ECLI:NL:GHDHA:2025:2156
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ondernemerschap en afwijzing beroep op vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel in IB-zaken
Belanghebbende voerde in hoger beroep aan dat hij als ondernemer moest worden aangemerkt en recht had op zelfstandigenaftrek. Het Gerechtshof bevestigde het oordeel van de Rechtbank dat niet is voldaan aan de criteria voor ondernemerschap volgens de Wet IB 2001, ondanks inschrijving KvK en btw-ondernemerschap.
De Inspecteur had navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd voor de jaren 2013 tot en met 2016, waarbij managementvergoedingen van €48.000 per jaar als loon uit dienstbetrekking werden aangemerkt. Belanghebbende had geen aannemelijk bewijs geleverd voor het bestaan van een onderneming of voor de gemaakte kosten die hij aftrekbaar wilde stellen.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen toezeggingen of uitlatingen van de Inspecteur waren die het vertrouwen rechtvaardigden. Ook het gelijkheidsbeginsel werd verworpen, omdat belanghebbende geen feitelijke onderbouwing gaf van een ongelijke behandeling ten opzichte van medeaandeelhouders.
De opgelegde verzuimboetes voor het niet tijdig indienen van aangiften in 2015 en 2016 werden als passend en geboden beschouwd, ondanks overschrijding van de redelijke termijn. De belastingrente was correct berekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat belanghebbende geen winst uit onderneming behaalt en wijst het hoger beroep af.