaald door middel van fictieve salarisbetalingen. De salarisbetalingen aan [partner] zijn, in het voordeel van de betrokkene, voor een bedrag van € 101.900,00 als legale ontvangsten in aanmerking genomen.
Een totaalbedrag van
€ 465.750,00wordt derhalve als onvoldoende gemotiveerd betwiste vermogenscomponent opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [22]
6.5.8
Investering [locatie 1] te [plaats 6]
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek van de Belastingdienst/FIOD werden op 6 april 2010 een aantal panden en objecten doorzocht die in gebruik waren bij [persoon 11]. Daarbij werden bescheiden en aantekeningen aangetroffen die wijzen op een nauwe betrokkenheid van de betrokkene bij de aankoop en verkoop van de appartementen op het complex van [locatie 1] in [plaats 6] evenals zijn investering daarin.
Onder andere werd onderstaand stuk aangetroffen waarop staat vermeld dat de betrokkene, ‘[verdachte]’, een bedrag van
€ 400.000,00 heeft betaald.
Dat de betrokkene het bedrag van
€ 400.000,00in twee delen vanaf een [nationaliteit 3] bankrekening heeft overgemaakt naar de bouwer van het project is aannemelijk gelet op onderstaand OVC-gesprek van 2 september 2011, tussen 11.09 uur en 13.19 uur, tussen de betrokkene en zijn zakenpartner tevens (jeugd)vriend [persoon 14]:
“(…)
[verdachte]:Ehh 400 ruggen in de ehh in de ehhe in [locatie 1]...ehh wat ik over geboekt heb
[persoon 14]: Dat hebben ze, daar hebben ze mij ook naar gevraagd he naardie boekingen die 2 keer 200.000.. klopt dat
[verdachte]: Ja..
[persoon 14]: ..die hebben ze mij laten zien
[verdachte]: Ja ...ja..
[persoon 14]: Zegt deze overboeking jou iets...die lieten ze aan mij zien 2 keer 200.000
[verdachte]: Ja die heeft die [bijnaam persoon 1] ook overgeboekt.. ja
[persoon 14]: Ja...
[verdachte]:Daar komt mijn naam ook niet in voor...
[persoon 14]: En waarvandaan heeft hij die dan overgeboekt...ook [land 3]
[verdachte]:Ja [land 3] ja
[persoon 14]: Van van wat voor rekening dan..ntv..
[verdachte]: ...ntv...rekening zijn...ntv.....nou....dar kunnen ze ook niets mee...maar...alleen ik ben het kwijt...want ze leggen daar beslag op want ze denken dat het van hem is
[persoon 14]: Dat hebben ze beslag op dat hij 400...ntv.. want ze denken dat het van hem is
[verdachte]: Ja ja.....dus die moet hij me ook terug betalen...”
Derhalve wordt een bedrag van
€ 400.000,00als onvoldoende gemotiveerd betwiste vermogenscomponent opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [23]
6.5.9
Investering [bedrijf 10] te [plaats 9]
Uit voormeld strafrechtelijk onderzoek tegen [persoon 11] is naar voren gekomen dat de betrokkene minimaal een bedrag van € 500.000,00 heeft geïnvesteerd in een [bedrijf 10] genaamd [bedrijf 10] in [plaats 9].
Op 23 februari 2009 werd door de [bank 3] een betaling ontvangen van € 500.000,00. Deze betaling was afkomstig van [bedrijf 11] vanaf een rekening bij de [bank 2] (nu [bank 1]) te [plaats 8] ([land 3]) met als omschrijving: “PROJECT [plaats 9] HET WOLD [bedrijf 10] VAN [bedrijf 12]”.
Op 2 augustus 2010, om 10.44 uur, heeft de betrokkene een telefoongesprek gevoerd met [persoon 5] waarin het volgende wordt gezegd:
“(…)
[persoon 5]:Over dat hoe het het in [plaats 9] he. Dat eetding wat daar (ntv). Daar zit natuurlijk ook een godsvermogen in.
[verdachte]: Ja, daar zit van jou een half in, een half miljoen of zo.
[persoon 5]: Ja daar heeft hij helemaal niet over gesproken, helemaal niets over los gelaten. misschien (ntv) ik was het zelf eigenlijk ook vergeten
(…)”.
In een OVC-gesprek op 2 september 2011, tussen 11:09 en 13:19 uur, waaraan de betrokkene en [persoon 14] deelnamen, wordt het volgende gezegd:
“(…)
[persoon 14]: Dat was een overboeking van ...500 he
[verdachte]:500 ruggen voor dat [bedrijf 10]..is dat geweest
[persoon 14]: Waar is die vandaan gekomen
[verdachte]:[land 3]...
[persoon 14]: Maar dat kunnen ze niet meer terug vinden?
[verdachte]: .....ntv.... van jou hebben we dat op die [bijnaam persoon 1] overgeboekt. .ntv dat duurde toch en dat duurde toch weet je nog toen hebben we nog toen hebben we die [bijnaam persoon 1] toch ja ehh toch steeds bozer en bozer en bozer omdat hij dat niet overboekte dat het gewoon drie...
[persoon 14]: Er is ...dus er is zeg maar 500..
(…)
[verdachte]: Die is naar dat [bedrijf 10] gegaan toch...
[persoon 14]: Ja maar waar waar is dat geld...
[verdachte]:Die is naar dat [bedrijf 10] gegaan
[persoon 14]: Ja maar dat [bedrijf 10] bestaat dat dat
[verdachte]:jawel er is 500 ruggen in dat [bedrijf 10]
...en....
[verdachte]: Ja dat is..dat wordtzit nog steeds in dat [bedrijf 10]..
[persoon 14]: Ja maar op welke rekening staat het.. bij die notaris ofzo
[verdachte]:Nee dat is betaald aan die, aan die eigenaar van die van die [bedrijf 10]. Dat is gekocht.. dat is... die die [bedrijf 10] staat nou op die, op die zoons z'n op die zoons
Gezien het vorenstaande wordt een bedrag van
€ 500.000,00als onvoldoende gemotiveerd betwiste vermogenscomponent opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [24]
6.5.10
Investering [adres 3] te [plaats 9] woning [zus]
Uit het SFO is naar voren gekomen dat onderstaande personen en bedrijven onderdeel uitmaken van het financiële netwerk van de betrokkene:
- [ persoon 15] was aandeelhouder van een [nationaliteit 2] vennootschap genaamd [bedrijf 13]. Deze vennootschap werd door de betrokkene gebruikt om zijn vermogen en handelingen te verhullen. In relatie tot deze vennootschap zijn diverse in- en uitgaande betalingen aangetroffen op de bankrekening van [bedrijf 14];
- [ bedrijf 15] is een autobedrijf dat in [land 8] is gevestigd op naam van de in de strafzaak medeveroordeelde [persoon 16].
Het bedrijf stond echter feitelijk onder leiding van de betrokkene. Uit OVC-gesprekken blijkt dat de betrokkene veel geld heeft geïnvesteerd in dit autobedrijf.
Uit verstrekte gegevens van de derdengeldrekening van de betrokken notaris in [plaats 9] komt naar voren dat op 18 oktober 2006 een totaalbedrag is ontvangen van
€ 306.973,01, verspreid over in totaal zeven separate betalingen. Deze betalingen waren afkomstig van
[bedrijf 14] en deze betalingen hadden als omschrijving: “lening [zus] (t.n.v. [persoon 15])”.
Tevens is uit verstrekte bankafschriften van [bedrijf 14] naar voren gekomen dat op 16 oktober 2006 door [bedrijf 15] een bedrag van € 150.000,00 werd gestort en op 18 oktober 2006 nog eens een contant bedrag van € 56.000,00, omdat op de desbetreffende bankrekening van [bedrijf 14] de liquiditeit voor de storting op 18 oktober 2006 ontbrak.
Er zijn geen stukken aangetroffen met betrekking tot de lening van [persoon 15] aan [zus] van € 306,973,01 waaruit blijkt dat zekerheid is gesteld voor die lening. Evenmin is gebleken dat er afbetalingen/rentebetalingen op deze lening zijn verricht door [zus]. Deze waren in ieder geval niet op haar bankrekeningen zichtbaar, noch op de bankrekeningen van [persoon 15].
Aangezien [zus] niet over een dergelijk groot bedrag kon beschikken, is het gelet op de hierboven weergegeven bevindingen aannemelijk dat het geld voor de financiering van [adres 3] in [plaats 9] afkomstig is van de betrokkene.
