ECLI:NL:GHDHA:2025:2555

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
200.361.571/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:900 BWArt. 69 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis over nevenwerkzaamhedenbeding en dwaling in vaststellingsovereenkomst

De werkgever vorderde vernietiging van beëindigingsovereenkomsten op grond van dwaling en betaling van een contractuele boete omdat twee voormalige werknemers zonder toestemming een webwinkel waren gestart, wat volgens de werkgever een schending van het nevenwerkzaamhedenbeding was.

De kantonrechter wees de vorderingen af en het hof bevestigde dit oordeel. Het hof oordeelde dat de werknemers niet gehouden waren aan het nevenwerkzaamhedenbeding omdat de webwinkel geen verband hield met de bedrijfsactiviteiten en er geen aantoonbare schade was. Ook was in de vaststellingsovereenkomst een uitsluiting opgenomen van vernietiging wegens dwaling, wat rechtsgeldig was.

Verder oordeelde het hof dat de ondernemingsactiviteiten van de werknemers niet als een 'andere baan' in de zin van de beëindigingsovereenkomst konden worden beschouwd, zodat geen terugbetaling van salaris over augustus 2022 verschuldigd was. Het hoger beroep werd afgewezen en de werkgever werd veroordeeld in de kosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van de werkgever af.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer hof : 200.361.571/01
Zaaknummer rechtbank : 11171210 CV EXPL 24-16117
Arrest van 9 december 2025
in de zaak van
[naam 1] & [naam 2] Schoonmaakbedrijven B.V.,
gevestigd in Rotterdam,
appellante,
advocaat: mr. E. Spijer, kantoorhoudend in Maasdijk,
tegen

1.[geïntimeerde 1] ,

wonend in [woonplaats 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
geïntimeerden in hoger beroep,
advocaat: mr. P.Chr. Snijders, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof zal appellant hierna [naam 1] noemen. Geïntimeerden worden aangeduid als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .

1.De zaak in het kort

De werkgever is van mening dat beide (voormalig) werknemers het overeengekomen nevenwerkzaamhedenbeding hebben overtreden door een webwinkel te openen. De werkgever vordert daarom de contractuele boete. Verder moeten volgens de werkgever de beëindigingsovereenkomsten op grond van dwaling partieel worden vernietigd, omdat de werkgever pas ná het sluiten van deze overeenkomsten heeft ontdekt dat de werknemers tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst nevenwerkzaamheden ontplooiden.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • het beroepsschrift dat bij het hof op 21 mei 2025 is binnengekomen en waarmee [naam 1] in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2025;
  • het verweerschrift van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .
2.2
Op 17 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de advocaten de zaak hebben toegelicht. Mr Snijders deed dit aan de hand van pleitaantekeningen.
2.3
[naam 1] heeft de procedure in hoger beroep ingeleid door middel van een beroepschrift, terwijl zij dat had moeten doen met een dagvaarding. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof bepaald dat de zaak op de voet van art. 69 Rv Pro zal worden voortgezet als een dagvaardingszaak. Daarbij is het oorspronkelijke zaaknummer (200.354.898/01) omgezet in het huidige nummer 200.361.571
.

3.Feiten en procedure bij de kantonrechter

3.1
Het gaat in deze zaak om het volgende.
i) [geïntimeerde 1] is op 14 oktober 2019 in dienst getreden bij [naam 1] en [geïntimeerde 2] op 8 januari 2018. Beiden hadden bij [naam 1] een administratieve functie. Zij hadden een arbeidsovereenkomst voor 2 tot 38 uur per week.
ii) Op 23 maart 2021 zijn [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] met [naam 1] een ‘aanvullende overeenkomst’ aangegaan. Deze overeenkomst bevat onder meer de volgende bedingen:

