ECLI:NL:GHDHA:2025:2376

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
200.338.411
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inning van declaraties door verkeerde partij en proceskostenveroordeling

In deze zaak, die voor het Gerechtshof Den Haag diende, ging het om een hoger beroep van [appellante] tegen een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam. [appellante] had in hoger beroep de bestreden vonnissen van 18 augustus 2023 en 17 november 2023 aangevochten, waarin [geïntimeerde] een vordering had ingesteld voor betaling van € 2.652,--. Dit bedrag bestond uit eigen bijdragen, declaraties voor verrichte werkzaamheden en proceskosten. De kantonrechter had de vorderingen van [geïntimeerde] integraal afgewezen, omdat niet was komen vast te staan dat [appellante] met [geïntimeerde] had gecontracteerd. In het hoger beroep concludeerde [appellante] dat het hof de bestreden vonnissen zou vernietigen en [geïntimeerde] in de proceskosten zou veroordelen. [geïntimeerde] concludeerde in incidenteel hoger beroep dat het hof het eindvonnis zou vernietigen en haar vorderingen zou toewijzen. Het hof oordeelde dat de kantonrechter terecht had geoordeeld dat [geïntimeerde] niet als contractspartij kon worden aangemerkt. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter uitsluitend op het punt van de proceskosten en veroordeelde [geïntimeerde] alsnog in de proceskosten in eerste aanleg aan de kant van [appellante]. De proceskosten in principaal hoger beroep werden gecompenseerd, omdat beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk waren gesteld. Het hof bekrachtigde de overige delen van het vonnis van de kantonrechter en bepaalde dat [geïntimeerde] de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep moest vergoeden.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Zaaknummer : 200.338.411/01
Rolnummer rechtbank : 10456660 CV EXPL 23-10841

arrest van 18 november 2025

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
hierna: [appellante] ,
advocaat mr. D.P. Kant te Capelle aan den IJssel,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. [naam] te [plaats].

Het geding in hoger beroep

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 16 februari 2024 waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van de door de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnissen van 18 augustus 2023 en 17 november 2023;
  • het arrest van 7 mei 2024;
  • de memorie van grieven in principaal hoger beroep van [appellante] (met producties);
  • de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] (met producties);
  • de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellante] (met productie).

Het geschil in eerste aanleg

2. [geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg betaling door [appellante] van een bedrag van € 2.652,--. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 777,-- aan door de Raad voor de Rechtsbijstand vastgestelde eigen bijdragen, een bedrag van € 875,-- aan een declaratie voor door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden en € 1.000,-- aan proceskosten die door de Raad van Discipline van de Orde van Advocaten bij [geïntimeerde] in rekening zijn gebracht.
3. [appellante] heeft een incidentele vordering ingesteld die door de kantonrechter bij vonnis in het incident is afgewezen. Daarbij is [appellante] in de proceskosten van het incident veroordeeld voor een bedrag van € 232,--.
4. De vorderingen van [geïntimeerde] zijn integraal afgewezen. Dat is als volgt onderbouwd in r.o. 3.1 van het eindvonnis:
“ [appellante] heeft zich op het standpunt gesteld niet met [geïntimeerde] te
hebben gecontracteerd. [geïntimeerde] daarentegen stelt dat de advocatenpraktijk
wordt gevoerd vanuit [geïntimeerde] en dat [naam] de enige werkzame advocaat is binnen de vennootschap. Nergens blijkt echter uit dat [appellante] met de B.V. heeft
gecontracteerd. Dit blijkt niet uit een opdrachtbevestiging, correspondentie, facturen of
(wel) verrichte betalingen. Daarmee is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde]
een grondslag heeft voor de door haar ingestelde vordering. De vordering wordt daarom
afgewezen.”
5. De kantonrechter heeft de proceskosten in de hoofdzaak gecompenseerd.

Vorderingen in principaal hoger beroep

6. In principaal hoger beroep concludeert [appellante] dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en alsnog (1) de proceskosten van het incident zal compenseren, dan wel [geïntimeerde] in deze proceskosten zal veroordelen en (2) [geïntimeerde] zal veroordelen in de proceskosten van de hoofdzaak, en (3) [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met nakosten.