Gezien het vorenstaande wordt een bedrag van
€ 306.973,01als onvoldoende gemotiveerd betwiste vermogenscomponent opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [25]
6.5.11
Investering [adres 4] te [plaats 9] woning [ex-partner]
Uit telecom- en OVC-gesprekken is naar voren gekomen dat de betrokkene feitelijk een bedrag van in ieder geval
€ 50.000,00 heeft geïnvesteerd in het verbouwen van de bovenverdieping van de woning van zijn ex-vrouw [ex-partner] ten behoeve van het realiseren van een appartement voor hun dochter [dochter].
Tijdens een doorzoeking in de woning aan het adres [adres 4] te [plaats 9] is geconstateerd dat de bovenverdieping van de woning afweek van andere woningen in hetzelfde rijtje en dat er inderdaad een appartement was gerealiseerd waarbij zichtbaar gebruik is gemaakt van kwaliteitsmaterialen. Daarnaast was een aantal van deze materialen (toiletpotten, wasbakken, etc.) identiek aan de materialen die gebruikt waren in het appartement van [dochter] in voornoemd vastgoedproject [locatie 1] te [plaats 6] en haar appartement in [plaats 5].
Het gaat volgens het rapport om onderstaande bedragen:
Omschrijving
Bedrag
Verbouwing
€ 50.000,00
Inrichting
€ 46.140,68
Woning
€ 0,00
Contante stortingen bankrekening [ex-partner]
€ 30.634,85
Totaal
€ 126.775,53

Verbouwing ad € 50.000,00
In een OVC-gesprek van 31 januari 2010, dat is opgenomen in de [adres 5] te [plaats 10], tussen de betrokkene en zijn dochter [dochter] wordt gezegd:
“[verdachte]: Ik heb nou eenmaal een druk leven, ik moet nou eenmaal hard werken,
[dochter]: Dat weet ik.
[verdachte]: Ja, maar 't is allemaal niet, je weet zelf hoe duur het hele leven is, hé Het huis in [plaats 9] heb ik voor je,helemaal, 50.000 euro gekost, die hele geile kutverbouwing daar in [plaats 9]
[dochter]: Dat waardeer ik ook allemaal.
(…)”

Inrichting ad € 46.140,68
Voor de inrichting van de woning aan [adres 4] in [plaats 9] wordt een bedrag van € 46.140,68 (totaalbedrag factuur van € 47.324,73 verminderd met het bedrag voor een niet geleverde lamp ad € 1.184,05 = € 46.140,68) als uitgave meegenomen. Deze uitgave gedaan uit naam van [bedrijf 1] is hier ondergebracht en niet in de hierna te bespreken paragraaf ‘[bedrijf 1] te [plaats 1]’, zodat geen sprake is van een dubbeltelling van deze post.

Contante stortingen bankrekening [ex-partner] ad € 30.634,85
Per februari 2010 ontving [ex-partner] van [bedrijf 1] via de Nederlandse bankrekening van de betrokkene maandelijks een alimentatiebedrag van € 750,00. Deze alimentatiebedragen, van in totaal € 30.634,85, zijn in het rapport reeds als uitgaven verwerkt in het deeldossier [bedrijf 1] te [plaats 1] (hierna ook: [bedrijf 1]). In verband met het risico van dubbeltelling met de investering in [bedrijf 1] (zie paragraaf 6.5.12) zullen, in het voordeel van de betrokkene, de door hem gedane contante stortingen aan [ex-partner] in het geheel buiten beschouwing worden gelaten.
Conclusie
Gezien het vorenstaande wordt een bedrag van
€ 96.140,68(€ 50.000,00 + € 46.140,68) als onvoldoende gemotiveerd betwiste vermogenscomponent opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [26]
6.5.12
[bedrijf 1] te [plaats 1]
Volgens het handelsregister zouden de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] bestaan uit het in de [land 6] ([plaats 1]) kopen van auto's, deze exporteren naar [land 8] en deze vervolgens in [land 8] invoeren. Er zijn via dit bedrijf wel auto’s geïmporteerd en geëxporteerd, maar van een reguliere handel en klanten was geen sprake. Er was namelijk geen bedrijfspand en/of showroom, een boekhouding ontbrak en de inkoopbedragen op facturen waren vaak hoger dan de verkoopbedragen, daar waar deze al te achterhalen waren. Vermoedelijk is [bedrijf 1] gebruikt om door middel van de autohandel crimineel verkregen vermogen wit te wassen.
Het rapport gaat uit van onderstaande uitgaven:
Investering in [bedrijf 1]: € 1.674.284,48
Aan huur voor het safehouse van
de betrokkene is door [bedrijf 1] betaald: € 10.000,00
Aan salariskosten is door [bedrijf 1]
betaald:
Tbv de betrokkene € 146.081,00
Tbv [zus]
(zus van de betrokkene) € 160.073,50
[moeder]
(moeder van de betrokkene) €
116.338.00
Totaal betaald aan salarissen € 422.492,50
Diverse overboekingen door [bedrijf 1]
€ 55.184,10 +
Totaal € 2.161.961,08
Zoals hiervoor reeds is overwogen, is in het appartement van [zus] in [plaats 1] een Excel-lijst aangetroffen in de map “[verdachte] privé”. Uit deze lijst valt op te maken dat de betrokkene kennelijk tot 27 juli 2008 een bedrag van € 1.674.284,48 heeft geïnvesteerd in [bedrijf 1].
Ondanks dat de verdediging (bij conclusie van antwoord) heeft gesteld dat de betrokkene hierover nader zal verklaren en stukken zal nazenden voorzien van een toelichting, is niets meer vernomen.
In verband met het risico van dubbeltelling zullen, in het voordeel van de betrokkene, bovenstaande door [bedrijf 1] betaalde bedragen en overboekingen buiten beschouwing worden gelaten.
Gelet hierop wordt een bedrag van
€ 1.674.284,48,waarover de betrokkene geen nadere uitleg heeft willen geven, als onvoldoende gemotiveerd betwiste vermogenscomponent opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [27]
6.5.13
[bedrijf 16 te [plaats 1]
De activiteiten van [bedrijf 16]zouden hebben bestaan uit de handel (in- en verkoop) in dure horloges. Hoewel het op het moment van oprichting van deze vennootschap wellicht de bedoeling was om echte handelsactiviteiten te ontplooien, zijn daar in het SFO geen aanwijzingen voor gevonden en is de rechtspersoon [bedrijf 16] kennelijk alleen gebruikt om bepaalde geldstromen te verhullen, zoals de aankoop van een appartement voor de dochter van de betrokkene en het laten betalen van “salaris” aan [zus partner], de zus van [partner].
Voor de uitvoering van deze overboekingen c.q. betalingen via [bedrijf 16] was de zus van de betrokkene [zus] doorgaans verantwoordelijk, in opdracht en onder regie van de betrokkene.
Op de eerder genoemde Excel-lijst, aangetroffen in het appartement van [zus] in [plaats 1], staat op 13 oktober 2008 onder andere een bedrag van € 1.847.784,00 onder vermelding van ‘[bedrijf 17]’. Eigenaar van eenmanszaak ‘[bedrijf 17]’ is eerder genoemde [persoon 14]. [bedrijf 17] is in 2008 gestart. De activiteiten van [bedrijf 17] bestaan uit de handel in kostbare en exclusieve horloges.
Echter, in OVC-gesprekken van latere data (11 april 2011, 2 september 2011 en 12 september 2011) heeft de betrokkene het over zijn investering in de “klokkenhandel” en noemt hij daarbij een bedrag van
€ 1.300.000,00. Dit bedrag wordt door [persoon 14] bevestigd. Vanwege het feit dat de OVC-gesprekken van een recentere datum zijn dan de Excel-lijst, wordt in het voordeel van de betrokkene uitgegaan van het bedrag van
€ 1.300.000,00.
Behalve deze investering zijn door de betrokkene ook nog andere uitgaven via [bedrijf 16]gedaan voor onder andere:
- salarisbetalingen aan [zus partner] voor een totaalbedrag van
€ 32.000,00;
- een [auto] waarvoor in totaal (aanschaf, verzekering en onderhoud) een bedrag van
€ 161.375,00is betaald;
- stortingen op de creditcard van [partner] voor een totaalbedrag van
€ 101.017,95;
- aanschaf van een Damian Hirst boek met een aantal etsen en schilderijen van in totaal
€ 95.000,00;
- overboekingen naar Casabella
(€ 3.000,00) en Harrods
(€ 300.000,00).