Artikel 6. Verbod nevenwerkzaamheden
Het is de werknemer verboden naast zijn dienstverband met werkgever nevenwerkzaamheden te verrichten. Indien werknemer overweegt naast zijn functie voor werkgever direct of indirect betaalde of onbetaalde arbeid voor een andere werkgever te verrichten of zaken voor eigen rekening te gaan doen, dan dient werknemer hiervoor voor aanvang van bedoelde werkzaamheden schriftelijk aan werkgever toestemming te vragen. Slechts in dat geval kan werkgever schriftelijk ontheffing van dit verbod verlenen aan de ontheffing kunnen door werkgever voorwaarden worden gesteld.
Artikel 7. Boetebeding
7.1.1.
Indien werknemer in strijd met zijn verplichtingen krachtens artikel 1 t/m 6 handelt, zal werknemer aan werkgever (…) voor iedere overtreding een boete aan werkgever verbeuren van € 5.000,00, alsmede een boete aan werkgever verbeuren van € 500,00 voor elke dag (…) dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van werkgever tot het vorderen van een volledige schadevergoeding te dezer zake van werknemer.”
iii) Op 26 oktober 2021 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] een vennootschap onder firma opgericht waarmee zij via internet kleding en modeartikelen verkopen.
iv) [naam 1] heeft eind juli 2022 met zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 2] een beëindigingsovereenkomst gesloten op grond waarvan hun arbeidsovereenkomsten met wederzijds goedvinden zijn geëindigd per 1 september 2022 (art. 1.1). De beëindigingsovereenkomsten bevatten verder de volgende, voor deze zaak relevante bepalingen:
“1.2 In het geval werknemer voor de beëindigingsdatum in een andere baan het werk aanvangt, wordt de arbeidsovereenkomst in afwijking van artikel 1.1 met werkgever met wederzijds goedvinden beëindigd met ingang van de datum waarop de nieuwe arbeidsovereenkomst ingaat. (…)
2.2
Tot de Einddatum behoudt Werknemer aanspraak op salaris (zonder kostenvergoeding(en), tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald.
(…)
3.2
Werkgever vergoedt de door werknemer gemaakte en nog te maken kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van EUR 2.250 ex BTW (zonder kantoorkosten).
(…)
11.1
Deze overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
(…)
11.3
Partijen verbinden zich geen ontbinding, vernietiging of nietigverklaring van deze overeenkomst te zullen vorderen, op grond van enigerlei wanprestatie, dwaling of andere wilsgebreken.
(…)
11.7
Partijen verlenen elkaar, na effectuering van hetgeen in deze overeenkomst is bepaald, over en weer finale kwijting ter zake van alle aangelegenheden voor nu en in de toekomst die de arbeidsovereenkomst en/of de beëindiging daarvan betreffen en verklaren niets meer van elkaar te vorderen te hebben.”
v) Op 28 oktober 2022 heeft [naam 1] aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] laten weten dat zij er recent van op de hoogte is geraakt dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ten tijde van hun dienstverband nevenwerkzaamheden hebben verricht waarover zij [naam 1] niet hebben geïnformeerd. [naam 1] heeft een beroep gedaan op de gedeeltelijke vernietigbaarheid van de vaststellingsovereenkomst: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] moeten volgens [naam 1] hun salaris over de maand augustus 2022 terugbetalen en het bedrag van € 2.250,- aan kosten van rechtsbijstand. Ook heeft [naam 1] aanspraak gemaakt op de contractuele boete van art. 7 van Pro de aanvullende overeenkomst.
vi) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben geweigerd de gevorderde bedragen (terug) te betalen.
3.2
[naam 1] heeft in deze procedure gevorderd:
te verklaren voor recht dat de tussen partijen overeengekomen beëindigingsovereenkomst op juiste gronden partieel is vernietigd, ertoe leidende dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 1 augustus 2022 als beëindigd dient te worden beschouwd, althans dat van dit laatste sprake is op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken in de beëindigingsovereenkomst;
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ieder te veroordelen tot terugbetaling van het salaris over de maand augustus 2022, alsmede van de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand van € 2.250,-, te vermeerderen met 21% btw;
te verklaren voor recht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] het nevenwerkzaamhedenbeding hebben geschonden;
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] te veroordelen tot betaling van een boete van € 25.000,- per persoon.
3.3
De kantonrechter heeft de vorderingen van [naam 1] afgewezen, met veroordeling van [naam 1] in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .

