In drie civiele procedures betreffende investeringsarbitrage tussen de Republiek India en Devas c.s. werd een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. Glazener, lid van het wrakingscomité en arbiter bij het NAI. Verzoeker stelde dat mr. Glazener onvoldoende onafhankelijk zou zijn vanwege zijn benoeming en hiërarchische relatie met mr. Meijer, advocaat van Devas c.s., en eerdere betrokkenheid bij een gerelateerd arrest.
Mr. Glazener ontkende de aantijgingen en benadrukte dat hij geen persoonlijke relatie met mr. Meijer heeft en dat het wrakingscomité onafhankelijk opereert. Ook wees hij erop dat het niet ongebruikelijk is dat een herroepingsvordering wordt beoordeeld door de combinatie die het eerdere arrest heeft gewezen.
De wrakingskamer oordeelde dat verzoeker onvoldoende concrete aanknopingspunten had geleverd voor de stelling dat mr. Glazener niet onafhankelijk of onpartijdig zou zijn. De benoemingsprocedure van mr. Glazener verliep via het voltallige bestuur van het NAI, niet alleen mr. Meijer, en er was geen hiërarchische ondergeschiktheid. Ook procedurele beslissingen van mr. Glazener vormden geen grond voor wraking.
De omissie van mr. Glazener om zijn nevenfuncties tijdig te registreren werd erkend, maar dit leverde geen objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid op. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen.