ECLI:NL:GHDHA:2025:112
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht in belastingzaak
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken 2017. Het Hof bevestigde de ontvangst van het hogerberoepschrift en stuurde een nota griffierecht van €559,00 met een betalingstermijn van vier weken. Ondanks een betalingsherinnering en kennisgeving van de gevolgen van niet-betaling, werd het griffierecht niet voldaan.
Belanghebbende voerde aan dat de nota griffierecht onvoldoende duidelijk was omdat het adres van het object niet werd vermeld, waardoor onduidelijkheid zou bestaan over de zaak waarvoor het griffierecht moest worden betaald. Het Hof oordeelde dat de nota en herinnering voldoende duidelijk waren door vermelding van zaaknummer, partijen en gerechtshof, en dat een begeleidende brief met het adres van het object beschikbaar was.
Het beroep op betalingsonmacht werd verworpen omdat geen financiële gegevens waren overgelegd waaruit betalingsonmacht bleek. Het Hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de uitspraak binnen twee jaar na ontvangst van het hogerberoepschrift werd gedaan.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren en is openbaar uitgesproken op 9 januari 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.