Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2025:1155

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
13 juni 2025
Zaaknummer
200.350.733/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 225 RvArt. 227 RvArt. 3:84 BWArt. 6:51 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten in hoger beroep afgewezen deels toegewezen

Divine Investments Limited is in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van haar vordering tot terugbetaling van een geldbedrag op grond van een vermeende geldleningsovereenkomst met Stichting De Engelbewaarder IV. In dit incident vordert Engelbewaarder IV zekerheidstelling voor haar proceskosten in hoger beroep, berekend op € 33.406,-. Divine betwist de vordering en stelt dat zij haar vordering op Engelbewaarder IV heeft gecedeerd aan Stichting De Engelbewaarder V, gevestigd in Nederland, waardoor zekerheidstelling niet nodig zou zijn.

Het hof oordeelt dat de door Divine overgelegde stukken onvoldoende bewijs leveren voor een rechtsgeldige cessie, omdat de titel voor overdracht en specificatie van vorderingen ontbreken. Hierdoor blijven de vorderingen bij Divine berusten en is zekerheidstelling op grond van artikel 224 Rv Pro gerechtvaardigd. Ook kan Engelbewaarder V niet als rechtsopvolger in deze procedure worden erkend omdat de voorgeschreven procedure niet is gevolgd.

De rechtbank had Divine reeds veroordeeld tot zekerheidstelling van € 13.708,-, welke zekerheid is gesteld. Het hof acht dit bedrag echter onvoldoende om ook de proceskosten in hoger beroep te dekken. Na beoordeling van de werkzaamheden en het griffierecht stelt het hof de zekerheidstelling vast op € 18.762,-. Een termijn van vier weken wordt gegeven om zekerheid te stellen, op straffe van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Divine wordt veroordeeld tot zekerheidstelling voor proceskosten van € 18.762,- binnen vier weken, onder dreiging van niet-ontvankelijkheid in hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.350.733/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/649869 / HA ZA 22-1040
Arrest van 24 juni 2025 in het incident ex artikel 224 Rv Pro
in de zaak van
Divine Investments Limited,
gevestigd in Ras Al Khaimah, Verenigde Arabische Emiraten,
appellante in hoger beroep,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. G.C.L. van de Corput, kantoorhoudend in Breda,
tegen
Stichting De Engelbewaarder IV,
gevestigd in Hendrik-Ido-Ambacht,
geïntimeerde in hoger beroep,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. K.C. Mensink, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna Divine en Engelbewaarder IV.

1.De zaak in het kort

1.1
Divine komt in hoger beroep op tegen de afwijzing van haar vordering tot (terug)betaling van een geldbedrag. Divine vordert deze gelden van Engelbewaarder IV op grond van een door haar gestelde overeenkomst van geldlening. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Engelbewaarder IV vordert in dit incident zekerheidstelling voor haar proceskosten in hoger beroep. Het hof wijst dat toe, maar tot een lager bedrag dan gevorderd.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de appeldagvaarding van 31 oktober 2024, met productie, waarmee Divine hoger beroep heeft ingesteld van de vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 12 juli 2023 en 16 oktober 2024;
  • het herstelexploot van 22 januari 2025;
  • het exploot van 23 januari 2025, waarmee Engelbewaarder IV de zaak op de rol van 4 februari 2025 heeft laten plaatsen;
  • de incidentele memorie van 4 februari 2025 tot het stellen van zekerheid ex artikel 224 Rv Pro van Engelbewaarder IV, met producties;
  • de antwoordmemorie in het incident van 4 maart 2025 van Divine, met producties.

3.De vordering in het incident

3.1
Engelbewaarder IV vordert in dit incident dat Divine zekerheid stelt voor de proceskosten tot betaling waarvan zij in hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden, door haar berekend op € 33.406,-.
3.2
Divine concludeert tot afwijzing van de vordering tot zekerheidsstelling en verzoekt het hof Stichting De Engelbewaarder V (hierna: Engelbewaarder V) in deze procedure als haar rechtsopvolger aan te merken.