4.Beoordeling in hoger beroep

4.1
[naam 1] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en – zakelijk weergegeven – tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.
4.2
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben – voor zover nog van belang – geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
Overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding
4.3
Met grief IV voert [naam 1] aan dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] het nevenwerkzaamhedenbeding hebben overtreden door zonder toestemming van [naam 1] een webwinkel te beginnen. Zij zijn daarom een contractuele boete verschuldigd, die [naam 1] heeft begroot op € 25.000,- per persoon.
4.4
Uit art. 6 van Pro de aanvullende overeenkomst volgt dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] alle nevenwerkzaamheden aan [naam 1] behoorden te melden. Pas na schriftelijke toestemming van [naam 1] , mochten [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] nevenwerkzaamheden verrichten. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben niet betwist dat zij [naam 1] niet hebben verteld dat zij het voornemen hadden opgevat om een webwinkel te beginnen. In de gegeven omstandigheden leidt dit er echter niet toe dat zij de contractuele boete zijn verschuldigd. Het hof licht dit oordeel hieronder toe.
4.5
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] vervulden bij [naam 1] , een schoonmaakbedrijf, administratieve functies. Zij hebben de webwinkel, naar eigen zeggen, opgericht als hobby en om wat extra’s te verdienen. Met de webwinkel verkochten [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] kleding en modeartikelen. De webwinkel houdt dus op geen enkel manier verband met de bedrijfsactiviteiten van [naam 1] .
4.6
Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat [naam 1] geschaad had kunnen worden door deze nevenactiviteiten van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . [naam 1] heeft dus weliswaar gesteld dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zonder toestemming nevenwerkzaamheden zijn gaan verrichten, maar heeft nagelaten steekhoudende argumenten te verstrekken waarom zij redelijkerwijs haar toestemming had kunnen onthouden indien [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] wél om voorafgaande toestemming hadden verzocht. [naam 1] stelt dat zij er belang bij hadden dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de werkzaamheden meldden omdat [naam 1] het belangrijk vindt dat haar werknemers niet te veel werken. Dat dit gevaar dreigde, blijkt echter nergens uit. Dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] – naar [naam 1] stelt – bijna dagelijks een foto van hun koopwaar op Instagram plaatsten, is daarvan in ieder geval geen bewijs.
4.7
Grief IV is ongegrond. [naam 1] kan ten opzichte van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geen beroep doen op het nevenwerkzaamhedenbeding.
Dwaling en finale kwijting
4.8
Met grief I voert [naam 1] aan dat art. 11.3 van de vaststellingsovereenkomst niet in de weg staat aan gedeeltelijke vernietiging van die overeenkomst. Een geslaagd beroep op dwaling is volgens haar wel degelijk mogelijk, met name indien de dwaling het gevolg is van onjuiste inlichtingen of het verzwijgen van informatie door de wederpartij. Als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] melding hadden gemaakt van hun nevenwerkzaamheden, had [naam 1] de vaststellingsovereenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, gesloten.
4.9
Dit betoog is ongegrond, omdat partijen ervoor kunnen kiezen om contractueel uit te sluiten dat de overeenkomst kan worden vernietigd op grond van dwaling. Dat is wat er hier is gebeurd.
4.1
[naam 1] is verder van mening dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] een beroep doen op art. 11.3 van de vaststellingsovereenkomst. Ook deze stelling gaat niet op, omdat [naam 1] in dit geval geen beroep toekomt op het nevenwerkzaamhedenbeding. Ook als art. 11.3 niet in de vaststellingsovereenkomst zou zijn opgenomen, zou een beroep op dwaling niet zijn gehonoreerd.