Aangezien de betaling van € 300.000,00 aan Harrods voor de aankoop van (Rolex) horloges, in de investering van
€ 1.300.000,00 in de “handel in klokken via [bedrijf 16]en/of [bedrijf 17]” begrepen zou kunnen zijn, wordt dit bedrag in het voordeel van de betrokkene niet meegenomen als aparte uitgave om dubbeltelling te voorkomen.
De totale uitgaven van de betrokkene via [bedrijf 16] komen daarmee op een bedrag van
€ 1.692.392,95, welk bedrag als onvoldoende gemotiveerd betwiste vermogenscomponent wordt opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [28]
Overige bedragen op Dubai-lijsten (Excel-lijsten aangetroffen bij [zus])
De hieronder opgenomen tabel maakt, voor zover relevant, deel uit van lijsten die kennelijk met het softwareprogramma Microsoft Office Excel zijn gemaakt en die in beslag zijn genomen tijdens een doorzoeking op 15 november 2011 in het door [zus] bewoonde appartement in [plaats 1]:
De tevens blijkens het rapport in de tabel opgenomen post “Uit zaak retour (voorgeschoten [verdachte])” zal het hof ten voordele van de betrokkene buiten beschouwing laten nu het rapport naar het oordeel van het hof onvoldoende concrete informatie bevat om die aldus omschreven post ten bedrage van € 2.737.800,00 te kunnen duiden teneinde deze ten laste van de betrokkene in de voordeelsontneming te betrekken en er -bij toerekening aan de betrokkene- tevens risico op dubbeltelling kan bestaan.
Ten aanzien van de overige posten geldt dat de daarop vermelde diverse uitgaven niet in één van de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Hoewel de informatie summier is, zijn er (bij)namen van personen genoemd die binnen onderzoek Fotino zijn geïdentificeerd. Daarnaast is de informatie uit de lijsten te herleiden aan feiten en omstandigheden in concrete zaken.
Zo blijkt dat de gegevens overeenkomen met notariële gegevens en diverse communicatie waarbij de betrokkene is betrokken.
Verder worden bedragen die op de Dubai-lijsten voorkomen teruggevonden op bankafschriften en/of verklaren derden hierover en/of zijn er aantekeningen van derden aangetroffen die geheel of gedeeltelijk overeenkomen met de informatie op de Dubai-lijsten. Bovendien heeft de betrokkene met betrekking tot deze posten geen verklaring willen afleggen en is ter terechtzitting in hoger beroep geen verweer gevoerd.
Het totaalbedrag dat op basis van de in de hierboven weergegeven tabel genoemde posten in de berekening wordt betrokken bedraagt
€ 9.538.596,60. [29]
Resumé - tussenconclusie vermogensbestanddelen en uitgaven
Het vorenstaande in paragraaf 6.5 overwogene leidt tot de volgende tussenconclusie ten aanzien van betrokkenes vermogensbestanddelen en uitgaven:
Omschrijving
Bedrag
Bankrekening [plaats 1]
€ 7.000.000,00
Investering in hotel in [land 2]
€ 1.253.333,00
Investering onroerend goed in [land 1]
€ 6.610.783,13
Aankoop [adres 1] te [plaats 5]
€ 140.000,00
Aankoop [adres 2] te [plaats 6]
€ 500.372,51
Bankrekening [land 3]
€ 633.333,33
Lening aan [persoon 9] en [persoon 10]
€ 465.750,00
Investering [locatie 1] te [plaats 6]
€ 400.000,00
Investering in [bedrijf 10] te [plaats 9]
€ 500.000,00
Investering [adres 3] te [plaats 9]
€ 306.973,01
Investering [adres 4] te [plaats 9]
€ 96.140,68
[bedrijf 1] te [plaats 1]
€ 1.674.284,48
Horlogehandel [bedrijf 16] te [plaats 1]
€ 1.692.392,95
Overige bedragen op Dubai-lijsten
€ 9.538.596,60
Subtotaal resumé
€ 30.811.959,69
6.6
Overige uitgaven en investeringen
Investering in inbeslaggenomen partij van 135 kilogram cocaïne
Bij vonnis in de onderliggende strafzaak is de betrokkene door de rechtbank onder andere veroordeeld wegens het medeplegen van het voorhanden hebben van een partij cocaïne. Twee anderen ([persoon 4] en [persoon 3]) zijn vanwege deze zaak op 18 februari 2011 in [land 7] aangehouden en ieder tot 12 jaar gevangenisstraf veroordeeld.
Uit het zaaksdossier komt naar het oordeel van het hof – zoals ook door de rechtbank is overwogen - een beeld naar voren van gelijke verantwoordelijkheid en belangen met betrekking tot deze partij cocaïne tussen de betrokkene en [persoon 4] daar waar het gaat om de investering in deze partij cocaïne. Uit het dossier komt naar voren dat de betreffende partij vermoedelijk eind 2010 door de criminele organisatie van de betrokkene is ingekocht. Volgens het UNDOC World Drug Report 2012 [30] was de gemiddelde groothandelsprijs in [land 7] in 2010 US$ 947,00 per kilogram ofwel € 725,00 (afgerond tegen de toenmalige gemiddelde koers van ca. 0,7657 euro voor 1 US$). Dit betekent dat een totale investering heeft plaatsgevonden voor deze partij cocaïne van 135 x
€ 725,00 = € 97.875,00. Hiervan wordt in de onderhavige berekening, nu terzake geen andersluidend aannemelijk standpunt is ingebracht, 50% toegerekend aan de betrokkene, dus een bedrag van
€ 48.937,00. [31]
Afpersing van de betrokkene
Met betrekking tot deze uitgave-post overweegt het hof ambtshalve dat uit de zaak [naam 5]/Nederland [32] volgt dat artikel 6 lid 2 EVRM zich verzet tegen het ontnemen van voordeel verkregen uit feiten waarvoor de betrokkene is vrijgesproken. Deze rechtspraak is evenwel in casu niet van toepassing nu het hier gaat om de vraag of en zo ja welke betalingen door de betrokkene zijn gedaan.
Naar het oordeel van het hof is op grond van de ontnemingsrapportage aannemelijk geworden dat de betrokkene in elk geval € 7.500.000,00 heeft betaald. Of de betrokkene dat bedrag heeft uitgegeven wegens een afpersing of om een andere reden is in het kader van de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel in de onderhavige zaak moet worden geschat rechtens niet relevant.
Dat de betrokkene, in verband met een mislukte verdovende middelen transactie, een bedrag van € 7.500.000,00 heeft betaald acht het hof met de rechtbank aannemelijk op grond van het OVC-gesprek van 31 januari 2011 waarin de betrokkene aan het woord is:
“Is weg.En we voor 7½ miljoen afgeperst”.
Gelet op dit gesprek, waarover de betrokkene geen uitleg heeft willen geven, is het aannemelijk dat een uitgave van in totaal € 7.500.000,00 is gedaan, waarvan het hof in het voordeel van de betrokkene - gelet op het gebruik van het woord “we” – de helft, zijnde een bedrag van
€ 3.750.000,00, aan hem toerekent. [33]
6.6.3
Verduistering door [persoon 1]
Zoals hiervoor reeds is overwogen, moesten de contante gelden van de betrokkene giraal worden gemaakt om het voor hem mogelijk te maken investeringen te doen in vastgoedprojecten in [land 8], [land 1] en [land 2]. Dit giraal maken van de contante gelden ging over meerdere schijven. [persoon 6] (“[bijnaam persoon 6]”) heeft hierover verklaard dat [persoon 1] (“[bijnaam persoon 1]”) hem contante euro’s, afkomstig van de betrokkene, aanbood en dat hij deze contanten over collega-diamantairs verdeelde, die de contanten op hun bankrekening stortten. Vervolgens schrijven de diamantairs giraal gemaakte contante bedragen over naar voornamelijk de [nationaliteit 3] bankrekening van het bedrijf [bedrijf 11] waarvan [[persoon 6] de ‘ultimate beneficial owner’ (belanghebbende) is. In opdracht van [persoon 1] maakt [persoon 6] geld over van [bedrijf 11] naar [nationaliteit 3] bankrekeningen van bedrijven van [persoon 1] of direct aan begunstigden van projecten van de betrokkene. Vanaf de bankrekeningen van bedrijven van [persoon 1] wordt het geld overgeboekt naar bankrekeningen van [persoon 1] in [land 4] of in sommige gevallen direct aan begunstigden van projecten van de betrokkene. Vanaf bankrekeningen van [persoon 1] in [land 4] worden (ook) begunstigden van projecten van de betrokkene betaald. [34]
Uit PING-berichten [35] en OVC-gesprekken komt naar voren dat [persoon 1] gelden van de betrokkene heeft verduisterd ter grootte van een bedrag van € 7.000.000,00. Dit bedrag is door de betrokkene aan [persoon 1] ter beschikking gesteld om onder andere investeringen in vastgoed te doen.
Illustratief in dit verband zijn onderstaande PING-berichten, waarin de betrokkene de gebruiker is van het PING-nummer [pingnummer 1], genaamd ‘[pingnaam 1]’, en OVC-gesprekken:
Onderstaand OVC-gesprek van 3 januari 2011, vanaf 15.22 uur, tussen de betrokkene, [persoon 4] en [persoon 17]:
“[verdachte]: Ik zeg moet je luisteren zelfde persoon zijn mijn zaken niet
[persoon 4: Nee
[verdachte]: Mijn zaak is gewoon op enig moment ntvdie 7 miljoen die die ntv en dat andere geld hebben jullie persoonlijk met mijn vriend geregeld. Daar ga ik me ook niet te veel in mengen weet je
[persoon 4]: Nee, moet je ook niet doen.”
Vervolgens voert de betrokkene kennelijk een telefoongesprek met [persoon 1]:
“[verdachte]: O that's nice, perfect Thank you for calling [persoon 1] [37] . I’m verry happy. You to
Direct na dit telefoongesprek zegt de betrokkene:
“[verdachte]:7 miljoen gejat van mij
[persoon 17]: Hij
[verdachte]: Moet ik nog aardig tegen hem doen ook”
En onderstaand OVC-gesprek van 31 januari 2011, vanaf 15.07 uur, tussen de betrokkene, [persoon 18] en [persoon 4]:
“(…)
[verdachte]: [bijnaam] wil alleen maar informatie.
[persoon 18]: Hij heeft het over iets van 26 miljoen of zo?
[verdachte]: Ja, dat is dat geld wat hij op die rekening gezet heeft.We zijn al 7 miljoen kwijt, [persoon 4] en ik.
[persoon 4]: Ja, ja.
[verdachte]: Is weg. En we voor 7 ½ miljoen afgeperst
[persoon 18]: Dat zijn wel aardige tikken die je dan krijgt natuurlijk.”
Gelet op vorenstaande gegevens, waarover de betrokkene geen uitleg heeft willen geven, is het aannemelijk dat in totaal een bedrag van € 7.000.000,00 aan [persoon 1] in contanten is overgedragen. Ten voordele van de betrokkene rekent het hof ook dit bedrag voor de helft aan de betrokkene toe, zodat een bedrag
€ 3.500.000,00in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgave wordt meegenomen. [38]
6.6.4
Sweet sixteen party’s ten behoeve van twee kinderen van de betrokkene
Het bedrag van
€ 51.364,05 [39] voor de Sweet sixteen party’s ten behoeve van twee kinderen van de betrokkene is door de verdediging in het geheel niet betwist en wordt dus als contante uitgave opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [40]
6.6.5
Uitgaven voor advocaten en familieleden van medeverdachten
De betrokkene heeft direct na de aanhouding van [persoon 19] en [persoon 20] in [land 9] en [persoon 4] en [persoon 3] in [land 7] actie ondernomen om de advocaten van deze personen te betalen. Het bedrag aan advocaatkosten is als volgt opgebouwd:
Omschrijving
Bedrag
Voor de betrokkene zelf
€ 12.500,00
Voor [persoon 19]
€ 70.000,00
Voor [persoon 20]
€ 12.900,00
Voor [persoon 3] (en/of [persoon 4])
€ 30.000,00
Voor [persoon 4]
€ 48.750,00
Totaal
€ 174.150,00

Betalingen aan de advocaat van de betrokkene
In de bij [zus] in [plaats 1] aangetroffen en inbeslaggenomen bescheiden zijn twee betalingen aangetroffen aan [advocatenkantoor] te [plaats 10].
De eerste van
€ 7.500,00is gedaan vanaf de bankrekening van [partner] bij de [bank 4] in [plaats 1], rekening [rekeningnummer 1]. De betalingsopdracht (Fund Transfer Application) is kennelijk getekend door [zus]. De vermelde datum is 14 mei 2009. Het eerste opdrachtformulier vermeldt alleen de naam van de begunstigde bank te [plaats 10] met vermelding van het rekeningnummer.
Aangezien het salaris van [partner] op haar bankrekening bij de [bank 5] werd gestort, is het aannemelijk dat al het geld dat op de bankrekening van [partner] in [plaats 1] is terecht gekomen afkomstig is van de betrokkene.
Op 17 september 2011 wordt er een bedrag van
€ 5.000,00overgemaakt van de bankrekening van de betrokkene in [plaats 1] naar de bankrekening van [advocatenkantoor]. Ook deze overboekingsopdracht is kennelijk getekend door [zus].
Het bedrag van in
totaal € 12.500,00wordt gezien als een uitgave die indirect door de betrokkene is gedaan en zal als zodanig worden meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [41]

Betalingen aan de advocaat van [persoon 19]
De vader van [persoon 19] heeft verklaard:
“ [persoon 19] heeft mij aan de telefoon gezegd dat ik naar een hotel in [land 10] moest gaan, zijnde het [hotel 2] aan het [straat 2] in [plaats 11]. Daar zou iemand mij geld geven volgens [persoon 19].
Aldaar in het hotel werd ik aangesproken door een persoon die ik achteraf herken als de persoon op foto nummer 3 (dit betreft [persoon 16]).
(…)
Zoals op briefje aangegeven, was dit op 07 november 2011. Ik was daar alleen. Die persoon heeft mij€ 70.000 EURO cashgegeven. Hij zei mij dat dit voor de advocaat van [persoon 19] was.
(…)
Ik stortte dezelfde dag nog de70.000 EUROnaar [land 9] voor de advocaat van [persoon 19] .
De advocaat in [land 9] naar wie ik het geld stuurde is [persoon 21]. (…)”.
Dat de € 70.000,00 in contanten van de betrokkene afkomstig is, is aannemelijk aangezien [persoon 16] niet in een dusdanige financiële positie verkeerde dat hij € 70.000,00 uit eigen middelen kon betalen aan de ouders van [persoon 19]. Daarbij komt dat de betrokkene in een OVC-gesprek op 3 mei 2011 het volgende heeft gezegd:
“[verdachte]: Inmiddels is het allemaal wel een stukje makkelijker.Dat zie je nou met die advocaten, de ene advocaat na de andere, je loopt helemaal leeg daarop. Het is niet normaal jongen.
NN: NTV
[verdachte]:Die ouders van [persoon 19] (FON), die NTV, die zullen natuurlijk ook wel beginnen over geld.”
Gezien het vorenstaande is het aannemelijk dat de betrokkene, door tussenkomst van [persoon 16] en de ouders van [persoon 19],
€ 70.000,00heeft betaald voor de advocaten van [persoon 19]. [42]

Betalingen aan de advocaat van [persoon 20] [43]
Op 27 april 2011 is er een OVC-gesprek waaraan [persoon 16] en de betrokkene deelnemen waarin het volgende wordt gezegd:
“(...)
[persoon 16]. Via een contact in Amerika van hem is hij terecht gekomenbij een [nationaliteit 4] advocaat.
[verdachte]. Ja.
[persoon 16]. Van binnenlandse zaken had ie een lijst gekregen. Die advocaat zit bij hetzelfde kantoor als die van binnenlandse zaken staat.
[verdachte]. Ja.
[persoon 16]. Heeft ie goed contact mee, die man reageert ook snel met alles,..350 dollar per uur.
[verdachte]. Ja.
[persoon 16]. Heb jij nog wat onv....zittingsdagen kosten 4.500 dollar per dag
[verdachte]. Wat is dat?
[persoon 16]. Zittingsdag weet je, als je voor de rechtbank moet en die man moet daar daar de hele dag zijn. Maar hij dacht even amerikaanse dollars maarhet zijn [nationaliteit 4] dollars.
[verdachte]. Ja
[persoon 16]. Komt bij, wel gratis bezoeken zonder dat een deposit (fon) is gestort, dat gaat ie wel in gang zetten die man gelijk.
[verdachte]. Ja
[persoon 16].Maar we moeten wel 10.000 dollar gaan storten.
[verdachte]. Oke.
(…)
[persoon 16]. Hij gaat ook zorgen, dat als we storten, dat we een paar honderd dollar extra kunnen storten die de advocaat dan afgeeft aan [persoon 20](NG) of stort op zijn rekening, want anders moeten ze heel ingewikkelde papieren met een of ander bankding en alles, het is beter dat die advocaat zelf stort.
[verdachte]. Gewoon zo snel mogelijk tien rooien over maken.”
Op 3 mei 2011 is er een OVC-gesprek waaraan [persoon 22] en de betrokkene deelnemen waarin wordt gezegd:
“[verdachte]: Ja. NTV dat is toch geen geld?Nou.... tien (10) ruggen voor die advocaat van [persoon 20](NG). Ja... wat voor advocaat ntv...even dit dat.. nou vijf en twintig (25) ruggen weg.
[persoon 22]: NTV
[verdachte]:Ja [persoon 22] (NG) dat is veiligheid, voor veiligheid... Ik moet die jongens wel betalen, want als ik ze laat vallen, gaan ze misschien dat doen.
(…)
[verdachte]: Morgen zie ik die ouders van staart.
[persoon 22]: OK. Wel?
[verdachte]: Die advocaat heb z'n contact gekregen. Dan hoor ik misschien van hun wel... hoor ik wat meer.En die advocaat, die andere advocaat is bij uhhh... die daaro, die moest tien (10) ruggen, tienduizend (10.000) dollar hebben. Geregeld.
[persoon 22]: Vandaag?
[verdachte]: Vandaag.
[verdachte]: En uhh... die uhh.. die is bij hem geweest al. Ze hebben best wel een zware zaak tegen NTV en ze hebben uhh..
[persoon 22]: Wat hebben ze bij hem, alleen bezit of uh...
[verdachte]: Ze hebben hem helemaal gevolgd vanaf uhh...
[persoon 22]: Vanaf [plaats 12].”
Op 8 maart 2012 is [persoon 23] (zus van [persoon 20]) als getuige gehoord. Zij verklaarde:
“U hebt mij tijdens het vorige verhoor een foto laten zien van een man. Ik heb u toen gezegd dat ik hem wellicht wel eens gezien heb maar hem verder nog nooit echt ontmoet had. U vertelt mij dat hij [persoon 16] heet, dat wist ik niet.
Ik heb deze man wel eens ontmoet. Hij stond op of rond 9 mei 2011, in ieder geval voor 10 mei 2011, voor mijn deur. (…)
Hij vroeg aan mij of wij als familie geld hadden voor een advocaat voor [persoon 20]. Ik gaf hem aan dat we dit niet hadden. Hierop pakte hij een pak geld uit zijn zak en legde dit op tafel. (…)
Hij gaf aan dat dit geld was bedoeld om de advocaat van [persoon 20] te betalen. Hij zei tegen mij dat het 5.500 euro was. Hij zei tegen mij dat de familie de advocaat moest betalen met het geld dat ik van hem kreeg. Vrijwel meteen nadat ik het geld had gekregen is hij vertrokken. Toen hij weg was heb ik gelijk het geld geteld. Ik ben bijna honderd procent zeker dat het110 briefjes van 50 eurowaren.”
Gezien het vorenstaande is het aannemelijk dat een bedrag van 10.000,00 [nationaliteit 4] dollars is overgemaakt door of in opdracht van de betrokkene. Tegen de toenmalige koers van € 1,00 = [valuta] 1,34 was dat omgerekend en afgerond
€ 7.400,00.
Kennelijk is ook door [persoon 16]
€ 5.500,00in contanten overhandigd aan [persoon 23], als betaling voor de advocaten van [persoon 20]. Aannemelijk is ook dat dit geld afkomstig is van de betrokkene. Aannemelijk is dus dat in totaal een bedrag van
€ 12.900,00door de betrokkene is betaald ten behoeve van [persoon 20]. [44]

Betalingen aan de advocaat van [persoon 3] (en/of [persoon 4] [45] ) via [persoon 7]
In een OVC-gesprek van 29 juni 2011, tussen de betrokkene en [persoon 24], wordt gezegd:
“(…)
[persoon 24]: te bellen ?
[verdachte]: te contacten ja, het is eindelijk geregeld met die (slecht te verstaan), die advocaten, jongen wat een gevecht jongen
[persoon 24]: wat
[verdachte]: ja die gozer daar,die zou die 40 ruggen afgeven, maar dat is nog steeds niet gebeurd weet je, (ntv) lastig weet je nou heb ik contact gehad met die gozer en die heeft voor 100 procent beloofd, dat hij het zaterdag eh regelt. (ntv)
[persoon 24]: heeft hij het er heen gebracht? Of niet?
[verdachte]: nee, het ligt er allemaal al
[persoon 24]: Waarom brengt ie het niet dan
[verdachte]: Ja die man moest nog (ntv) ...een buurman /buurland (fon),
[persoon 24]: Maar heb hij het geld al
[verdachte]: Ja het geld is daar al
[persoon 24]: Maar heb hij dat geld al?
[verdachte]: ja die man, maar de advocaat nog niet, maar die advocaat begint lastig te worden, ik had [persoon 7] zijn vrouw had ik al aan de deur met een briefje, dat de advocaat niet geregeld was en eh...
(…)
[verdachte]: Dus (ntv) weet ik niet, dat komt van die telefoon van de [bijnaam 1 persoon 4], ze wisten dat een afspraak met advocaat, advocaat ..ntv..had afgelegd tijd en plek en alles had hij over de telefoon gezegd. Dus eh...ja net weer bij de vrouw van [persoon 7] geweest want die was ook weer aan de deur geweest...die advocaat...
[persoon 24]: Zijn eigen vrouw?
[verdachte]: Zijn eigen vrouw. Alles is geregeld woensdag ...ntv wordt het allemaal betaald, ..in principe moet alles geregeld zijn.”
Gelet op dit OVC-gesprek is het aannemelijk dat de betrokkene een bedrag van 40.000,00 heeft uitgegeven en verstuurd naar Zuid-Amerika ([land 7]), bedoeld als betaling voor de advocaten van [persoon 4] en/of [persoon 3]. Onbekend is om welke valuta het gaat. Aangezien de betrokkene over een betaling die hij op 23 februari 2012 deed sprak over 10 ruggen (hier over 40 ruggen en een rug = 1000) waarvan bleek dat dit US$ waren en er in [land 7] ook met US$ kan worden betaald, is het aannemelijk dat het hier ook om US$ gaat. Tegen de toen geldende koers is dit een bedrag van
€ 30.000,00. [46]

Betalingen aan de advocaat van [persoon 4]
Kort na de aanhouding van [persoon 4] en [persoon 3] op 18 februari 2011 in [land 7], wordt hierover tussen 22 februari 2011 en 25 februari 2011 uitgebreid gecommuniceerd.
Over en weer wordt tussen diverse partijen gesproken over diverse bedragen (400, 5000, 1000) waarvan wordt getracht deze over te boeken naar [land 7] voor [persoon 4].
Het lukt kennelijk niet om in één keer het beoogde bedrag van 10.000,00 te betalen. In onderstaand OVC-gesprek van 24 februari 2011 tussen [persoon 24] en de betrokkene, wordt het volgende gezegd:
“[persoon 24]:.. goh wat erg zeg voor die [bijnaam 1 persoon 4]
[verdachte]: NTV drie dagen ...geen oog dicht gedaan, helemaal aangeslagen
[persoon 24]: Als je hem er nou niet uit krijgt
[verdachte]:Als ik hem daar niet uit krijg weet ik niet of we hem ooit weer terugzien
[persoon 24]: dat we hem nooit meer terug zien
[verdachte]: Dat overleeft ie toch niet, hoe moet je nou overleven daar, het eerste wat ze daar kopen is van hun laatste geld een mes, heb je dat wel eens gezien die lik daar in [plaats 14], ik ben nou in een heel ver stadium, op het mensen rechterlijke kunnen we hem er uit trekken
[persoon 24]: ja
[verdachte]: kost wel wat maar dat komt wel goed Daar ben ik nu druk mee bezig ...Ben ook blij dat ik nu mook hier benBen volop met de advocaat bezig,... tis het slechtste wat je in je leven kan overkomen, daar dan, erger bestaat niet
[persoon 24]: en die broer ook
[verdachte]: ja
[persoon 24]: die krijg je er ook uit?
[verdachte]:ja, maar hoofdzaak is [persoon 4] natuurlijk, schijt aan die broer, als ik hem mee kan pakken, dan pak ik hem mee, maar weg komt ie dan nooit
[persoon 24]: Jij kan er niet meer heen?
[verdachte]: nee
(…)
[verdachte]:ik heb gisteren nog 10 ruggen moeten overboeken naar een advocaat.”