4.Beoordeling van het incident

Zekerheidsstelling

4.1
Engelbewaarder IV grondt haar vordering tot zekerheidsstelling op artikel 224 lid 1 Rv Pro. Volgens haar is Divine in de Verenigde Arabische Emiraten gevestigd en doet geen van de in het tweede lid van artikel 224 Rv Pro genoemde uitzonderingen zich voor.
4.2
Divine betwist niet dat zij geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft en ook niet dat geen van de in artikel 224 lid 2 Rv Pro genoemde uitzonderingen zich voordoet.
4.3
Divine stelt zich echter op het standpunt dat zij haar vordering op Engelbewaarder IV heeft gecedeerd aan Engelbewaarder V, die gevestigd is in Nederland, zodat er geen zekerheid behoeft te worden gesteld.
4.4
Het hof volgt Divine hierin niet. Op basis van de door Divine overgelegde stukken heeft het hof niet kunnen vaststellen dat van een rechtsgeldige cessie sprake is. Een rechtsgeldige cessie vereist onder meer een titel voor overdracht, waarin de gecedeerde vorderingen gespecificeerd zijn (artikel 3:84 lid 1 en Pro 2 BW). In de ‘deed of assignment’ waarop Divine de gestelde cessie baseert (productie 2 van de antwoordmemorie van Divine), staat onder randnummer 5 (voor zover leesbaar):
“The title for this transfer is the purchase agreement of the 15th of august 20…”.De bedoelde titel – een koopovereenkomst – heeft Divine niet overgelegd, zodat het bestaan ervan niet kan worden vastgesteld. In randnummer 2 staat voorts:
“All claims are specified in the attached appendix”. Ook deze bijlage is niet in het geding gebracht, zodat niet kan worden beoordeeld of de vorderingen die onderwerp zijn van deze procedure met de ‘deed of assignment’ zijn overgedragen.
4.5
Dit leidt in deze procedure tot de conclusie dat de vorderingen die onderwerp zijn van deze procedure bij Divine zijn blijven berusten. Gelet op rechtsoverweging 4.2 hiervoor komt de zekerheidsstelling dan ook voor toewijzing in aanmerking.
4.6
Engelbewaarder V kan niet, zoals verzocht door Divine, in deze procedure als haar rechtsopvolger worden erkend, alleen al niet omdat daartoe niet de in artikel 225 Rv Pro, in samenhang met artikel 227 Rv Pro, voorgeschreven procedure is gevolgd.
4.7
Het hof beoordeelt hierna tot welk bedrag Divine zekerheid moet stellen.
Hoogte zekerheidsstelling
4.8
Divine is ook door de rechtbank veroordeeld tot zekerheidstelling voor de proceskosten van Engelbewaarder IV, dit ter hoogte van € 13.708,-. Divine heeft deze zekerheid gesteld (randnummer 9 incidentele memorie van Engelbewaarder IV) en is door de rechtbank veroordeeld tot betaling van proceskosten ter hoogte van € 13.533,-. De zekerheid gesteld in eerste aanleg geldt ook voor het hoger beroep (artikel 353 lid 2 Rv Pro). Gelet op de hoogte van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg is de al gestelde zekerheid ontoereikend om ook de proceskosten in hoger beroep te dekken. De vordering van Engelbewaarder IV in dit incident moet dan ook zo worden begrepen dat zij aanvullende zekerheidsstelling verlangt voor haar proceskosten in hoger beroep. Dit volgt ook uit de opstelling in randnummer 11 van haar incidentele memorie.
4.9
Engelbewaarder IV splitst het gevorderde bedrag van € 33.406,- als volgt uit:
€ 6.803,- griffierecht
€ 26.430,- proceskosten hoofdprocedure en dit incident
€ 173,- nakosten
4.1
Engelbewaarder IV gaat bij de begroting van de proceskosten in hoger beroep uit van 5 punten in verband met te verrichten werkzaamheden. Zij gaat er daarbij kennelijk van uit dat van een mondelinge behandeling met langere spreektijd sprake zal zijn en van bewijsverrichtingen waarvoor extra punten worden toegekend. Engelbewaarder IV licht niet toe waarop zij deze extra te verrichten werkzaamheden baseert. De enkele opmerking dat deze verrichtingen te verwachten zijn, is onvoldoende. Het hof gaat uit van 1 punt voor dit incident, 1 punt voor de memorie van antwoord en 1 punt voor een mondelinge behandeling. Het hof zal voor de memorie van antwoord en de mondelinge behandeling tarief VII toepassen. De kosten voor dit incident zijn toewijsbaar tot tarief II. Het hof kent in totaal 3 punten toe, samen € 11.786,- (1 punt à € 1.214,- (tarief II) en 2 punten à € 5.286,- (tarief VII). Het griffierecht is bepaald op € 6.803,- en er wordt € 173,- aan nakosten gevorderd. Daarvan uitgaande is de vordering tot zekerheidstelling toewijsbaar tot een bedrag van € 18.762,- (€ 6.803,- griffierecht; € 10.572,- proceskosten hoofdprocedure; € 1.214,- proceskosten in dit incident en € 173,- nakosten). Mocht blijken dat dit bedrag gezien het verloop van de procedure onvoldoende is, dan staat het Engelbewaarder IV vrij om bij incidentele vordering aanvullende zekerheid te verlangen.
4.11
Engelbewaarder IV verzoekt niet een bepaalde vorm van zekerheidsstelling en ook niet een termijn waarbinnen Divine zekerheid moet stellen.
4.12
Het hof begrijpt dat Divine het in eerste aanleg te stellen bedrag aan zekerheid heeft gestort op de derdengeldenrekening van haar advocaat. Engelbewaarder IV voert aan dat dat kantoor zich niet aan haar toezegging tot betaling heeft gehouden, met als reden dat de rechtbank de proceskostenveroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard (randnummer 10 van haar incidentele memorie). Volgens Divine houdt haar advocaat het gestorte bedrag vast in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep (randnummer 10 van haar antwoordmemorie). De rechtbank heeft de proceskostenveroordeling inderdaad niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het had op de weg van Engelbewaarder IV gelegen om bij haar verzoek een bepaalde vorm van zekerstelling te vragen, als zij bezwaar heeft tegen het stellen van zekerheid door storting van het bedrag op de derdengeldenrekening van de advocaat van Divine. Omdat Engelbewaarder IV dit niet heeft gedaan, ziet het hof ook geen aanleiding om een bepaalde vorm van zekerheidsstelling te bevelen (vgl. artikel 6:51 BW Pro). Een termijn van vier weken na de datum van dit arrest komt het hof voor het stellen van de zekerheid redelijk voor.

5.Beslissing

Het hof:
in het incident
- veroordeelt Divine tot het stellen van zekerheid tot een bedrag van € 18.762,- voor de proceskosten waarin zij in hoger beroep kan worden veroordeeld;
- bepaalt dat de zekerheid uiterlijk op 22 juli 2025, op straffe van niet-ontvankelijkheid van Divine in het hoger beroep, moet zijn gesteld;
  • verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
  • houdt de beslissing over de proceskosten in het incident aan;
- wijst het meer of anders gevorderde af;
in de hoofdzaak
- verwijst de zaak naar de rol van 5 augustus 2025 voor het nemen van een memorie van grieven aan de zijde van Divine.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. de Heer, P. Volker en H.J. van Harten, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de rolraadsheer.