4.11
Grief I is daarom ongegrond. Uit het vorenstaande vloeit ook voort dat ook grief II – die ziet op de vernietiging van de bepaling over finale kwijting – geen doel treft.
Beroep op art. 1.2 van de vaststellingsovereenkomst
4.12
Art. 1.2 van de vaststellingsovereenkomst bepaalt dat indien de werknemer voor de overeengekomen beëindigingsdatum (1 september 2022) in een andere baan begint, de arbeidsovereenkomst eindigt op de datum waarop de nieuwe arbeidsovereenkomst ingaat.
4.13
Met grief III betoogt [naam 1] dat onder het begrip een ‘andere baan’ ook de ondernemingsactiviteiten van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] vallen. [naam 1] acht deze uitleg voor de hand liggend, omdat de ratio van de bepaling is dat wordt voorkomen dat [naam 1] aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] loon moet betalen, terwijl zij inmiddels ook inkomsten uit andere werkzaamheden ontvangen. [naam 1] is van mening dat de arbeidsovereenkomsten al op 1 augustus 2022 zijn geëindigd, omdat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] toen al hun webwinkel hadden. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] moeten daarom het salaris over de maand augustus 2022 terugbetalen, aldus [naam 1] .
4.14
Naar het oordeel van het hof kunnen de werkzaamheden die [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] voor hun v.o.f. verrichtten, niet worden beschouwd als een ‘andere baan’ in de zin van art. 1.2. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben redelijkerwijs niet hoeven te begrijpen dat [naam 1] met het begrip ‘andere baan’ ook doelde op werkzaamheden voor een eigen bedrijf. Daarvoor is van belang dat art. 1.2 bepaalt dat de arbeidsovereenkomst met [naam 1] eindigt op de datum waarop ‘nieuwe arbeidsovereenkomst’ ingaat. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn echter geen arbeidsovereenkomst met de v.o.f. aangegaan.
4.15
Zelfs als het begrip een ‘andere baan’ ruim moet worden opgevat, in die zin dat hieronder ook werkzaamheden voor een eigen onderneming vallen, gaat de grief niet op. Zoals [naam 1] opmerkt, is de ratio van art. 1.2 dat [naam 1] wil voorkomen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] loon van [naam 1] zouden ontvangen, terwijl zij ook inkomsten uit andere werkzaamheden hebben. Zoals [naam 1] het uitdrukt: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] mogen niet “dubbel profiteren”. Van die situatie is echter geen sprake. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben hun aangiftes inkomstenbelasting over 2021 en 2022 overgelegd waaruit volgt dat de webwinkel een minimale omzet had en geen winst (maar verlies) genereerde. [naam 1] heeft de juistheid van deze aangiftes niet gemotiveerd betwist. Kortom, ook bij een ruime uitleg van art. 1.2 vallen de werkzaamheden van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet onder deze bepaling en zijn zij niet verplicht het salaris over de maand augustus 2022 terug te betalen.
4.16
Grief III faalt dus.
Conclusie en proceskosten
4.17
Omdat de grieven I tot en met IV niet slagen, is ook grief V (waarmee [naam 1] opkomt tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg) ongegrond.
4.18
Het hof passeert het bewijsaanbod van [naam 1] omdat dit onvoldoende concreet en niet ter zake dienend is.
4.19
De conclusie is dat het hoger beroep van [naam 1] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [naam 1] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op € 362,- aan griffierechten en € 4.426,- aan salaris advocaat (tarief IV, 2 punten).

5.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 21 februari 2025;
  • veroordeelt [naam 1] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot op heden begroot op € 4.788,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [naam 1] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [naam 1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [naam 1] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, R.G.C. Veneman en P.S. Fluit en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.