Dat het om dollars gaat leidt het hof af uit het gesprek van 22 februari 2011 tussen de betrokkene en [persoon 25] (broer van [persoon 4]) waarin de betrokkene zegt:
“geef alles maar even aan [persoon 16] door. [persoon 25]gaat [persoon 16] een sms sturen. sms met naam van de advocaat western union [plaats 14] en dan 10.000 us dollar dat ie dat regelt.”Omgerekend met de toen geldende koers was dit een bedrag van afgerond
7.500 euro.
Blijkens onderstaand telefoongesprek van 13 maart 2011 maakt [persoon 25] op of rond 13 maart 2011 een bedrag van
€ 11.250,00(US$ 15.000,00) over naar de advocaat van [persoon 4]. Gezien het feit dat de betrokkene wil dat [persoon 25] laat weten of het gelukt is, is aannemelijk dat dit geld feitelijk afkomstig is van de betrokkene. Van de rekening ([rekeningnummer 2]) van [persoon 25] komt het bedrag in ieder geval niet.
Telefoongesprek 13 maart 2011:
[persoon 16] vraagt of [persoon 25]die overboeking heeft gedaan.
[persoon 25]vraagt welke [persoon 16] bedoelt, naar die advocaat?
[persoon 16] vraagt het bij iemand bij hem op de achtergrond, hij vraagt hoeveel dat was.
De persoon op de achtergrond bij [persoon 16] is niet te verstaan.
[persoon 16] zegt vervolgens: van die 20.
[persoon 25]zegt dat hij 15.000,= dollar over heeft gemaakt naar die advocaat.
[persoon 16] zegt dat [persoon 25]even moet wachten. Vervolgens wordt de telefoon over gegeven aan 023 [verdachte] en heeft [verdachte] een gesprek met [persoon 25].
[verdachte] vraagt of [persoon 25]“hem” nog gesproken heeft.
[persoon 25]zegt dat “hij” drie keer heeft gebeld.
[persoon 25]zegt dat de nieuwe advocaat het over gaat nemen, die Engels talige.
(…)
[verdachte] zegt dat hij van de week bij de advocaat was en er moest nog een overboeking gebeuren...van 20.
[persoon 25]zegt dat hij er niks van weet, maar hij zal contact opnemen met [naam 7] / [naam 8] (fon).
[persoon 25]zegt dat het geen probleem is, ze kunnen gewoon overmaken. [persoon 25]zegt dat zijn vader ook een eigen dollarrekening heeft dus...
[verdachte] zegt een paar keer asl je dat wil doen... [verdachte] zegt dat hij dan morgen met [naam 9] (fon)
Als [persoon 25] hem dan dan even wil laten weten als dat gelukt is. Dat is goed. [verdachte] zegt dat zij gewoon zorgen voor eten/drinken en van alles. En dan hij daar comfortabel zit. [verdachte] zegt dat het verder allemaal prima verloopt.
[persoon 25]zegt dat ze het bespreken als hij terug is.
Blijkens onderstaand OVC-gesprek van 12 september 2011 is in de eerste week van september 2011 nogmaals een bedrag van 40.000,00 door de betrokkene verstuurd naar Zuid-Amerika ([land 7]) ten behoeve van de advocaten van [persoon 4] c.q. de omkoping van een rechter. Ook hierbij wordt ervan uitgegaan dat het een betaling van US$ is geweest en dat dit omgerekend
€ 30.000,00betreft.
In een OVC-gesprek van 12 september 2011, waaraan onder andere de betrokkene en [persoon 32] deelnemen, praat de betrokkene over betalingen die hij heeft gedaan ten behoeve van [persoon 4] als volgt:
“[persoon 32]: Rechter is omgekocht?
[verdachte]: ja die rechter is omgekocht en belangrijke papieren wegvorige week zijn er weer 40 ruggen die kant op gegaan, het is niet zo dat je ze een paar miljoen moet betalen, het is te overzien maar anders doe je ook dan,
[persoon 32]: ja
(…)”
Conclusie m.b.t. de betalingen aan de advocaat van [persoon 4]
Na de aanhouding van [persoon 4] zorgt de betrokkene er voor dat zijn advocaten in [land 7] worden betaald. In februari 2011 heeft hij
€ 7.500,00(US$ 10.000,00) over laten maken. In maart 2011 wordt er
€ 11.250,00(US$ 15.000,00) overgemaakt. In september 2011 is er nogmaals
€ 30.000,00(US$ 40.000,00) overgemaakt voor [persoon 4] (en/of [persoon 3]).
Het is dus aannemelijk dat in
totaaleen bedrag van
€ 48.750,00,door de betrokkene is uitgegeven ten behoeve van het betalen van kosten van rechtsbijstand voor [persoon 4] (en/of [persoon 3] ). [47]
Deze uitgave neemt het hof ten laste van de betrokkene mee in de voordeelberekening.
6.6.6
Autobezit in [land 8]/[land 1]/[plaats 1]
Hierna worden 19 auto’s beschreven waarvan bekend is geworden dat deze door de betrokkene zijn aangeschaft voor eigen gebruik, door hem zijn betaald maar bij anderen dan bij hem in gebruik zijn of op naam van anderen staan in [land 8], [land 1] en/of [plaats 1]. Het is aannemelijk dat de uitgaven voor deze auto's contant zijn gedaan dan wel per bank, maar dat daar een contante uitgave door de betrokkene aan ten grondslag lag.
Eerder genoemde [persoon 15] heeft twee auto’s van het merk Mercedes gekocht bij ‘[bedrijf 18]’ in [land 8] en deze vermoedelijk uitgevoerd naar [land 1]. Deze twee auto’s zijn vervolgens bij de betrokkene in [land 1] aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze twee auto’s zijn in deze paragraaf in de berekening meegenomen en niet in paragraaf 6.3.12 ‘[bedrijf 1] te [plaats 1]’. Er is dus geen sprake van een dubbeltelling.
Gelet op vorenstaande gegevens, waarover de betrokkene geen uitleg heeft willen geven en omtrent welke bedragen evenmin ter terechtzitting in hoger beroep een aannemelijk standpunt is ingenomen, acht het hof met de rechtbank aannemelijk dat de betrokkene een uitgave van in totaal
€ 776.051,63heeft gedaan ter zake van de aanschaf van auto’s. [48]
6.6.7
Uitgaven volgens telecommunicatie in de periode 25 juni 2010 tot en met 13 juli 2010
In genoemde periode zijn onderstaande telefoongesprekken over uitgaven gevoerd.
Ten voordele van de betrokkene brengt het hof de volgende posten in verband met het risico op dubbeltellingen op genoemd subtotaal van € 473.252,00 in mindering:
Porsche Panamera € 28.950,00
Zonwering woning
(vermoedelijk [adres 2]) € 12.000,00
Opknappen en inrichten flat
[adres 1] [dochter]
€ 10.000,00+
In mindering te brengen € 50.950,00
Aldus neemt het hof een bedrag van
€ 422.302,00 [49] mee in de voordeelsberekening, nu door of namens de betrokkene ook met betrekking tot deze posten geen verklaring aannemelijke verklaring is gegeven.
6.6.8
Verjaardagfeest van [zoon] op 16 april 2011
Het bedrag van
€ 4.300,00voor het verjaardagfeest van [zoon] is door de verdediging in het geheel niet betwist en wordt dus opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [50]
6.6.9
Keuken van [partner] aan de [adres 6] te [plaats 16]
Het bedrag van
€ 13.641,50voor genoemde keuken is door de verdediging evenmin betwist en wordt dus opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [51]
6.6.10
Uitgaven opleiding ten behoeve van de drie kinderen van de betrokkene in de periode 16 juni 2009 tot en met 5 juli 2011
Uit opgenomen en afgeluisterde (tele)communicatie alsmede uit in [plaats 1] aangetroffen stukken tijdens een doorzoeking op 15 november 2011, is gebleken dat de uitgaven voor de opleidingen van drie kinderen van de betrokkene - aan de [school 1] en aan [school 2] - ook door hem werden gedaan vanaf bankrekeningen op zijn eigen naam bij de [plaats 1] Bank. Deze bankrekeningen werden gevoed door contanten van de betrokkene die door zijn zus [zus] en anderen werden meegenomen naar [plaats 1] om daar op diverse rekeningen te worden gestort.