Vorderingen in incidenteel hoger beroep

7. In incidenteel hoger beroep concludeert [geïntimeerde] dat het hof het bestreden eindvonnis zal vernietigen en alsnog haar vorderingen zal toewijzen, en [appellante] zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

De beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

8. Met de
principale grief Ibetoogt [appellante] dat [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij had moeten worden veroordeeld in de proceskosten van de hoofdzaak.
9. Met de
incidentele griefbetoogt [geïntimeerde] dat zij gerechtigd is tot de tegen [appellante] ingestelde vordering. Dat is als volgt toegelicht.
9.1
Mr. [naam] is in dienst bij [geïntimeerde] en declareert niet zelfstandig.
9.2
Mr. [naam] heeft geen eigen bankrekening. Alle bankrekeningen staan op naam van [geïntimeerde] .
9.3
[appellante] had aan de betalingen en bankafschriften kunnen zien dat alle betalingen en ontvangsten ten name van [geïntimeerde] werden verricht.
9.4
[geïntimeerde] heeft eerder procedures gevoerd over het innen van de declaraties bij cliënten. Dat was toen geen probleem.
9.5
[geïntimeerde] is daarom de contractspartij van [appellante] .
10. Deze incidentele grief faalt. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter en de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd (zie hiervóór r.o. 4). Het hof komt dus tot hetzelfde oordeel. De grief leidt niet tot een ander oordeel. Dat en waarom [appellante] uit de wijze van declareren en betalen heeft moeten begrijpen dat zij met [geïntimeerde] had gecontracteerd is niet onderbouwd. Het belang van het feit dat [geïntimeerde] in andere procedures geen probleem ondervindt bij het innen van declaraties, is ook niet onderbouwd.
10. De kantonrechter heeft [geïntimeerde] dus terecht in het ongelijk gesteld. Daarmee slaagt de principale grief I. Noch de door [geïntimeerde] beschreven proceshouding van [appellante] noch de omstandigheid dat [appellante] met een toevoeging procedeerde, levert een argument op voor het achterwege blijven van een kostenveroordeling. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van de eerste aanleg en het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld. De kosten in eerste aanleg bedragen volgens het liquidatietarief kanton in 2023 € 464,--. De kosten in incidenteel hoger beroep bedragen € 429,-- aan kosten advocaat (0,5 punt, tarief I).
10. Met de
principale grief IIkeert [appellante] zich tegen de proceskostenveroordeling in het incident. Volgens [appellante] had [geïntimeerde] haar vordering nimmer toegewezen kunnen krijgen en diende de beslissing over de proceskosten in het incident aangehouden te worden tot de beslissing over de proceskosten in het bestreden eindvonnis.
10. Deze grief faalt. Het incident ging over de bevoegdheid van de kantonrechter. In dat incident is [appellante] in het ongelijk gesteld. De kantonrechter was niet gehouden om de beslissing over de proceskosten in het incident aan te houden tot het eindvonnis. De kantonrechter was evenmin gehouden om, in het geval die beslissing wel was aangehouden tot het eindvonnis, [geïntimeerde] in de kosten van het incident te veroordelen. Immers, [appellante] was in het incident in het ongelijk gesteld en de uitkomst van de hoofdzaak verandert daar niets aan.
10. Bij deze uitkomst past dat de proceskosten van het principaal hoger beroep worden gecompenseerd omdat beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld.

Beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep

Het hof:
  • vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 17 november 2023, uitsluitend op het punt van de proceskosten en veroordeelt [geïntimeerde] alsnog in de proceskosten in eerste aanleg aan de kant van [appellante] voor een bedrag van € 464,--;
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 17 november 2023 voor het overige;
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2023;
  • compenseert de proceskosten in principaal hoger beroep:
  • veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 429,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
  • bepaalt dat als [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, zij de kosten van die betekening moet betalen, evenals de nakosten van € 178,--, plus extra nakosten van € 92,--, vermeerderd met de wettelijke rente over al deze kosten als
  • verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden, R.J.F. Thiessen en P. Volker en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.