Het totaalbedrag van
€ 101.058,66wordt als onvoldoende gemotiveerd betwist opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [52]
6.6.11
Minimale kosten van levensonderhoud volgens het NIBUD vanaf 1 januari 2006 tot en met 15 november 2011
Het totaalbedrag van
€ 80.096,92is door de verdediging in het geheel niet betwist en wordt dus opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [53]
6.6.12
Loungestoelen appartement in gebruik bij de ouders van de betrokkene
Tijdens een doorzoeking in het appartement van de betrokkene in appartementencomplex [locatie 2] in [plaats 17] werd een bestelformulier van 2 mei 2007 aangetroffen voor levering van twee loungestoelen voor een bedrag van € 2.264,00 op naam van [vader] (de vader van de betrokkene). Aan dit bestelformulier zat een ontvangstbewijs voor een bedrag van € 1.000,00 als aanbetaling op de bestelling van de loungestoelen. Volgens een aantekening op de order lijkt de levering te zijn gedaan op 4 juni 2007. De aantekening luidt: “100% bet. 04/06/’07 geen bet. bew.ontv.” met een paraaf van de letters H en J. Gezien de aantekening is er kennelijk voor de restbetaling van € 1.264,00 bij aflevering geen ontvangstbewijs verkregen.
Gezien het feit dat het bestelformulier voor de loungestoelen zich in het appartement bevond waar de betrokkene zelf verbleef, terwijl de stoelen zich in één van zijn andere appartementen bevonden, is het aannemelijk dat de betrokkene ook voor deze loungestoelen heeft betaald.
Voor de uitgaven gemoeid met de aankoop van de loungestoelen wordt dan ook een bedrag van
€ 2.264,00, als onvoldoende gemotiveerd betwist, opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [54]
6.6.13
Uitgaven reizen via reisbureau [bedrijf 21]
Wanneer door de betrokkene, zijn gezin, familieleden en/of vrienden moest worden gereisd, dan werden de tickets hiervoor vrijwel altijd door eerder genoemde [persoon 16] geregeld. Uit opgenomen en afgeluisterde (tele)communicatie bleek dat hij deze tickets sinds 2009 boekte bij [bedrijf 21] reisbureau in [plaats 10]. In 2007 had de betrokkene zelf ook weleens een ticket bij [bedrijf 21] geboekt. Zonder uitzondering werden de reiskosten contant voldaan. Het gaat om de volgende bedragen:
Op 17 januari 2011 werd [persoon 16] aangehouden ter zake van overtreding van de Wet wapens en munitie en witwassen. Naast diverse vuurwapens werd tijdens de doorzoeking van zijn woning een factuur van 27 mei 2009 van reisbureau [bedrijf 21] aangetroffen. Deze factuur was gericht aan de betrokkene. De factuur vermeldt een boeking voor in totaal 18 met name genoemde personen in het [hotel 3] in [plaats 18], rondom de 39ste verjaardag van de betrokkene. De personen die in de boeking worden genoemd betreffen gezins- en familieleden en vrienden van de betrokkene. Het merendeel van het gezelschap maakt ook deel uit van zijn criminele organisatie. Het totaalbedrag van de factuur is € 14.094,00.
Uit bij [bedrijf 21] in beslaggenomen gegevens komt naar voren dat door [persoon 16] op twee manieren tickets bij [bedrijf 21] zijn gekocht.
a. bij diverse luchtvaartmaatschappijen die fysiek
worden uitgedraaid en
via internet bij met name luchtvaartmaatschappij
Transavia.
Met het boeken van genoemde tickets was een totaalbedrag van € 196.525,39 gemoeid.
In totaal wordt voor de reizen een bedrag van
€ 210.619,39(€ 196.525,39 + € 14.094,00) als onvoldoende gemotiveerd betwist opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [55]
Dit bedrag betreft een minimumpositie aangezien reizen die, blijkens diverse opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken, door de betrokkene en anderen zijn gemaakt naar bijvoorbeeld [land 11], [land 12], [land 13], [land 14] en [[land 15] en waarvan de kosten door de betrokkene zijn betaald, niet zijn meegenomen.
6.6.14
Vakantiereis van [ex-partner] en partner naar de [land [land 16] en [plaats 1]
Eind 2009 en met de jaarwisseling 2009/2010 is de ex-vrouw van de betrokkene, eerder genoemde [ex-partner] , met haar partner op vakantie geweest naar de [land 16] en naar [plaats 1]. Deze reis en hotels zijn door de betrokkene betaald. Het was een verjaardagscadeau aan [ex-partner] en haar partner mocht op kosten van de betrokkene mee, aldus de verklaring van de partner van [ex-partner] bij de politie.
Datum
Omschrijving
Bedrag
23 t/m 29 dec.
2009
Hotelovernachting
6 x US$ 1.000,00
€ 4.200,00 [56]
29 dec. 2009
t/m 1 jan. 2010
Hotelovernachting [hotel 4] 3 x
€ 1.176,00
€ 3.528,00
Tickets
€ 2.416,26
Totaal
€ 10.144,26
Het totaalbedrag van €
10.144,26wordt als onvoldoende gemotiveerd betwist opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [57]
6.6.15
Vakantiereis van de betrokkene, zijn partner en kinderen naar de [land 16]
In een telefoongesprek van 8 november 2010, om 08.28 uur, tussen de betrokkene en eerder genoemde [persoon 16] wordt onder andere over de aanstaande reis naar de [land 16] gezegd:
“(…)
[persoon 16]: Ik ben bezig voor die NTV [land 16]. Je zal wel zeker moeten zijn of je l of 2 kamers
moet hebben en om hoeveel personen dat het gaat.
[verdachte]:Het gaat om twee huisjes, waterhuisjes, watervilla’s. En het gaat om [partner] en voor mijn
2 kinderen en voor [zoon] en [dochter]. De kinderen zijn vanaf de 18de vrij. Het gaat dan om 18 tot 23.
De betrokkene zegt het liefst met Business Class en hij wil het verschil weten met economisch.
(...)”
Op 15 december 2010 is de betrokkene met vakantie vertrokken naar [plaats 1] en aansluitend naar de [land 16].
Tijdens deze reis wordt hij vergezeld door zijn partner [partner] en hun twee kinderen. In afgeluisterde tapgespreken wordt er over gesproken om op 2 januari 2011 weer terug te zijn in [land 8].
Datum
Omschrijving
Bedrag
15 dec. 2010
t/m 23 dec. 2010
Hotelovernachting [hotel 4] 8 nachten x 2 à
€ 1.176,00
€ 18.816,00
23 dec. 2010
t/m 2 jan. 2011
Hotelovernachting 10 x
US$ 1.000,00 x 2
€ 14.000,00 [58]
Tickets
€ 8.499,36
Totaal
€ 41.315,36
Het totaalbedrag van €
41.315,36wordt als onvoldoende gemotiveerd betwist opgenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [59]
6.6.16
Resumé – tussenconclusie overige uitgaven en investeringen
In onderstaande tabel zijn alle bedragen die in de voorgaande paragrafen zijn beschreven opgesomd:
Omschrijving
Bedrag
Investering in een partij van 135
kilogram cocaïne uit [land 7]
€ 48.937,00
Afpersing van de betrokkene
€ 3.750.000,00
Verduistering door [persoon 1]
€ 3.500.000,00
Uitgaven voor sweet sixteen party’s tbv twee kinderen van de betrokkene
€ 51.364,05
Uitgaven voor advocaten en familieleden medeverdachten
€ 174.150,00
Uitgaven voor autobezit in [land 8]/[land 1]/[plaats 1]
€ 776.051,63
Uitgaven genoemd in telecommunicatie van 25/06/2010 - 13/07/2010
€ 422.302,00
Uitgaven voor verjaardag [zoon]
€ 4.300,00
Uitgaven voor keuken tbv [partner] [adres 6] te [plaats 16]
€ 13.641,50
Uitgaven voor opleidingen van de drie kinderen van de betrokkene
€ 101.058,66
Uitgaven voor levensonderhoud volgens het NIBUD 2006-2011
€ 80.096,92
Uitgaven voor loungestoelen voor de ouders van de betrokkene
€ 2.264,00
Uitgaven voor reizen via [bedrijf 21] uitzendbureau
€ 210.619,39
Uitgaven voor vakantie [land 16] en [plaats 1] tbv [ex-partner] en partner
€ 10.144,26
Uitgaven voor vakantie [land 16] van de betrokkene en zijn gezin
€ 41.315,36
Totaal
€ 9.186.244,77
Ten slotte overweegt het hof -mede gelet op het aanvullende proces-verbaal van de rapporteur [inspecteur] d.d. 7 juli 2023- dat gesteld noch gebleken is dat de gebezigde ontnemingsrapporten die ten grondslag liggen aan de voordeelsberekening ten aanzien van de uitgaven dan wel met betrekking tot de investeringen van de betrokkene dubbeltellingen bevatten die niet reeds in dit arrest (zekerheidshalve) in het voordeel van de betrokkene buiten beschouwing zijn gelaten in de berekening van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
7. Vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat
Gezien het voorgaande stelt het hof het bedrag waarop het door de betrokkene in de periode van 1 januari 2000 tot 15 november 2011 wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat als volgt vast:
Beginvermogen (6.1) € 0,00
Legale ontvangsten [partner] (6.4.2) € 101.900,00
(economische eenheid)
Gedane uitgaven en investeringen
betrokkene:
- Resumé – tussenconclusie (6.5.15) € 30.811.959,69
- Resumé – tussenconclusie overige €
9.186.244,77+
uitgaven en investeringen (6.6.16)
Totaal uitgaven en investeringen € 39.998.204,46
Wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 39.896.304,46
(negatief verschil tussen € 101.900,00 en
€ 39.998.204,46)

8.Vaststelling van de betalingsverplichting

De behandeling van de ontnemingsvordering heeft in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM plaatsgevonden. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat 2 oktober 2015, de datum waarop de betrokkene is geconfronteerd met de bevindingen in het SFO (proces-verbaal verhoor verdachte, nr. 26Fotino~10014, p. 150 e.v.) geldt als het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zou worden gemaakt. In eerste aanleg is de ontnemingszaak eerst op 17 september 2020 afgerond met een eindvonnis, zijnde een overschrijding van bedoelde termijn met bijna 3 jaar.
Nadat zijdens betrokkene op 28 september 2020 hoger beroep is ingesteld, doet het hof eerst op 10 oktober 2025 einduitspraak. Aldus is in hoger beroep sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim 3 jaar.
Alles afwegende zal het hof deze overschrijding van de redelijke termijn compenseren door de betalingsverplichting – in navolging van de vordering van de advocaat-generaal- volgens de maatstaf van € 5.000,00 per jaar overschrijding (6 x € 5.000,00 =) € 30.000,00 te verminderen, tot een bedrag van
€ 39.896.304,46 - € 30.000,00 =
€ 39.866.304,46.

9.Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat rechtens geldt dan wel gold.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 39.896.304,46 (negenendertig miljoen achthonderdzesennegentig duizend driehonderdvier euro en zesenveertig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 39.866.304,46
(negenendertig miljoen achthonderdzesenzestig duizend driehonderdvier euro en zesenveertig cent).
Bepaalt de duur van de
gijzelingdie ten hoogste kan worden gevorderd op
1080 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. R. van der Hoeven, voorzitter, mr. H.C. Plugge en mr. K. Versteeg, leden, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 oktober 2025.
De griffier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

Voetnoten

1.Aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina 3.
2.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 8 oktober 2015, pagina 12.
3.Deeldossier 5.2.7, bijlage 2, pagina 15.
4.Vgl. Hoge Raad 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3193 r.o. 2.3.3 en 2.3.4.
5.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 8 oktober 2015, pagina 13.
6.Proces-verbaal 5de (financieel) verhoor [verdachte] d.d. 2 oktober 2015, pagina 156.
7.Aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina 5.
8.Deeldossier 5.2.5, pagina 3 onderaan.
9.Deeldossier 5.2.13, pagina’s 18 en 19 en bijlage, p. 420, 421.
10.€ 105.150,00 verminderd met € 750,00 van [café 1] op 26-7-2012 en met € 1.000,00 op 12-6-2012, € 750,00 op 2-7-2012 en € 750,00 op 1-8-2012 van [café 2].
11.Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 8 oktober 2015, pagina 8.
12.Deeldossier 5.2.7, pagina 15, en aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina 6.
13.[persoon 1] is op 3 juli 2011 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 54 maanden wegens fraude en witwassen.
14.Deeldossier 5.2.8 en aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina 6, 7.
15.Deeldossier 5.2.9 en aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina 7.
16.Deeldossier 5.2.10 en aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina 7.
17.Deeldossier 5.2.11 en aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina’s 7 en 8.
18.[persoon 6] werd in juni 2010 voor witwassen veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf. In juli 2014 werd hij wederom aangehouden ter zake witwassen binnen een Belgisch opsporingsonderzoek.
19.OVC-gesprek van 2 september 2011 tussen 11.09 en 13.19, bijlage 11 bij deeldossier 5.2.12, p. 152
20.Bijlage 7 bij deeldossier 5.2.12, p. 86 t/m 95
21.Deeldossier 5.2.12 en aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina 8.
22.Deeldossier 5.2.13.
23.Deeldossier 5.2.15.
24.Deeldossier 5.2.16 en aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina 9.
25.Deeldossier 5.2.17 en aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina’s 9 en 10.
26.Deeldossier 5.2.18 en aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina 10.
27.Deeldossier 5.2.19 en aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina’s 10 en 11.
28.Deeldossier 5.2.20 en aanvullend rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina 11.
29.Deeldossier 5.2.24, pagina’s 15 t/m 31.
30.UNDOC staat voor United Nations Office on Drugs and Crime. Voor dit rapport zie: https://www.undoc.org/documents/data-and-analysis/WDR2012/WDR_2012_web_small.pdf.
31.Deeldossier 5.2.2 en aanvullend rapport wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina’s 12 en 13.
32.EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03, NJ 2007/349, m.nt. ([naam 5]/Nederland).
33.Deeldossier 5.2.5 en aanvullend rapport wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina 13.
34.Deeldossier 5.2.6, bijlage 9.
35.PINGen is een vorm van mobiele communicatie via mobiele telefoons, oorspronkelijk alleen van het merk BlackBerry, via BlackBerry Messenger. Anders dan bij sms gaat adressering niet met het gewone telefoonnummer, maar met een speciaal nummer, de BlackBerry PIN.
36.Met ultras worden waarschijnlijk kilo's cocaïne bedoeld zoals blijkt uit een bericht van 25 februari 2011: “[bijnaam 2 persoon 4] met 150 ultra's ... gepakt”. Op 18 februari 2011 is [persoon 4] (bijnaam [bijnaam 1 persoon 4] of [bijnaam 2 persoon 4]) namelijk aangehouden in [land 7] met 135 kilo cocaïne.
37.Dit betreft [persoon 1].
38.Deeldossier 5.2.6 en aanvullend rapport wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina’s 13 en 14.
39.Op pagina’s 9 en 10 van deeldossier 5.2.14 is in het rapport uitgegaan van € 2.350,00 als minimaal bedrag voor optredens, maar de optelsom bedraagt € 2.150,00 ([persoon 26] € 200,00 + [persoon 27] € 200,00 en [persoon 28] € 1.750,00).
40.Deeldossier 5.2.14 en aanvullend rapport wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 september 2017, pagina 14.
41.Deeldossier 5.2.21, pagina’s 2 t/m 5 en bijlagen.
42.Deeldossier 5.2.21, pagina’s 6 en 7 en bijlagen.
43.[persoon 20] is in [land 9] onder observatie geweest terwijl hij met een camper, met daarin methamfetamine, van [plaats 12] naar [plaats 13] reed.
44.Deeldossier 5.2.21, pagina 9 t/m 13 en bijlagen.
45.[persoon 4] en [persoon 3] zijn vanwege de 135 kilogram cocaïne die in [land 7] in beslag is genomen, op 18 februari 2011 in [land 7] aangehouden en ieder tot 12 jaar gevangenisstraf veroordeeld.
46.Deeldossier 5.2.21, pagina 14 en bijlage.
47.Deeldossier 5.2.21 pagina’s 21 t/m 33 en bijlagen.
48.Deeldossier 5.2.22.
49.Deeldossier 5.2.24, pagina’s 6 en 7.
50.Deeldossier 5.2.24, pagina 7.
51.Deeldossier 5.2.24, pagina’s 7 t/m 10.
52.Deeldossier 5.2.24, pagina’s 10 t/m 12.
53.Deeldossier 5.2.24, pagina’s 12 en 13.
54.Deeldossier 5.2.24, pagina’s 13 en 14.
55.Deeldossier 5.2.24, pagina’s 31 en 32.
56.De wisselkoers van de US$ ten opzichte van de euro bedroeg op 23 dec. 2009 1 USD = € 0.7001.
57.Deeldossier 5.2.24, pagina’s 32 t/m 34.
58.De wisselkoers van de US$ ten opzichte van de euro bedroeg op 15 dec. 2010 1 USD = € 0.7458.
59.Deeldossier 5.2.24, pagina’s 34 en 35.